Het lichaam, het leven en het lijden

boek vrijdag 14 mei 2004

Michel Onfray

Op de muur naast mijn bureau hangt een poster van de beroemde filosoof Arthur Schopenhauer met zijn onsterfelijke uitspraak ‘Het allerergste komt nog’. Veel mensen zien hierin een verwijzing naar de dood maar in feite bedoelen ze hun angst om te sterven. Zowat iedereen kent immers familieleden, vrienden en kennissen die ziek zijn en die lijden aan kleine en grote kwalen die het begin van het einde inluiden. Sterven in pijn is het doembeeld van elke mens. Over de omgang met pijn en lijden schreef de Franse filosoof en hedonist Michel Onfray het indrukwekkende boek Het lichaam, het leven en het lijden. Onfray weet immers waarover hij spreekt. In 1987, op achtentwintig jarige leeftijd, kreeg hij een hartaanval die hem op het randje van de dood bracht. Die ingrijpende ervaring leidde ertoe dat hij vanaf dat moment het leven zelf, het zinnelijk genot gaat verheerlijken. Daarbij ontwikkelde hij een filosofisch systeem in de geest van Nietzsche: ‘Wat me niet doodt, dat maakt me sterker’.

Michel Onfray is zowat de pleitbezorger van het hedonisme. De ondertitel van zijn boek Het verlangen een vulkaan te zijn luidt dan ook Hedonistisch dagboek. Het is de wijsgerige leer die het genot, in eerste instantie in de betekenis van het fijn vinden iets goeds gedaan te hebben of te kunnen doen, als enig motief van zedelijk handelen aanwijst. De tegenstanders ervan zien het hedonisme als een vorm van egoïsme, egocentrisme of solipsisme maar dat klopt niet. Een hedonist is geen immoreel mens die uitsluitend zijn instincten, passies en driften volgt en zich niets aantrekt van anderen. Wel zet de hedonist zich af tegen elke kracht die de mens belet gelukkig te zijn en die hem veroordeelt tot een leven van pijn en lijden. Voor Michel Onfray zijn die krachten vooral aanwezig binnen het platoons-christelijke en zelfs kantiaanse denken dat zozeer de nadruk legt op het ideaal van ascese berustende moraal.

Dit boek is één grote aanklacht tegen het christelijke nihilisme met zijn verering van de zelfkwelling, het van doodsverlangen vervulde lijden en de morele verheerlijking van pijn teneinde zich betrokken te voelen bij het sterven van Christus. De kerk cultiveert daarmee immers al eeuwenlang een houding die het leven haat en enkel heil ziet in de dood en het hiernamaals. Dit is trouwens ook de centrale boodschap in de film The Passion of the Christ. Michel Onfray verzet zich tegen die herkerstening van de ethiek en hij doet dat scherp en medogenloos. Hij schaart zich daarbij achter het atomisme van Epicurus die geluk definieerde als afwezigheid van pijn. Geestelijk welzijn is alleen mogelijk als de mens door de filosofie bevrijd is van de angst voor de goden en die voor de dood. Het geluk is echter pas volmaakt als men gezond is en de primaire lichamelijke behoeften zijn bevredigd. Michel Onfray grijpt terug naar de geschriften van Spinoza, Jeremy Bentham (en zijn utilitarisme) en John Stuart Mill. Tegenover de christelijke deugd van het lijden plaatst de auteur een zintuigelijk, materialistisch en atheïstisch utilitarisme met een eigen categorische imperatief: de bio-ethiek die het geluk voor het grootst mogelijke aantal moet nastreven.

In de eerste, autobiografische hoofdstukken van Het lichaam, het leven en het lijden beschrijft Michel Onfray hoe bij zijn levenspartner borstkanker wordt geconstateerd. Opnieuw wordt hij hardhandig met de vergankelijkheid geconfronteerd. En opnieuw, meer dan ooit, reageert hij met een hartstochtelijke verdediging van het leven en het recht daarop, en met een felle aanval op alles wat de waardigheid van de mens aantast. Dit brengt hem tot zijn radicaal libertaire bio-ethiek waarmee hij ingaat tegen de christelijke regels maar ook tegen tal verboden die zijn vastgelegd in de wetteksten van de Franse staat. Zo pleit hij voor het gebruik van embryo’s voor onderzoek met therapeutische oogmerken, voor vasectomie (waarbij de zaadleiders van de man worden doorgesneden), voor het gebruik maken van kunstmatige voortplanting door lesbische koppels, voor het klonen als we daarmee mensen kunnen genezen, voor een beroep op draagmoeders, voor abortus, voor euthanasie en zelfs voor sommige vormen van eugenetica. Allemaal ethisch gevoelige zaken die soms de wenkbrouwen doen fronsen, maar de auteur hamert bladzijde na bladzijde op het recht van de mens om het lijden met alle beschikbare middelen te bestrijden.

Het boek is intelligent opgebouwd. Onfray ontleedt systematisch de hele menselijke levensloop: van het sperma, de embryo en genetische manipulatie tot palliatieve zorg, euthanasie en het lijk. En steeds opnieuw attaqueert hij daarbij het in zijn ogen versluierende en misleidende karakter van de joods-christelijke ethiek. Vanuit het gepropageerde zondebesef (bv. sperma als overbrenger van de erfzonde) verstarde de ontwikkeling van het medische denken na Galenus in de tweede eeuw. Geneesheren werden vervangen door theologen (lijken mochten niet langer opgesneden worden). Het betekende de uitschakeling van de vrije wil en het verheerlijken van idealen die superieur zijn aan het individu zoals een God, een vaderland of een volk. Vandaar de afwijzing van anticonceptie, omdat kinderen baren nodig zijn voor het geloof of de ‘gezondheid’ van de natie. Het is voor Onfray een voorbeeld van conservatief en reactionair denken. Waarom zouden mannen en vrouwen geen recht op genot hebben zonder de straffen die ermee gepaard gaan, zijnde opeenvolgende zwangerschappen?

Onfray werpt ethisch moeilijke vraagstukken op tafel. Mag abortus gepleegd worden op een embryo als vaststaat dat een zwaar gehandicapt kind terwereld komt? De anti-abortusactivisten vinden van niet. Ze vinden het een hoofdzonde en de toekomstige ouders moeten in hun ogen kiezen voor de straf, de kruisweg, de boete. Mogen krankzinnigen gesteriliseerd worden? De Franse wet verbiedt het maar in de praktijk wordt bij elke cocktail wel heimelijk een anticonceptiemiddel toegevoegd. Mag er ingegrepen worden in het menselijke genoom met tot doel een ziekte te voorkomen of te behandelen? Obscurantisten verwerpen het omdat men niet weet tot wat dat allemaal kan leiden, dus pleiten ze om de moderne geneeskunde te stoppen. Onfray veegt hun bezwaren van tafel. “Het vermijden van pijn – basisprincipe van het hedonisme – is beter dan de behandeling ervan”, zo schrijft hij. Het enige gevaar in de transgene revolutie is de commerciële exploitatie. Daar is hij dan ook radicaal tegen.

Onfray beseft hoe gevoelig het woord eugenetica ligt door de barbarijen van de nazi’s en hun specifieke toepassing van de eugenetica voor de creatie van Ubermenschen en hun neurotische drang naar vernietiging van de anderen. Hij gelooft niet dat dit in de toekomt nog mogelijk is; een optimistische, naiëve en vrijblijvende stellingname van de auteur. Het gaat hem ook niet om het commerciële bevredigen van smaken zoals het toekennen van ideale maten of een bepaald geslacht want dat verwerpt hij met klem. Het gaat hem om het voorkomen van zware handicaps zoals dwerggroei, acromegalie en hermafroditisme. In diezelfde zin verdedigt hij ook het klonen – dat moraalridders verkeerdelijk zien als het produceren van identieke wezens en wat de auteur gewoon onmogelijk acht – als middel tot het reproduceren van weefsels of organen die opnieuw in het lichaam van een mens kunnen worden ingeplant.

De auteur verdedigt ook het recht op zelfmoord, althans in het geval van het zichzelf uit de weg mogen ruimen in geval van ondraaglijk lijden. Hiermee botst de auteur opnieuw met het christelijke principe ‘Gij zult niet doden’. Dit onderdeel vormt de inleiding voor diepgaande beschouwingen over de palliatieve zorgen en euthanasie. Het woord palliatief wijst op het ‘handelen onder de mantel’, dus op verhulling, list of bedrog. Vanuit christelijk standpunt moet de stervende in navolging van Christus een doodstrijd voeren omringd door mensen die hem fanatiek in leven willen houden, en de stervende moet afzien, afzien, afzien. Onfray stelt de terechte vraag wie in dat geval het ultieme woord heeft om een einde te maken aan het onmenselijk lijden. Voor hem is het gewoon een vorm van foltering en sadisme. Bij euthanasie kan het individu in volle soevereiniteit beslissen, zelfs voor het moment waarop hij niet langer zelf kan beslissen. Het is een vorm van genegenheid, medelijden en trouw dat in schril contract staat met de meelijwekkende moraal van de palliatieve zorg.

‘Liever goed sterven dan slecht leven. Genieten van een vrijwillige dood en niet gebukt gaan onder een leven dat je in het ziekbed moet slijten. Vrijheid bij de keuze voor Thanatos tegen de afhankelijkheid van een lichaam dat geheel aan verval ten prooi is.’ Dat is de essentie van de filosofie van Michel Onfray die hiermee tal van ethische problemen ter discussie stelt. Wie dit boek leest zal zich vaak onbehaaglijk voelen omwille van de directe en vaak controversiële stellingen van de auteur. Maar in feite zet hij aan tot een diepgaand zelfonderzoek waarbij men zich niet langer kan verschuilen achter religieuze of andere dogma’s. Over de essentiële vragen die Onfray opwerpt is de lezer verplicht stelling te nemen. En dan zal de lezer vaststellen dat de gebruikelijke en voor de hand liggende antwoorden vaak stoelen op hypocrisie of onverschilligheid. Dit is een indrukwekkend boek.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Michel Onfray, Het lichaam, het leven en het lijden, Lemniscaat, 2004

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be