L’Ethique Aujourd’hui

boek

Ruwen Ogien

Mag een overheid zich mengen met wat zich in een slaapkamer afspeelt? Mogen burgers zich moeien met wat medeburgers in hun huiskamer uitsteken? Op beide vragen antwoordt de Franse filosoof Ruwen Ogien volmondig neen. Wat mensen met hun eigen lichaam en met hun eigen leven uitsteken, is alleen hun zaak. Aan een overheid of aan medeburgers komt het niet toe om er een moreel oordeel over te vellen, tenzij zij zelf directe schade zouden ondervinden. Met dit uitgangspunt zullen velen kunnen instemmen. Daarentegen zullen er niet weinig liberalen problemen hebben met sommige toepassingen die Ogien van dit principe maakt.

Ruwen Ogien wordt omschreven als een ultraliberale filosoof. Zelf noemt hij zich liberaler dan de meeste liberale politieke denkers. In ieder geval verdient hij, bij wijze van spreken, een medaille van moed en zelfopoffering, want in Frankrijk is ‘liberaal’ één van de grofste scheldwoorden die je iemand kunt toewerpen. Hoe het ook zij, voor zijn boek L’éthique aujourd’hui liet Ogien zich grotendeels inspireren door John Stuart Mill en diens On Liberty. Niet alleen verwijst Ogien er meer dan dertig keer naar. Het motto van L’éthique aujourd’hui is het volgende citaat uit On Liberty: “Het is niet moeilijk om met een overvloed aan voorbeelden duidelijk te maken dat het een van de gewoonste menselijke neigingen is om de grenzen van wet men morele gezagshandhaving zou kunnen noemen uit te breiden, tot deze inbreuk maakt op de meest onbetwistbare, rechtmatige vrijheid van het individu.”

Weg met moralisme en paternalisme!

Ogien heeft het inderdaad niet begrepen op moralisten en paternalisten. Moralisten willen de bestaande moraal veilig stellen. Desgevallend moet de harde arm der wet hiervoor zorgen door bepaalde relaties (zoals homoseksuele relaties in een aantal Amerikaanse staten) of bepaalde handelingen (zoals zelfmoord in de middeleeuwen) strafbaar te stellen. Paternalisten beroepen zich op een abstract concept zoals de ‘menselijke waardigheid’ of de ‘menselijke natuur’. Mensen die handelingen zouden stellen die tegen de ‘menselijke waardigheid’ of de ‘menselijke natuur’ zouden indruisen, moeten hiervan worden afgebracht. Lukt dit niet goedschiks, dan moet dit maar kwaadschiks gebeuren. Desnoods beslist men in de plaats van de betrokkene zelf of gaat men betuttelend met hem of haar om. Fijntjes merkt Ogien op dat deze houding vaak waarneembaar is bij dokters en maatschappelijke assistenten.

Ogien heeft evenmin een hoge pet op van de zogenoemde Kantianen en Aristotelianen. Bij Kant stond de vraag “Wat moet ik doen?” centraal. Daar horen verplichtingen bij die men jegens zichzelf in acht moet nemen. Sommige van deze morele bevelen liggen voor de hand zoals je natuurlijke talenten niet verloren laten gaan. Andere klinken ons nu heel bizar in de oren zoals een verbod om zelfmoord te plegen of een verbod om te masturberen. Hoewel Ogien makkelijk de spot had kunnen drijven met deze laatste “plichten”, is het hem vooral te doen om het concept van morele verplichtingen tegenover zichzelf. Dit concept rammelt inhoudelijk op de volgende twee punten:

Ten eerste veronderstelt een verplichting twee verschillende personen. Aan de ene kant is er een persoon die iets verschuldigd is, de schuldenaar. Hij is tot deze verplichting gehouden. Hij kan er zichzelf niet van ontslaan. Aan de andere kant is er de andere persoon die recht heeft op iets, de schuldeiser. De schuldeiser kan van zijn recht afstand doen. Hij kan dus de schuldenaar van diens verplichting ontheffen. Maar hoe zit het nu met verplichtingen die men tegenover zichzelf moet nakomen? Men is dan tegelijkertijd schuldenaar en schuldeiser. Hoe kan er dan sprake zijn van een verplichting als men er als schuldeiser er toch altijd afstand van kan doen?

Ten tweede zijn de zogezegde morele verplichtingen tegenover zichzelf in wezen een afleidingsmanoeuvre. De term “verplichting jegens jezelf” wordt oneigenlijk gebruikt. Het is Kant om iets anders te doen. Enerzijds zijn er wel verplichtingen, maar die verplichtingen zijn eigenlijk niet bedoeld voor je eigen welzijn. Zo is het verbod op masturbatie in essentie ingegeven door de behoefte voor de mensheid om zichzelf voort te planten. Anderzijds zijn er wel zaken die voor je eigen profijt geboden zijn, maar deze zaken hebben niet echt het karakter van een verplichting. Ze hebben eerder de aard van een advies. Zo is de verplichting om zijn talenten ten volle te benutten in feite niets meer dan een raadgeving om aan zijn eigen belangen op de lange termijn te denken. Bij Aristoteles stond de vraag “Hoe leef ik deugdzaam?” centraal. Via onderwijs en opvoeding zou een aantal waarden bijgebracht moeten worden zoals volharding, matiging en bedachtzaamheid. Het uiteindelijke doel zou moeten zijn dat iedereen een goed karakter zou hebben, over een fatsoenlijke persoonlijkheid zou beschikken. In deze denkbeelden ontwaart Ogien de twee volgende denkfouten:

Ten eerste gaan Aristoteles en zijn aanhangers ervan uit dat alle handelingen uit iemands karakter voortvloeien. Als iemand een deugdzaam karakter heeft, dan zal hij altijd goed handelen. Als iemand een slecht karakter heeft, dan zal hij altijd gemeen handelen. Verschillende psychologische experimenten hebben echter al aangetoond dat vooral de situatie waarin mensen zich op een bepaald ogenblik bevinden bepaalt of ze in de moreel gewenste zin zullen handelen of niet (“De gelegenheid maakt de dief”). Bovendien kun je nooit zeker zijn of iemand die een goede daad verricht gedreven is door edelmoedige motieven.

Ten tweede veronderstellen Aristoteles en zijn adepten dat er een consensus mogelijk is over de positieve waarden die bij individuen zouden moeten worden gecultiveerd. Deze waarden zouden immers objectief uit de “menselijke natuur” kunnen worden afgeleid. De “menselijke natuur” is evenwel geen begrip dat voor eens en altijd dezelfde inhoud zou hebben en waarvan de inhoud niet ter discussie zou kunnen worden gesteld. De meningen over wat typisch menselijk zou zijn en wat de morele ontwikkeling van mensen zou moeten bevorderen, verschillen immers grondig van samenleving tot samenleving en van tijdperk tot tijdperk. Zo waren eer en trots gedurende eeuwen deugden, terwijl ze nu eerder gezien worden als bronnen van vele nutteloze conflicten.

Maximalisten versus minimalisten

Wat Ogien echter het meest stoort aan de ideeën van Kant en Aristoteles, is dat ze allebei een vorm van maximalistische ethiek zijn. Ze bemoeien zich immers met alle aspecten van het persoonlijk leven. Bijgevolg kan een individu niet alleen veroordeeld worden omwille van de schade die hij aan anderen berokkend heeft. Hij kan eveneens gestraft worden voor een bepaalde gedachte, een bepaalde opinie of een bepaalde beweegreden, omdat men die afkeurenswaardig vindt. Zelf propageert Ogien een minimale moraal. Die is gesteund op drie basisprincipes. Het eerste is het schadebeginsel van Mill. Het tweede is dat iedere mens met even veel eerbied behandeld moet worden. Het derde is dat de moraal zich niet te moeien heeft met de wijze waarop men met zichzelf omgaat, bijvoorbeeld met wat men met zijn eigen lichaam doet.

Zoals gezegd is de eerste pilaar van Ogiens minimale ethiek het schadebeginsel van Mill. De overheid mag alleen gedrag bestraffen dat direct schade berokkent aan derden. Ook de maatschappij mag enkel dergelijke gedrag moreel afkeuren. Hoewel deze grondregel eenvoudig klinkt, is ze niet vrij van wolfsijzers en schietgeweren. Wat is immers schade? Zo moet men zeer voorzichtig zijn met emotionele uitlatingen van personen die beweren zich gekwetst of gegriefd te voelen door bepaalde meningen of bepaald gedrag van anderen. Dergelijke sentimenten mogen niet te makkelijk als schade aanvaard worden. Dat is niet alleen omdat men maar moeilijk kan nagaan of die emoties wel oprecht zijn. De voornaamste reden is dat anders het moralisme en het paternalisme opnieuw om de hoek kunnen komen kijken. Gedrag dat de meerderheid van de bevolking niet bevalt, zou anders toch weer kunnen worden bestraft onder het mom van het schadebeginsel, omdat het de gevoelens van deze meerderheid kwetst en deze mensen aldus schade berokkent.

Het voornaamste probleem met het schadebeginsel is echter dat het moeilijk kan verantwoorden waarom in bepaalde gevallen mensen toch verplicht zijn om een bepaalde daad ten voordele van anderen te verrichten. Hoe kan men vanuit het verbod om anderen schade te berokkenen komen tot een gebod om bijvoorbeeld het leven van een medemens in nood te redden of om hulpelozen tegen mishandeling te beschermen? Mill zelf had problemen om de link tussen de beide verplichtingen goed te duiden. In het begin van On Liberty stelt hij dat in sommige gevallen iemand kan worden aangesproken omdat hij een bepaald kwaad niet heeft verhinderd, maar dat is toch enkel bij wijze van uitzondering op de hoofdregel dat een persoon alleen maar aansprakelijk kan worden gesteld als hij anderen door een eigen handeling kwaad aandoet.

Later in On Liberty stelt Mill dat de verplichting om in bepaalde gevallen tussenbeide te komen om onheil te vermijden geen uitzondering, maar wel een verdere toepassing van het schadebeginsel is. Het schadebeginsel houdt dan niet alleen in dat men zelf geen schade mag toebrengen aan anderen. Het impliceert eveneens dat men moet tussenbeide komen als men zo kan verhinderen dat aan andere personen schade wordt berokkend. Niet alleen schade, maar ook een kans op schade kan een ingrijpen en een (juridische en/of morele) veroordeling van de maatschappij rechtvaardigen.

Iedereen moet even respectvol behandeld worden

Volgens Ruwen Ogien is het logischer om de verplichting om bijstand aan mensen in nood te verlenen niet te linken aan het schadebeginsel. Het lijkt hem beter om deze verplichting te grondvesten op een andere ethische hoofdregel, namelijk het principe dat iedere mens in gelijke mate achting verdient. Dit principe levert immers betere argumenten op om mensen aan te spreken die geen hulp verlenen aan mensen die in gevaar verkeren. Men kan hen immers “aanwrijven” dat ze onvoldoende eerbied opgebracht hebben voor andermans leven of fysieke integriteit. Het schadebeginsel is in dit verband “machtelozer”. Een persoon die niet stopt om slachtoffers van een verkeersongeval te helpen, kan zich immers op een strikte interpretatie van hetzelfde schadebeginsel beroepen om zijn gedrag te legitimeren: “Ik moest niet interveniëren, want ik had het ongeval zelf niet veroorzaakt. Ik heb niet zelf de schade in kwestie aangebracht. Ik heb mezelf dus niets te verwijten.”

Het principe dat iedere mens even eerbiedwaardig bejegend moet worden, is trouwens zeer geschikt om moralistische of paternalistische acties af te blokken. Een handeling die verantwoord wordt doordat iemand tegen zichzelf moet worden beschermd, zonder rekening te houden met diens wensen, verzuchtingen, opinies of belangen, is nu eenmaal een handeling waaruit weinig consideratie voor deze medemens blijkt. Het richtsnoer dat men het nodige respect moet opbrengen voor iemands meningen en verlangens, strookt ook perfect met de ideeën van vrijheid en gelijkheid die zo fundamenteel zijn voor onze maatschappij. Ten slotte leidt Ogien uit het schadebeginsel én uit het principe dat iedere mens achting verdient, een derde pijler voor zijn minimalistische moraal af. Die luidt dat gedrag dat alleen maar de persoon die dit gedrag stelt zelf raakt, niet het voorwerp mag zijn van enig moreel oordeel. Dat wil geenszins zeggen dat men geen oordeel mag vellen over wat een medemens in zijn eigen particulier domein uitspookt. Men kan gerust iemands gedrag onverstandig of onbezonnen noemen en dat ook zo expliciet laten weten aan die andere persoon. Dit oordeel over wat iemand zichzelf aandoet, mag evenwel niet het karakter van een morele veroordeling krijgen, met alle hele negatieve gevoelens, zoals walging, weerzin en woede, die hieraan verbonden zijn. Nog minder gepermitteerd is dat dwang wordt uitgeoefend op een persoon, omdat men diens gedrag als aanstootgevend ervaart.

Hiermee huldigt Ogien een gelijkaardig standpunt als Mill. Zolang iemands gedrag geen schade aan anderen berokkent, moet hij dit gedrag kunnen blijven stellen. Als het gaat om een echt persoonlijke zaak, moet men de volledige vrijheid hebben om te doen wat men wil. Anderen mogen iemands gedragingen onbezonnen, ondoordacht of onnozel vinden en ze mogen door middel van adviezen en aansporingen proberen om die persoon tot andere gedachten te brengen. Ten langen leste mogen ze ieder contact verbreken. Maar verder dan dit zou het niet mogen gaan.

Dat op veel domeinen deze zienswijze nog niet doorgedrongen is, toont Ogien aan met een aantal seksueel getinte voorbeelden. Seksualiteit is nu eenmaal één van zijn geliefde domeinen, zoals de titel van een ander boek van hem, Penser la pornographie, duidelijk aangeeft. Neem bijvoorbeeld prostitutie. Velen zijn de mening toegedaan dat men het beroep van prostituee alleen mag uitoefenen, als men daar zelf vrij in toegestemd heeft. Maar wat is een echte, authentieke toestemming? Men kan de lat dermate hoog leggen dat er in realiteit nooit sprake kan zijn van een authentieke toestemming. Waar het eigenlijk deze personen echt om te doen is, is om iedere vorm van prostitutie in de ban te slaan, omdat men prostitutie strijdig vindt met de menselijke waardigheid. Enkele bedenkingen

Net zoals ieder boek dat een aantal morele grondbeginselen wil propageren, kan men voorbeelden bedenken waarvan men zich kan bedienen om L’éthique aujourd’hui van Ruwen Ogien te bekritiseren. Zeker zijn derde fundamenteel principe, met name dat wat men zichzelf aandoet zijn eigen zaak is en dat anderen het recht niet hebben om dat moreel te veroordelen, kan zo op de hak genomen worden. Wat moet je bijvoorbeeld aanvangen met mensen met apotemnofilie? Dat is een psychische aandoening waarbij men een sterk verlangen koestert om één of meer gezonde ledematen, armen of benen, te amputeren. Volgens Ogien zou men over dit geval geen moreel oordeel kunnen of mogen vellen. Immers, de enige persoon die schade ondervindt, is de persoon zelf die zich ontdoet van een arm of een been. Velen zullen evenwel hierover een andere mening toegedaan zijn. Ze zullen zelfs van oordeel zijn dat mensen met apotemnofilie desnoods tegen zichzelf moeten worden beschermd. Immers, allemaal goed en wel, één arm wegdoen en de andere nog behouden, maar wat als die overgebleven arm aangetast wordt door gangreen en ook geamputeerd moet worden? Dan heb je helemaal geen armen meer…

Bij bepaalde toepassingen van de tweede grondregel van Ogien, het principe dat iedere mens met even veel eerbied behandeld moet worden, kan men eveneens de wenkbrauwen fronsen. Zo schrijft Ogien op twee verschillende plaatsen dat de belangen van langdurige werklozen even zwaar wegen als die van mensen die werken. Langdurig werklozen hebben immers in zijn ogen recht op hetzelfde respect als werknemers. Dergelijk standpunt lijkt toch in de praktijk moeilijk haalbaar, al was het maar omdat voor de betaalbaarheid van de sociale zekerheid het gewenst is dat zo veel mogelijk personen aan het werk zijn. Dit alles neemt echter niet weg dat L’éthique aujourd’hui een krachtige waarschuwing is tegen moralisme en paternalisme en waardevolle ideeën bevat om zich te verweren tegen vermetele pogingen moralisme en paternalisme opnieuw via de achterdeur in te voeren. Bovenal toont het aan dat On Liberty van John Stuart Mill, meer dan 200 jaar na het verschijnen ervan, nog niets aan actualiteitswaarde heeft ingeboet.


Recensie door Lieven Monserez

Ruwen Ogien, L’éthique aujourd’hui. Maximalistes et minimalistes, Folio essais, Gallimard, Parijs, 2012, 252 blz.

Links
Mailto:lieven.monserez@telenet.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be