De Nieuwe Religieuze Intolerantie

boek

Martha Nussbaum

In haar laatst vertaalde werk, waarvan de oorspronkelijke titel luidt The New Religious Intolerance. Overcoming the Politics of Fear in an Anxious Age, presenteert Martha Nussbaum haar methode om te ontkomen aan de ‘lelijke angst en achterdocht die tegenwoordig alle westerse samenlevingen ontsieren’. Deze frase, die vroeg in het boek aangeeft waar Nussbaum naartoe wil, geeft tegelijk aan dat de doelstelling van het boek even nobel als ambitieus is. Nussbaum meent dat het dringend tijd wordt om de nodige deugden te ontwikkelen, teneinde de toenemende religieuze angst en animositeit in zowel Europa als de Verenigde Staten een halt toe te roepen. De remedie, zo stelt ze, is drieërlei: gelijk respect voor religieuze overtuigingen, de aanname van een kritische, onpartijdige en onderzoekende houding, en de systematische ontwikkeling van het verbeeldingsvermogen om via een empathische en welwillende houding zich een beeld te kunnen vormen van de situatie van ‘de ander’.

Nussbaum presenteert deze drie beginselen als remedie tegen wat ze noemt ‘het huidige angstige klimaat’ dat vanwege haar neiging tot zelfbeoordeling zou leiden tot een benadeling van religieuze minderheden. De opdracht waar ze zichzelf aldus voor stelt is tweevoudig. Enerzijds moeten deze beginselen, willen ze werkelijk een remedie vormen tegen de vermeende kwaal, zowel noodzakelijk als samen voldoende zijn. Anderzijds, en in eerste instantie belangrijker, moet ze aantonen dat er wel degelijk sprake is van een kwaal zoals zij het beschrijft. Het schijnt me echter toe dat er zich doorheen het boek enige problemen stellen met betrekking tot deze twee opgaven en de manier waarop Nussbaum ze behandelt.

Aan hand van vrij actuele gebeurtenissen in Europa en de VS tracht Nussbaum haar lezers binnen een kort bestek te overtuigen van de nieuwe religieuze intolerantie die zou bestaan ten gevolge van het ‘huidige angstige klimaat’. Dit doet ze door te verwijzen naar de minarettenkwestie in Zwitserland, arbeidsmarktdiscriminatie, de dodelijke raid van Anders Bering Breivik en de Europese restricties op het dragen van een hoofddoek en boerka (waarbij ze ietwat slordig, zeker voor een hoogleraar recht en ethiek, gebruik maakt van een autoriteitsargument door te verwijzen naar Giorgi Armani’s afkeuren van deze restricties).

Wat de Verenigde Staten van Amerika betreft, stelt ze dat er zich ook daar ‘diep verontrustende’ ontwikkelingen van religieuze angst voordoen, maar dat de Amerikaanse structuren meer geneigd zijn ertoe te leiden dat er krachtig tegengewicht zou geboden worden tegen het associëren van religieuze minderheden met gevaar. Europa daarentegen, zo stelt ze mijn inziens te onvoorzichtig en geheel niet beargumenteerd, bestaat uit naties die sterk door de romantiek beïnvloed zijn en aldus ‘bloed, bodem en een etnolinguïstisch verenigd volk’ als ‘uiterst belangrijke elementen van hun nationale identiteit’ aanschouwen. Ik durf me de vraag stellen waar Nussbaum het recht vandaan haalt om deze stelling dermate onbehouwen als premisse te poneren. Bovendien kijkt ze mijn inziens met te selectieve blik naar de ‘Amerikaanse structuren’ die naar haar mening geneigd zijn krachtig tegengewicht te bieden tegen intolerantie ten aanzien van religieuze minderheden.

Zeker, het Amerikaanse First Amendment beschermt vrijheid van meningsuiting, garandeert godsdienstvrijheid en het gelijk recht om diens religie te praktiseren. Ik kan echter moeilijk geloven dat Nussbaum zelf niet op de hoogte is van discriminatie en intolerantie jegens atheïsten in de Verenigde Staten, een groep waaraan ze doorheen het hele boek slechts sporadisch aandacht schenkt. Zo verzekert het Freedom of Thought Report 2012 dat het legale verbod op religieuze discriminatie al te vaak gevallen van intolerantie ongestraft laat. Je zou verwachten dat een boek over de ‘nieuwe religieuze intolerantie’ een breed spectrum hanteert om de levensbeschouwelijke vrijheid van burgers te promoten. Wie echter op zoek gaat naar dergelijke doorwrochte meta-analyse komt naar mijn mening niet aan zijn trekken.

Het is echter de verdienste van Nussbaum dat ze zich de moeite getroost om via een interessante zijsprong de biologische oorsprong van angst en morele heuristieken in kaart te brengen. Dit doet ze aan de hand van een synthese van evolutionaire inzichten enerzijds en antiek-wijsgerige inzichten anderzijds. Dit levert de correcte analyse dat ook wij mensen over een aantal spectaculaire adaptaties beschikken, waar de neiging tot angst één van is. De morele heuristieken aan de hand waarvan mensen doorgaans reageren op morele kwesties leveren doorgaans adequate oordelen op, maar in bepaalde situaties leiden ze ook tot moreel falen. Zonder zoveel woorden verwijst Nussbaum hier naar het feit dat de mens in moderne samenlevingen getriggerd word door prikkels waaraan onze adaptaties niet bijzonder goed aangepast zijn. Hoe waardevol angst ook moge zijn, aldus Nussbaum, gegeven deze tekortkomingen lijkt het wenselijk om onze psychologie te overstijgen en zo deze ‘vertroebelende gepreoccupeerdheid’ in te tomen waar zij ons op dwaalsporen leidt. Tot hier biedt Nussbaum een wetenschappelijk geheel correcte en consistente analyse.

Toch schiet haar redenering ook hier door. Zo zou het angstmechanisme er volgens haar toe leiden dat mensen die angst voelen ten aanzien van anderen, deze groep associëren met ‘slijm, stank of dierlijke afvalproducten’. Dit lijkt mij niet meer dan een niet-empirisch gestaafd staaltje verbalisme waarmee Nussbaum de onredelijkheid van angst tracht aan te tonen. Hoe terecht men ook kan argumenteren dat onredelijke angst voor (religieuze) minderheden vanuit normatief oogpunt niet aanvaardbaar is, door argumenten als Nussbaums ‘projectieve walging’ doet men enkel afbraak aan die argumentatieve kracht. Zo stelt ze in alle ernst dat we ten aanzien van angst voor de islamitische boerka ‘op zijn minst rekening moeten houden met de neiging van de menselijke geest om zich onder vele verschillende soorten verhullende bekleding wanstaltige en afzichtelijke verschijnselen voor te stellen’. Het is wellicht geen toeval dat zo voor deze stelling geen verantwoording en dus ook geen empirisch vaststelbare redenen aandraagt.

Het dient bovendien gezegd dat Nussbaum meermaals zeer kort door de bocht gaat wat betreft de al dan niet verantwoorde keuze voor een boerkaverbod. Zo maakt ze onder meer de analogie tussen ‘tandartsen, American football-spelers, skiërs en schaatsers’ die ook hun gezicht bedekken en mensen die een nikab of boerka dragen om de ‘kwalijke discriminatie die inherent is aan het geloof dat de boerka een uniek veiligheidsrisico vormt’ aan te tonen. Of wat te denken van de passage waarin ze stelt dat het dragen van een boerka in dezelfde categorie valt als ‘alle andere prettige en onprettige eisen die ouders aan hun kinderen kunnen stellen’, zoals de eis om ‘vioolles te nemen en goed te oefenen’? Bovendien, zo gaat ze verder, als we de boerka verbieden, moeten we dan ook niet een verbod leggen op het dragen van hoge hakken, want beiden vormen toch een gezondheidsrisico?

Ze vindt ook dat het secularisme zoals we dat kennen in Frankrijk niet wenselijk is, aangezien de Franse Laïcité ‘inherent discriminatoir’ is en in zekere zin hypocriet. Met enige kritische reflectie kan men dit wellicht ook aantonen. Het pseudoargument waarmee Nussbaum echter komt aandraven – en ik vrees dat ze het serieus meent – is dat ook in Frankrijk de scheiding tussen kerk en staat niet totaal is: ‘een brand in een kerk wordt nog steeds geblust door de openbare brandweer, en kerken mogen gebruikmaken van de openbare waterleiding en de openbare riolering’. Kortom, dit boek waarvan de uiterst nobele doelstelling is een ethische respons te formuleren op de ‘politiek van de angst’, biedt de gelegenheid om het eigen redeneervermogen af te zetten tegen dat van één van de grootste sociaalfilosofen van onze tijd.

Met andere woorden, Nussbaum stelt teleur. Dat respect voor eenieders levenswijze, levensbeschouwelijke overtuiging en ieders recht op deelname aan de samenleving ten allen tijde normatieve verdediging verdient is op zijn zachtst gezegd waar. Maar daarbij hoort ook het recht op zelfbeschikking en integriteit van de eigen persoon. Door Nussbaums nadruk op ‘het huidige angstig klimaat’ – waarvan ze er naar mijn mening niet in geslaagd is om overtuigende argumenten aan te dragen dat dit werkelijk een feit zou zijn, hoewel die argumenten er allicht wel zijn – faalt ze om dit debat te kaderen binnen dergelijk breder filosofisch kader. Wat Nussbaums boek naar mijn mening vooral aantoont, is dat veel ethische debatten niet meer gevoerd worden omwille van de mode van cultureel relativisme. Ik vrees dat men moet opletten dat men in de naam van 'political correctness' mensen niet laat wegrotten in hun isolement.


Recensie door Seppe Segers

Martha Nussbaum, De nieuwe religieuze intolerantie. Een uitweg uit de politiek van de angst, Ambo, Amsterdam, 320 blz., 2012

Links
mailto:seppe.segers@ymail.com
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be