Not for profit

boek vrijdag 25 februari 2011

Martha Nussbaum

Onze maatschappij lijkt in de ban te zijn van een nuttigheidsmanie. Alles moet nuttig zijn voor de economie. Alleen dat wat leidt tot meer economische groei is waardevol. Ook het onderwijs ontsnapt hier niet aan. De hoofdopdracht van onderwijs lijkt er meer en meer in te bestaan goed geschoolde arbeidskrachten af te leveren die snel in de productie van goederen en diensten kunnen worden ingeschakeld. Met deze visie is Martha Nussbaum het allerminst eens. In haar manifest Not for Profit betoogt ze dat de hoofdopdracht van het onderwijs ergens anders ligt, namelijk in het ontwikkelen van kritische en medelevende wereldburgers vol verbeelding. Als het onderwijs hier zijn plicht niet doet, dan ziet het er voor de democratie niet goed uit.

In de klassieke Oudheid was Athene een toonbeeld van democratie. Nochtans was ook daar niet alles rozengeur en maneschijn. Zo was er sprake van een gebrek aan kritisch zelfonderzoek, waardoor beslissingen werden genomen zonder dat men goed wist welk doel men eigenlijk wilde bereiken. Voorts liet de publieke opinie zich soms te makkelijk meeslepen door demagogische redenaars. Daardoor werden beslissingen amper een dag later helemaal teruggedraaid, omdat men 180 graden van opinie veranderde na het aanhoren van een nieuwe spreker. Politiek werd daar ook vaak gezien als een vorm van competitie, waar het op aankwam om punten te scoren ten koste van de tegenpartij. In dergelijk competitief klimaat is het niet te verwonderen dat men de tegenpartij niet respectvol bejegent en eerder ziet als een vijand die dient te worden verslagen en zelfs vernederd. Daardoor was men gaandeweg niet meer in staat om te zoeken naar het compromis.

Socrates wees zeer scherp op deze tekortkomingen. Hij zag zich als een horzel die door angelsteken nieuw leven wilde blazen in het grote, edele paard van de Atheense democratie dat wat sloom geworden was. Door alles kritisch te bevragen en ter discussie te stellen zouden de hoger genoemde fouten niet meer of alleszins minder gemaakt worden: doelstellingen zouden duidelijker afgebakend worden, cruciale zaken zouden door haast en onachtzaamheid niet meer over het hoofd worden gezien, men zou beter aan groepsdruk kunnen weerstaan en de standpunten, inzichten en doelstellingen die men met zijn tegenstanders kon delen zouden sneller aan het licht kunnen komen.

Dit Socratisch ideaal werd vanaf de achttiende eeuw door een aantal pedagogen nader ingevuld. In het boeiende vierde hoofdstuk vertelt Martha Nussbaum hoe onderwijspioniers als Johann Pestalozzi, Friedich Froebel, Bronson Alcott en Horace Mann het hadden gemunt op de traditionele onderwijsvorm waarbij het betere papegaaienwerk van de leerlingen werd verwacht en waar het gezag van de leerkracht niet mocht worden ondermijnd. Van passieve leerlingen kunnen geen goede kritische burgers voortkomen. Jean-Jacques Rousseau had het al in Emile (1762) erover dat onderwijs jonge mensen zou moeten opleiden tot autonome wezens die, wars van autoriteit, hun eigen opinies kunnen vormen en zelf in staat zijn om praktische problemen op te lossen. Het vermogen om via zijn verstand zijn eigen weg uit te stippelen zag Rousseau als een kerneigenschap die van kinderen goede burgers kon maken die op voet van gelijkheid met anderen konden omgaan. In India was Rabindranath Tagore, de Nobelprijswinnaar literatuur in 1913, een wegbereider. In 1915 schreef hij in een syllabus voor een klas in de school die hij zelf had opgericht dat ons verstand niet op de weg naar de echte vrijheid wordt gezet door andermans ideeën zomaar over te nemen. Door eigen onderzoek en eigen ervaring moet men tot zijn eigen gedachten en oordelen komen.

Niettemin blijft feitenkennis haar belang hebben. Feitenkennis mag echter niet beperkt blijven tot het eigen land. Ze moet op de hele wereld betrekking hebben. Veel problemen kunnen nu eenmaal alleen maar op wereldvlak worden opgelost. Bovendien is de hele wereld economisch met elkaar verbonden. Beslissingen die we hier als consument nemen, hebben repercussies voor mensen duizenden kilometer verder. Tevens kan de eigen geschiedenis, de geschiedenis van de eigen natie, maar ten volle begrepen worden, wanneer die in de bredere wereldgeschiedenis wordt gekaderd. Daarbij moet inzicht in en eerbied voor andere culturen en godsdiensten vooropstaan. Dit staat ver van de aanpak van de Indische geschiedenis die de hindoenationalistische BJP invoerde toen ze begin jaren 2000 aan de macht was. In de geschiedenisboeken van toen kwam de wereldgeschiedenis wel aan bod, maar die werd eenzijdig geïnterpreteerd vanuit een invalshoek van hindoesuprematie. Hindoes werden afgeschilderd als een superieure beschaving. Wanneer hindoes op hun eigen konden leven, was hun samenleving een ideale maatschappij. Daarbij werd wel vlotjes voorbijgegaan aan alle verschillen op grond van kaste, klasse en geslacht. Volgens die voorstelling van zaken zijn de problemen op het Indische subcontinent pas begonnen met de komst van de moslims die met hun oorlogszucht en agressie de boel kwamen verstoren.

Het is echter niet voldoende om alleen op het verstand in te werken. Kennis en logisch redeneren zijn noodzakelijk, maar zijn niet genoeg om van mensen wezens te maken die hun medemens eerbiedigen en als een gelijke aanzien. Bij mensen is er nu eenmaal de aanleg aanwezig om andere mensen te willen domineren. Volgens Mahatma Gandhi is de politieke strijd voor vrijheid en gelijkheid op de eerste plaats een strijd binnenin iedere persoon, waarbij compassie en respect het pleit moeten winnen over angst, hebzucht en agressie. Kinderen zijn zeer kwetsbaar, zeer hulpeloos. Daarvan zijn ze zich al snel bewust. Ze voelen dat ze van andere mensen, in eerste instantie van hun ouders, afhankelijk zijn om hen te brengen wat ze nodig hebben. Ze zouden dan ook niets liever willen dan dat hun ouders verder als een slaaf te hunnen dienste zouden staan. In deze narcistische drang van kinderen om controle over anderen uit te oefenen zag Jean-Jacques Rousseau in Emile de eerste manifestatie van een wereld die door hiërarchie en dominantie wordt gekenmerkt. Door opvoeding en onderwijs moeten kinderen van hun autoritaire neigingen worden afgeholpen. Dit kan bijvoorbeeld door kinderen reeds vanaf een jonge leeftijd te leren samenwerken met andere kinderen. Zo ondervinden ze letterlijk aan den lijve dat samenwerking in onderling vertrouwen een even goed, zo niet een beter middel is om moeilijkheden te overwinnen en zelf greep op de situatie te krijgen.

Daarnaast mag het belang van spelen niet onderschat worden. Spelen wakkert de verbeeldingskracht aan. Door te spelen scherpt een kind zijn vermogen aan om zich in te beelden hoe een ander zich zou kunnen voelen. Eerst slaat dit inlevingsvermogen op een stuk speelgoed. Later slaat het op andere mensen. Door met een ander te spelen wordt de andere niet meer als een bedreiging gezien. Integendeel, hij groeit uit tot een persoon die men van steeds naderbij wenst te kennen en in wiens gedachtewereld men zich steeds meer en steeds beter kan verplaatsen.

Al deze inzichten bracht de Amerikaan John Dewey samen in zijn pedagogisch programma. Neem nu een opdracht als het weven van een stukje die kinderen samen moeten uitvoeren. Hierdoor leren kinderen niet alleen met elkaar samenwerken. De opdracht kan ook de ideale gelegenheid zijn om te vertellen waar het materiaal vandaan komt en hoe het geproduceerd werd. Zo kan het bewustzijn deel uit te maken van een grotere wereld worden opgewekt. Door dergelijke opdrachten kunnen de basisvaardigheden in het kleuteronderwijs en het lager onderwijs worden aangeleerd. Op die basisvaardigheden kan verder gebouwd worden in het middelbaar en hoger onderwijs. In dit kader komen filosofie, literatuur en kunst op de proppen. Filosofie perfectioneert het kritisch redeneervermogen. Literatuur en kunst helpen om een ziel in het lichaam van een ander te herkennen. Ze nodigen ons uit om ons in te leven in de gevoelswereld van andere personen die we op ons pad kruisen en om tegelijkertijd onszelf te verwonderen over onze eigen kronkels.

Filosofie en kunst staan nu evenwel juist onder zware druk in het hoger onderwijs. Door de recente crisis moet overal bespaard worden, ook in het hoger onderwijs. Tegelijkertijd brengt deze crisis mee dat koortsachtig gezocht wordt naar methoden om de economie meer en sneller te laten groeien, zodat de economische rampspoed zo spoedig mogelijk achter ons kan worden gelaten. Deze ontwikkelingen brengen een tendens op gang waarbij in het hoger onderwijs wordt gefocust op dingen die onmiddellijk economisch renderen. Wat onderwezen wordt, moet direct in de economische praktijk worden gebracht. Het resultaat van wetenschappelijk onderzoek moet direct kunnen worden omgezet in nieuwe producten en diensten die succesvol kunnen worden verkocht. In dergelijk klimaat vallen filosofie en kunst, letteren en wijsbegeerte, al snel buiten de prijzen, want hun economisch nut kan niet gemeten worden en ligt zeker niet op de korte termijn. Deze ontwikkelingen kunnen overal ter wereld waargenomen worden, niet alleen in Europa en de VS, maar ook in India.

Als deze trend zich doorzet, dreigen we echter de democratie zelf in gevaar te brengen, zo argumenteert Nussbaum. Eigenlijk is democratie een zeer veeleisende vorm van besturen. Ze veronderstelt dat burgers als gelijken met elkaar kunnen omgaan. Democratische gelijkheid brengt echter kwetsbaarheid met zich. Zo merkte een patiënt van de Britse psychoanalyticus Donald Winnicott (1896-1971) ooit op: “Het verontrustende aan gelijkheid is dat we allemaal weer net als kinderen zijn. Dan rijst al gauw de vraag: ‘Waar is vader?’ We weten ten minste zeker waar we staan, als één van ons de vader is.” Door zich te richten op economisch profijt op korte termijn lijkt het onderwijs zich opnieuw te beperken tot het opleiden van technisch geschoolde personen die niet weten hoe ze kritisch dienen te staan tegenover gezag. Zo dreigen landen wederom massa’s mensen op de been te brengen die alleen maar uit zijn op snel gewin, gedwee gezag navolgen en vol zitten met stompzinnige fantasieën. Volgens Tagore lag juist in een soortgelijke ontwikkeling van het onderwijs eind 19e eeuw, begin 20e eeuw, een van de voornaamste oorzaken van de Eerste Wereldoorlog. Daarom bepleitte hij in zijn boek The Religion of Men (1931) dat onderwijs niet meer mocht berusten op gezagsargumenten die erin worden gestampt. Voortaan moest onderwijs wederzijds begrip en wederkerigheid vooropstellen. Daar kunnen filosofie en kunst meer dan een steentje toe bijdragen.

Bij het lezen van Not for Profit kan men zich niet helemaal van de indruk ontdoen dat er toch wat ruis zit op de boodschap van Martha Nussbaum. Zo lijkt ze zich zelf over te geven aan het gebruik van onderwijsmethoden die ze even tevoren verkettert. Op de ene pagina breekt ze een lans om kinderen door spel zelf de wereld te laten ontdekken in plaats van hen te vertellen hoe de wereld in elkaar zit (blz. 60). Echter, op een andere plaats, waar ze het heeft over het onderwijzen van kunst, schrijft ze dat de kennismaking met de letteren en de wijsbegeerte moet gebeuren aan de hand van zeer minutieus opgestelde instructies (blz. 108). Dit laatste lijkt toch erg sterk op de onderwijzer die de kinderen wel eens zal vertellen wat ze moeten weten en wat ze goed moeten vinden, een vorm van onderwijs die Martha Nussbaum juist met veel overtuiging in het vierde hoofdstuk over Socratische pedagogie vermaledijde.

Een andere contradictie is dat Martha Nussbaum afgeeft op de gedachte dat onderwijs bij uitsluiting gericht moet zijn op wat (economisch) nuttig is, terwijl ze zelf een zeer utilitaire visie heeft op kunst. Het lijkt erop dat kunst alleen maar waardevol is, omdat het nuttig is om bepaalde waarden bij te brengen en om de verbeeldingskracht te stimuleren. Ze geeft alvast de indruk niet hoog op te lopen met ‘kunst om de kunst’ (blz. 117). Bovendien schrijft ze dat jongeren alleen maar met zeer zorgvuldig geselecteerde kunst, dit is kunst die niet stigmatiseert, in contact mogen komen (blz. 109). Moet dit dan betekenen dat men zich ver moet houden van esthetisch waardevolle kunst van eeuwen geleden, gewoon omdat de boodschap vandaag niet meer politiek zo correct is?

Tevens kan men zich de vraag stellen of de ideale mens die Martha Nussbaum voor ogen staat niet te hoog gegrepen is voor de modale sterveling. Er wordt verwacht dat een mens naast zijn moedertaal minstens een andere taal vloeiend spreekt, dat hij kan reflecteren over de economie, dat hij historische waarheid van historische verzinsels kan onderscheiden, dat hij de complexiteit van de voornaamste wereldgodsdiensten kan inschatten, dat hij noties heeft van genderstudies enz. Overigens geeft Nussbaum zelf toe dat het model van universitair onderwijs dat ze voorstaat, met onderwijs en discussie in kleine groepen en een zeer individuele begeleiding van de student, veel geld kost. Is dergelijke vorm van universitair onderwijs dan niet automatisch elitair, dit wil zeggen enkel voor een elite bestemd?

Deze kritische bedenkingen nemen evenwel niet weg dat Martha Nussbaum een heleboel rake zaken opmerkt. Heeft het wel zin om kinderen die pas in het derde leerjaar zitten anderhalf uur huiswerk per dag te laten maken? Laat ze toch spelen! Daar zullen ze evenveel, zo niet meer van leren. Brengen we ook niet de economie zelf niet in gevaar door het onderwijs enkel te richten op datgene waarvan we denken dat het economisch nuttig is? Vereist innovatie immers niet flexibele, open en creatieve geesten? Openheid en creativiteit zijn juist kwaliteiten die door kunst en literatuur tot ontwikkeling worden gebracht.


Recensie door Lieven Monserez


Martha C. Nussbaum, Not for Profit. Why Democracy needs the Humanities, Princeton University Press, Princeton, 2010, 158 blz.

Links
Mailto:lieven.monserez@telenet.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be