From Disgust to Humanity

boek vrijdag 19 november 2010

Martha Nussbaum

Hoe ver mag een overheid gaan in het regelen van privaat gedrag? Mag een overheid bijvoorbeeld allerlei beperkingen opleggen aan homo’s en lesbiennes? Over deze vragen buigt de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum zich in From Disgust to Humanity. Daarin laat ze zien dat de restricties die in de VS de homogemeenschap treffen feitelijk allemaal ingegeven zijn door gevoelens van walging en weerzin. Daartegen moet men resoluut opkomen, omdat het een aanfluiting is van het fundamentele beginsel dat iedereen gelijk is voor de wet. Mensen bepaalde rechten ontzeggen omdat men tegen hen gevoelens van afschuw koestert, komt immers in feite op het volgende neer: “Het feit dat jouw gedrag mij helemaal niet aanstaat is voor mij reden genoeg om je als een sociale paria te behandelen en je bepaalde elementaire rechten die normaal iedere burger heeft toch niet toe te kennen.” Voortbouwend op John Stuart Mill argumenteert Martha Nussbaum dat individuele rechten alleen maar mogen worden beperkt, als men hierdoor schade voor anderen kan voorkomen. Het feit dat men door zijn gedrag de morele gevoelens van vele medeburgers kwetst, kan geen reden zijn om grondrechten te ontnemen. Men mag integendeel van deze medeburgers een inspanning verwachten om zich in te leven in de gevoelens van de groep mensen die ze tot dusver minachten, om hen niet langer als een ‘ding’ maar als een ‘medemens’ te zien.

Het boek van Martha Nussbaum kadert in een reeks van Oxford University Press over Amerikaans grondwettelijk recht. Ze bespreekt daarin hoe Amerikaanse rechters, in het bijzonder het federale Hooggerechtshof, omgaan met discriminaties op basis van seksuele geaardheid. Daarbij kant ze zich fel tegen een stelling die wordt aangehangen door onder andere Leon Kass en Lord Patrick Devlin. Leon Kass was onder president George W. Bush, van 2002 tot 2005, voorzitter van diens Raad voor Bioethiek. Patrick Devlin schopte het tot rechter in het Britse House of Lords. Hun beider standpunt is dat iets wat de meerderheid van de bevolking walgelijk vindt, wat aanstootgevend overkomt in de ogen van de gemiddelde medeburger, door de overheid buiten de wet mag worden gesteld of alleszins stevig mag worden afgeraden. Volgens Leon Kass zit er een zekere wijsheid in een intens gevoel van afschuw of weerzin. Door dergelijk gevoel houdt men zich ver van zaken die de mens kwaad kunnen berokkenen. Bij Lord Devlin is het te doen om sociale cohesie. In zijn ogen kan een maatschappij maar stand houden als iedereen de gangbare morele normen respecteert.

Anderszins dreigt de samenleving aan moreel verval ten onder te gaan, omdat ze te veel versplintert. Bijgevolg is het individueel belang steeds ondergeschikt aan het maatschappelijk of het groepsbelang: wanneer het gedrag van bepaalde individuen afgrijzen opwekt bij de meerderheid van de bevolking, mag dit gedrag door de wetgever worden verboden. Hiermee verzette Lord Devlin zich tegen een rapport van de Wolfenden Commissie die in 1957 pleitte voor de afschaffing van de strafsancties die toen nog in Groot-Brittannië op homoseksualiteit stonden. De eerste reden waarom Martha Nussbaum de visie van Kass en Devlin contesteert is dat gevoelens van afkeer of antipathie een slecht kompas zijn om op te varen. Zo worden de ‘dalits’ of de ‘onaanraakbaren’ door het Indische kastensysteem als ‘onrein’ bestempeld. Nochtans merkte Mahatma Gandhi zelf op dat de ‘dalits’ in de praktijk het meest hygiënisch waren. Als ze hun gevoeg moesten doen, deden ze dat in de velden op een veilige afstand van hun nederige woonst. Zo vielen ze minder ten prooi aan cholera dan de leden van de hoogste kasten die hun WC-potten uitgooiden in het riool onder hun raam.

Martha Nussbaum haalt ook filosofische redenen aan om de opinie van Kass en Devlin in de ban te slaan. De inspiratie hiervoor haalt ze uit On Liberty van John Stuart Mill. Volgens Mill moeten mensen hun eigen leven kunnen leiden. Daarom moeten ze over een grote mate van vrijheid beschikken, zodat ze hun lot in eigen handen kunnen nemen en relaties kunnen aanknopen met wie ze willen. Niet alleen de individuele burgers worden hier beter van, ook de maatschappij wint hierbij. Is een samenleving waar er een grote ruimte voor persoonlijke autonomie is, immers niet rechtvaardiger en tegelijk sterker dan een samenleving waar de individuele vrijheid voortdurend onderdrukt wordt door tradities en gebruiken? Hieruit vloeit voort dat de overheid niet alle vormen van aanstootgevend gedrag mag aanpakken. De overheid mag zich wel inlaten met gedrag waarbij personen schade lijden (‘other-regarding conduct’). De overheid heeft evenwel geen zaken met gedrag dat door de betrokkenen vrijwillig wordt gesteld en waar anderen geen last van ondervinden (‘self-regarding conduct’). In dit laatste geval maken deze personen immers ten volle gebruik van de grote mate van vrijheid die aan hen moet worden gelaten. Streven personen niet gewoon hun geluk na, als ze een seksuele relatie met elkaar aanknopen, weze het een heteroseksuele, weze het een homoseksuele? Ten slotte verwijt Martha Nussbaum Kass en Devlin dat ze voorbij gaan aan het onderscheid tussen gevoelens van ‘authentieke’ walging en gevoelens van ‘geprojecteerde’ walging. Er is sprake van een gevoelen van ‘authentieke’ walging, als we zelf rechtstreeks geconfronteerd worden met een object, een ding, dat onmiddellijk een walgelijk gevoel oproept (bijvoorbeeld uitwerpselen, bloed, urine, rottend vlees enz. ). Gevoelens van ‘authentieke’ walging hebben een zeker nut: ze helpen ons om afstand te bewaren van zaken waarmee we maar beter niet in nauw contact komen. Gevoelens van ‘geprojecteerde’ walging hebben echter niet zo een nut. Integendeel, ze zijn juist maatschappelijk heel schadelijk. Bij ‘geprojecteerde’ walging wordt immers een gevoel van walging dat samenhangt met een bepaald object geprojecteerd op een individu of een groep mensen, waardoor dat individu of die groep eveneens als walgelijk worden aangezien. Denk bijvoorbeeld aan de ‘dalits’ in het Indische kastensysteem die als ‘onrein’ werden bestempeld omdat ze als grafdelver in aanraking kwamen met lijken, terwijl ze in de praktijk ‘reiner’ waren (zie hoger). Door die projectie wordt de geviseerde groep gestigmatiseerd, als minderwaardig beschouwd. Dat vertaalt zich in een inferieure positie binnen de maatschappij: aan de benadeelde groep wordt een aantal mogelijkheden om zich te ontplooien niet gegund. Dat mondt vaak ook uit in repressie en geweld of zelfs in een poging tot totale uitroeiing, zoals bij de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Ook bij homoseksuelen is lang een dergelijk proces van ‘geprojecteerde walging’ aan het werk geweest. In België is dit proces nu gelukkig in grote mate gekeerd, hoewel het nog altijd oprispt in bepaalde kringen zoals de Rooms-Katholieke Kerk. In de Verenigde Staten daarentegen is men nog volop bezig om zich van dit juk te ontdoen. Deze moeizame geschiedenis vertelt Martha Nusbaum in het derde tot en met het vijfde hoofdstuk van From Disgust to Humanity. Zo kenden in 1986 nog 24 van de 50 Amerikaanse deelstaten een wet tegen sodomie die homoseksuele geslachtsgemeenschappen strafbaar stelde. Pas met het arrest uit 2003 in de zaak Lawrence tegen Texas verwees het Amerikaanse federale Hooggerechtshof dergelijke wetgeving naar de prullenmand. Volgens een meerderheid van zes tegen drie rechters heeft de overheid zich in principe niet te moeien met intieme persoonlijke relaties. Dergelijke relaties behoren tot de grote mate van individuele vrijheid waarover iedere mens moet kunnen beschikken, naast de gewetensvrijheid, de godsdienstvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. Het meerderheidsstandpunt werd door Justice O’Connor als volgt verwoord: “Liberty protects the person from unwarranted government intrusions into a dwelling or other private places. (…) Liberty presumes an autonomy of self that includes freedom of thought, belief, expression, and certain intimate conduct.”

Voorts verloopt het invoeren van wetgeving die discriminatie op grond van seksuele geaardheid verbiedt niet van een leien dakje in de Verenigde Staten. Zo kon een drukkingsgroep in 1992 via een referendum verkrijgen dat de staat Colorado dergelijke wetgeving niet mocht invoeren. Pas vier jaar later werd dit verbod ongedaan gemaakt door een arrest van het Amerikaanse federale Hooggerechtshof in de zaak Romer tegen Evans, eveneens met een meerderheid van zes tegen drie. De meerderheid struikelde vooral over het feit dat als enigen homoseksuelen niet meer konden ijveren voor het invoeren van non-discriminatieregels. Daardoor konden ze zonder enig probleem op tal van gebieden van het maatschappelijk leven benadeeld worden. Dergelijk verregaand effect kan door geen enkel redelijk doel worden verantwoord. Het kan enkel verklaard worden door een oogmerk om leed te berokkenen aan homoseksuelen. Het feit dat men bij een referendum hiervoor een meerderheid heeft verkregen, is in deze irrelevant. Ieder individu moet op een volwaardige en gelijkwaardige wijze kunnen participeren aan de samenleving. De meerderheid mag dit recht om ten volle aan het maatschappelijk leven deel te nemen niet ontzeggen aan een minderheid. Gelijke rechten mogen niet mogen worden ontnomen louter en alleen omdat het gaat om een groep mensen wier activiteiten door veel mensen met een scheef oog worden bekeken.

Een ander strijdveld is de erkenning van het homohuwelijk. In sommige Amerikaanse staten kunnen partners van hetzelfde geslacht met elkaar trouwen. In andere staten wordt dit recht om te huwen uitdrukkelijk uitgesloten. In 2008 werd in Californië bij referendum het recht dat rechtbanken aan homoseksuelen gaven om te trouwen zelfs teruggedraaid. Martha Nussbaum vindt alleszins dat homoseksuelen in het huwelijk moeten kunnen treden. Door de erkenning van het huwelijk geeft de maatschappij te kennen dat ze deze relatie waardevol en beschermingswaardig vindt. Zolang aan relaties tussen personen van hetzelfde geslacht niet dezelfde erkenning door de samenleving kan worden gegeven als aan relaties tussen personen van verschillend geslacht, geeft men eigenlijk te kennen dat relaties tussen homoseksuelen minderwaardig zijn aan relaties tussen heteroseksuelen. Men brengt zo een hiërarchie tussen relaties aan. Bovendien is het recht om te trouwen een fundamenteel recht dat aan iedereen, zonder discriminatie, moet worden toegekend. Geen enkele groep mag van een fundamenteel recht worden uitgesloten, tenzij daar een zeer sterke verantwoording voor kan worden gegeven. Het feit dat uit homohuwelijken geen kinderen kunnen voortkomen kan alvast niet worden ingeroepen als argument om het recht om te trouwen niet te gunnen aan homoseksuelen. Als mensen van boven de zeventig jaar nog mogen trouwen, waarom zouden dan homo’s niet mogen trouwen? Het verdedigen van het traditionele huwelijk kan evenmin als excuus aangevoerd worden. Extra huwelijksbegeleiding en -bemiddeling zal het traditionele huwelijk veel meer helpen. De vrees dat het traditionele huwelijk aan waarde zou inboeten door de erkenning van het homohuwelijk is al evenzeer naast de kwestie. Als immers het huwelijk alleen maar voorbehouden mag worden aan ‘waardige’ mensen, dan zou men mensen die willen trouwen eerst aan een karaktertest moeten onderwerpen.

In het zesde hoofdstuk passeren de problemen die seksclubs, vooral seksclubs voor homo’s, in vele Amerikaanse steden ondervinden, de revue. Hier speelt walging nog volop: men walgt van de dingen die in dergelijke clubs plaatsgrijpen, dus zet men alle middelen in om hen te doen sluiten of alleszins het leven heel lastig te maken. Ook hier opteert Nussbaum categoriek voor het maken van het onderscheid à la John Stuart Mill tussen enerzijds gedrag waarbij schade of lasten worden berokkend (‘other-regarding conduct’) en anderzijds gedrag waaraan alleen personen uit eigen vrije wil deelnemen en andere personen niet schaden of hinderen (‘self-regarding conduct’). Zolang er geen sprake is van dwang en zolang alles wat zich binnen een seksclub afspeelt daar in alle beslotenheid blijft zodat anderen daar buiten hun eigen wil om niet mee geconfronteerd kunnen worden, heeft de overheid zich volgens Nussbaum daar in beginsel niet mee te moeien. Het Amerikaanse federale Hooggerechtshof denkt daar echter anders over. Die zag er bijvoorbeeld geen graten in dat de staat Indiana alle vormen van naaktdansen in bars of private clubs verbood, zelfs als het naaktdansen op zich niet obsceen was.

In ieder geval tonen de moeilijke afschaffing van sodomiewetten, het verzet tegen regels die discriminatie op basis van seksuele geaardheid willen aanpakken en de discussies over het homohuwelijk en seksclubs aan dat denkbeelden zoals die van John Stuart Mill in On Liberty in de VS nog steeds verre van gemeengoed zijn. Concepten van publieke moraliteit blijven het debat in de VS tot op de dag van vandaag voor een groot stuk beheersen. Voor het recht om over een grote individuele vrijheid te beschikken, met inbegrip van de vrijheid om relaties aan te gaan met wie men wil om zich zo verder te ontwikkelen en gelukkiger te worden, moet daar nog iedere dag gestreden worden. Martha Nussbaum hoopt dan ook dat de Amerikaanse rechters zich niet onbetuigd zullen laten om voor de rechten van homo’s te blijven opkomen. Rechterlijk activisme is nog altijd een noodzaak. Extreme intolerantie bij een democratische meerderheid kan immers nog altijd niet uitgesloten worden. Een democratische meerderheid kan nog altijd een minderheid discrimineren vanuit een ranzig buikgevoel, een diepgeworteld maar irrationeel gevoel van afschuw.

Om de zaken ten gronde op te lossen zal de politiek in de VS die nu nog te veel gebaseerd is op afkeer vervangen moeten worden door een politiek die gegrond wordt op menslievendheid. Vandaar ook de titel van het boek: From Disgust to Humanity. Daarvoor moeten twee ideeën nog veel meer ingang vinden in de brede samenleving. Het eerste idee is dat van een gelijk respect voor iedereen. Dat betekent dat mensen bereid zijn om elkaar de ruimte te geven om het leven te leiden dat ze willen, zelfs al hebben ze soms grote problemen met de keuzes die andere mensen maken. Het impliceert dat men zijn evenmens ziet als een persoon die eveneens op zoek is en hoopt de juiste keuzes in het leven te maken en daarvoor respectvol behandeld moet worden, ook al is hij op zoek naar verkeerde zaken of neemt hij verkeerde beslissingen. Men blijft de mens als medemens zien, ook al deelt men zijn geloofsovertuiging of seksuele geaardheid niet.

Het tweede idee is dat van sympathie, empathie, verbeelding en voorstellingsvermogen. Deze eigenschappen zijn immers juist nodig om de mens als medemens te kunnen zien. Pas door ons te verplaatsen in wat andere mensen meemaken, door deelgenoot te worden in hun ervaringen, door ons in te beelden waar ze doorheen moeten, wordt respect meer dan iets louter formeels, wordt het een gevoel dat echt, authentiek en doorvoeld is. Deze combinatie van nieuwsgierigheid en emotionele inleving is wat Adam Smith begreep onder de term ‘humaniteit’. De media kunnen hierin een belangrijke rol vervullen. Immers, hoe meer verslag ze brengen over de ervaringen, moeilijkheden, wensen en ambities van homo’s en lesbiennes, des te minder ze door hun medemensen kunnen worden afgedaan als een buitenaards of obsceen wezen, des te meer ze zullen worden aanvaard als mens van vlees en bloed.

In essentie hoopt Martha Nussbaum dat iedereen op een dag zal ingaan op de uitnodiging die Sean Penn uitspreekt in de film Milk van Gus Van Sant: “My name is Harvey Milk, and I’m here to recruit you”. Harvey Milk was de eerste homo die werd verkozen in de gemeenteraad van San Francisco en later vermoord werd. Door mensen die homoseksualiteit vereenzelvigen met besmetting en het aannemen van een groezelige levensstijl, zal deze uitspraak uiteraard alleen maar betekenen: “Ik ben hier om u ziek te maken en om u deelachtig te maken aan mijn besmetting”. Wie echter voorbij de homoseksualiteit de medemens kan blijven zien, zal de echte boodschap begrijpen: “Ik ben hier om u te vragen om deel te nemen aan een beweging die opkomt voor vrijheid en emancipatie, voor gelijkwaardigheid en voor de mogelijkheid voor iedereen om zijn eigen geluk te mogen vinden”.


Recensie door Lieven Monserez


Martha C. Nussbaum, From Disgust to Humanity. Sexual Orientation & Constitutional Law, Oxford University Press, Oxford, 2010, 217 blz.

Links
mailto:lieven.monserez@telenet.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be