Grensgebieden van het recht

boek vrijdag 17 november 2006

Martha Nussbaum

Martha Nussbaum is een van de meest toonaangevende en productieve liberale filosofen van onze tijd. Zij werkt als hoogleraar recht en ethiek aan de universiteit van Chicago en schreef de voorbije jaren een indrukwekkend aantal essays en boeken over de relatie tussen filosofie en literatuur, menselijke emoties, feminisme, sociale rechtvaardigheid en wereldburgerschap. Daarbij demonstreert ze een grote kennis van de oude Griekse filosofie en de hedendaagse morele en politieke filosofie. In de jaren tachtig werkte ze samen met de econoom en Nobelprijswinnaar Amartya Sen op het vlak van de economische ontwikkeling en ethiek. Ze ontwikkelden samen de ‘capability approach’ of ‘vermogensbenadering’ als een theoretisch en praktisch concept ter benadering van fundamentele rechtvaardigheid. Zij beschouwen ‘capabilities’ of ‘vermogens’ (in de zin van mogelijkheden) als een essentieel middel voor een menswaardig bestaan. Maar terwijl Sen de benadering van de menselijke vermogens toepast op de economie, richt Nussbaum zich tot de filosofie en derhalve ook tot de politiek. In die zin gaf ze de voorbije jaren vorm aan een minimale theorie van sociale rechtvaardigheid. Een ambitieus project waarmee ze in de voetsporen treedt van grote denkers als Kant en Rawls.

Theoriën over recht en rechtvaardigheid zijn altijd abstract. Maar al te weinig beseffen we hoezeer ze een impact hebben op ons dagelijks leven. Denk maar aan de geschriften van Immanuel Kant en zijn Grundlegung zur Metaphysik der Sitten waarin hij het concept van de categorische imperatief uitwerkte. ‘Handel zo dat gij de mensheid, zowel in uw eigen persoon als in die van ieder ander, steeds als doel in zichzelf behandelt en nooit slechts als middel.’ De plicht om er als mens ‘te zijn voor anderen’ is onvoorwaardelijk en vervalt niet omdat iemand geen rechten kan doen gelden op andermans hulp. Zijn ideeën vormden de grondslag voor de latere mensenrechten. Of neem nu John Rawls en zijn A Theory of Justice. Om te komen tot effectieve sociale rechtvaardigheid hanteert hij een gedachtenexperiment. Daarbij vertrekt hij van een initiële positie waarin mensen zich bevinden onder een sluier van onwetendheid. Hij vraagt iedereen zich in te denken hoe hij de sociale samenwerking en verdeling van de middelen ziet als hij in een soort oorspronkelijke toestand zit waarbij hij niet weet of hij arm of rijk, blank of zwart, man of vrouw zou zijn. Vanuit die gedachtegang zal de mens rekening houden met de eventuele situatie waarbij hij beroep zal moeten doen op de steun van anderen. Het vormt tot vandaag de theoretische en filosofische basis van onze sociale zekerheid.

In haar nieuwste boek Grensgebieden van het recht gaat Martha Nussbaum op zoek naar concrete denkbeelden over sociale rechtvaardigheid aan de hand van drie urgente problemen: de positie van mensen met een fysieke en mentale handicap, het garanderen van een waardig leven voor alle wereldburgers, en de erkenning van rechten van dieren. Het zijn drie bijzonder moeilijke onderwerpen die vaak benaderd worden vanuit utilitaire of paternalistische overwegingen waarbij men de betrokken personen en levende wezens beschouwt als aparte categorieën met een bepaalde nutwaarde of als doelen voor welwillendheid en medeleven. Die onderwerpen heeft ze niet lukraak gekozen maar dienen vooral om de deugdelijkheid van haar vermogensbenadering te toetsen. Alhoewel ze haar boek opdraagt ter nagedachtenis van John Rawls en ze de grote verdiensten erkent van de rechtvaardigheidstheoriën in de traditie van het sociaal contract – de krachtigste theorieën die we thans kennen, aldus de auteur – bieden ze toch geen adequate oplossingen voor de drie hiervoor vermelde problemen. In feite levert ze met dit boek stevige kritiek op de westerse traditie van het sociaal contract waarbij mensen zich met het oog op wederkerig voordeel aaneensluiten en zichzelf besturen door middel van wetgeving, zoals Rawls voorstelde in A Theory of Justice.

Het centrale uitgangspunt van Martha Nussbaum blijft de kantiaanse gedachte dat ieder mens een doel op zich is en geen middel. Daarmee plaatst ze zich duidelijk binnen het klassieke liberale denken en derhalve tegenover socialistische ideeën terzake. Voor haar is niet de groep het primaire subject van politieke rechtvaardigheid maar wel het individu. ‘Daarom moet een beleid dat de leefomstandigheden van een groep verbetert worden verworpen als het niet gericht is op de mogelijkheid tot het praktiseren van de essentiële vermogens voor iedere persoon afzonderlijk’, zo schrijft ze. Dat betekent niet dat ze de vrijheid absoluut neemt. Sommige vrijheden zijn in haar ogen belangrijk maar andere niet, en nog andere zelfs ronduit schadelijk (zoals bijvoorbeeld de vrijheid om het milieu te vervuilen). Meer nog, ze verwerpt de al te eenzijdige fixatie op de negatieve vrijheden, zoals in de Verenigde Staten, en stelt dat alle rechten waarover mensen beschikken actieve inmenging van de staat behoeven (zo vereist de vrijheid van meningsuiting bijvoorbeeld scholing). In haar vermogensbenadering betekent vrijheid dat mensen ‘ergens toe in staat zijn’, want als ze daar niet toe in staat zijn dan is hun vrijheid (nog) niet bereikt. In die zin volgt ze liberale denkers als Rawls, Sen en De Soto.

De vermogensbenadering van Martha Nussbaum stoelt op tien minimale sociale rechten die essentieel zijn voor een waardig keven. ‘Een samenleving die deze rechten en vrijheden niet tot op een bepaald passend drempelniveau aan al haar burgers kan garanderen, schiet tekort en is geen volledig rechtvaardige samenleving’, stelt ze. Concreet gaat het om het vermogen om een menselijk leven van normale duur te leiden, een goede gezondheid te hebben, zich vrij te kunnen verplaatsen, je geest te gebruiken, zich te hechten aan dingen en mensen buiten onszelf, een conceptie van het goede te vormen, om met en voor anderen te leven zonder enige discriminatie, te leven met zorg voor en in relatie tot de dieren en de natuur, te lachen en te spelen, te kunnen participeren in politieke keuzes en in staat te zijn eigendom te verwerven. Deze lijst is niet absoluut en kan uitgebreid worden. In elk geval vertoont ze veel overkomsten met de mensenrechtenbenadering en wordt ze door Martha Nussbaum als volkomen universeel beschouwd. Hiermee kiest ze voor een serie vaste interculturele normen en staat ze lijnrecht tegenover de aanhangers van het cultuurrelativisme.

Deze lijst zullen velen weer als theoretisch beschouwen maar dat klopt niet helemaal. In tegenstelling tot vele vormen van contractdenken, waarbij men zoveel belang hecht aan de procedure om te komen tot een rechtvaardige samenleving, zit de rechtvaardigheid bij haar in de uitkomst, zeg maar de concrete realisatie. En die houding heeft belangrijke consequenties. Het betekent dat de gemeenschap voldoende geld moet besteden om de hiervoor vermelde vermogens effectief te maken voor elke mens en zelfs voor niet-menselijke dieren. Hiermee ontwikkelt Martha Nussbaum een indrukwekkend alternatief voor het utilitarisme, dat al te gemakkelijk individuele vrijheden opoffert aan het streven naar algemeen nut en welzijn, maar ook voor het rawlsiaanse denken waarin het element van het wederkerig voordeel nog zo een belangrijke rol speelt. Martha Nussbaum vertrekt van de aristotelische en marxistische conceptie van de mens ‘als een sociaal en politiek wezen dat vervulling vindt in relaties met anderen.’ Tegelijk benadrukt ze het belang van de vrijheid, keuzemogelijkheid en individualiteit. Dat blijkt duidelijk uit de voorstellen die ze doet in drie moeilijke domeinen.

Mensen met fysieke en mentale stoornissen en beperkingen zijn staatsburgers en bijgevolg moet ‘iedere fatsoenlijke samenleving zich bekommeren om hun behoefte aan zorg, onderwijs, zelfrespect, activiteiten en vriendschap’, aldus Martha Nussbaum. Het lijkt evident maar in de praktijk wordt dergelijke zorg nog steeds gezien in functie van wederkerig voordeel en maatschappelijke kost. Voor de filosofe kan dat niet. Dergelijke mensen hoeven het respect niet te verdienen door productief te zijn maar ontlenen recht op ondersteuning aan hun behoeftigheid als mens. De herinrichting van de openbare ruimte (toegankelijke bussen, trottoirs, openbare gebouwen,…) is derhalve essentieel voor de waardigheid van fysiek gehandicapte mensen. En mensen met een mentale stoornis hebben recht op geïndividualiseerde zorg. Doen we dat niet dan diskwalificeren dergelijke mensen tot een aparte, minderwaardige mensensoort. In veel landen bestaan al regelingen van ondersteunende dienstverlening en vormen van voogdijschap voor mentaal gehandicapten. Maar dat mogen geen manieren zijn van ‘omgaan met de “incompetentie” van een persoon, maar een manier om de toegang van die persoon tot alle essentiële menselijke vermogens te faciliteren’. In die zin pleit Martha Nussbaum voor een volkomen gratis passend openbaar onderwijs aan mentaal gehandicapten dat zoveel mogelijk op maat wordt verstrekt. Zo ondersteunt ze ook de idee voor een directe betaling aan gezinsleden die zorgtaken vervullen en eist ze meer erkenning voor zorgverleners.

In diezelfde geest pleit Martha Nussbaum voor een waardig leven voor alle wereldburgers. Ze ziet trouwens een opvallende overeenkomst tussen de situatie van de arme landen en mensen met handicaps Net zoals veel andersglobalisten is ze verontrust over de groeiende kloof tussen arme en rijke landen. Ook hier komen sociale contract theorieën tekort. Zij blijven nationale staten als de basiseenheid zien en dat maakt toepassing van een mondiale rechtvaardigheid problematisch. Via de vermogensbenadering wil ze een wereld realiseren die voor iedereen rechtvaardig is. Ze volgt John Rawls die religieuze en etnische vervolging, politieke onderdrukking en hongersnood aanwees als oorzaken van emigratie, maar Martha Nussbaum voegt er nog een belangrijker oorzaak aan toe: de economische ongelijkheid. Ze vind het niet kunnen dat de basiskansen van mensen geschonden worden door geslacht, maatschappelijke klasse of de natie waarin iemand geboren is. Ze beseft dat een oplossing moeilijk is maar blijft ook hier consequent haar vermogensbenadering volgen. Als we het eens zijn dat alle mensen dergelijke basisrechten hebben dan rust op ons allen ‘een collectieve verplichting om te voorzien in de behoeften van alle mensen ter wereld.’

Dit is geen pleidooi voor een wereldstaat maar wel voor een reeks maatregelen die zorgen voor meer mondiale rechtvaardigheid. Zo pleit ze voor een substantiële verhoging van de bijdragen van rijke landen aan arme landen (ongeveer 2 procent van hun BNP), maar ze voegt er wel aan toe dat het ontvangende land dan democratisch moet zijn; zoniet heeft ze meer vertrouwen in NGO’s als tusseninstantie. Multinationals zouden een substantieel van hun winst moeten besteden aan onderwijs en milieu in de regio’s waar ze actief zijn. Opmerkelijk is dat ze hiervoor niet zozeer rekent op de bedrijven zelf maar op de consumenten die druk kunnen uitoefenen op bedrijven om dat daadwerkelijk te doen. Een andere eis is dat ‘de belangrijkste structuren van de mondiale economische orde zodanig ontworpen dienen te zijn dat ze eerlijk zijn ten opzichte van arme en ontwikkelingslanden’, waarbij ze vooral het IMF en de Wereldbank op het oog heeft. Ze denkt aan mondiale milieuvoorschriften, beperkte mondiale belastingsheffingen en bijstand van de wereldgemeenschap aan de zieken in de derde wereld (farmaceutische bedrijven moeten hun producten aanbieden aan betaalbare prijzen). Tegelijk keert ze zich tegen het cultuurrelativisme. ‘De wereldgemeenschap dient de individuele vrijheden van mensen te beschermen, inclusief het recht op vrije partnerkeuze en gezinsvorming’, zo schrijft ze. En ze houdt net als Amartya Sen een vurig pleidooi voor onderwijs als hét middel om mensen meer macht te geven over hun eigen leven door middel van informatie, kritisch denken en verbeeldingskracht.’

Zo komt ze tot een nog meer omstreden punt: de rechten ten aanzien van niet-menselijke dieren. Onze houding is dat dieren geen zelfbewustzijn hebben en derhalve slechts middelen zijn ten behoeve van de mens. Martha Nussbaum betwist deze stelling en neemt geen genoegen met de vrijblijvende oproepen tot medelijden ten aanzien van dieren. Zij noemt de mishandeling van dieren onrechtvaardig omdat dieren een morele aanspraak hebben om niet op dergelijke manier behandeld te worden. Ook het dier is een doel op zich, zo zegt ze, en daarmee spoort ze met denkers als John Stuart Mill en Peter Singer. En alhoewel ze het hier moeilijker heeft om alle aspecten van haar vermogensbenadering toe te passen doet ze toch een moedige poging de grenzen aan te geven waarbinnen mensen met dieren horen om te gaan. Dieren met een bewustzijn, die dus pijn, angst en genot kunnen ervaren, beschikken over een morele status. Daarmee volgt ze niet sommige milieuactivisten die uitgaan van de veronderstelling dat de natuur harmonieus en wijs is en dat de mens een verkwistend wezen is. De natuur bevat zelf geen morele normen en is op zich gewelddadig.

Waar het op aankomt is dat we als mensen de plicht hebben bedreigde diersoorten te beschermen en afstappen van het utilitarisme waarin dieren behandeld worden als dingen. Vandaar haar pleidooi tegen dierenmishandeling, tegen het gebruik van legbatterijen, tegen het doden van dieren voor de productie van luxegoederen, tegen jacht en sportvissen, en voor het recht voor werkende dieren op respectvolle arbeidsomstandigheden. We moeten de leefomgeving van dieren beschermen. Meer nog, Martha Nussbaum wil de rechten van dieren binnen een politieke conceptie beschermen. Concreet betekent dit dat partijen de belangen van dieren moeten verdedigen, en als ze dat niet doen dan zullen specifieke partijen die opkomen voor dierenrechten die taak op zich nemen. In Nederland is al een dergelijke partij al actief en in België zorgt GAIA voor een toenemend bewustzijn onder de burgers voor dierenrechten. De filosofe geeft toe dat ze geen antwoord heeft op alle problemen. Zoals het gebruik van dieren als voedselbron voor tal van volkeren en mensen. Een minimale eis is dat de slachting op zijn minst pijnloos zou verlopen en dat tal van proeven op dieren verboden worden.

De ideeën van Martha Nussbaum zullen heel wat reacties losweken. In het bijzonder van cultuurrelativisten, utilitaristen en neoliberalen die vinden dat ze zich teveel mengt in de gewoontes, tradities en het eigenbelang van mensen. Ze beseft dat ze met haar theorie hoge eisen stelt aan mensen en de (rijke) samenleving maar ze is overtuigd dat het kan en rekent daarvoor op het onderwijs om ons te doen inzien dat haar vermogensbenadering een oplossing biedt voor tal van problemen. ‘Zonder moed en verbeeldingskracht blijven we waarschijnlijk achter met publiek cynisme en wanhoop’, zo schrijft ze. Juist daarom zet ze de lezers aan om de klassieke paden van het sociale contract denken te verlaten en rekening te houden met de basisbehoeftes van elke mens en elk levend wezen. Haar voorstellen klinken misschien controversieel en utopisch, maar in elk geval biedt ze een logisch kader waarbinnen tal van onrechtvaardigheden worden weggenomen. Martha Nussbaum noemt zichzelf een liberale filosofe en dat is ze ook. Haar bezorgdheid voor het lot van elk individu, los van groepsbelangen en tradities, benadrukt dit. Ze spoort ook met het individualisme: de mens in staat stellen om zelf zijn levensplan te bepalen en daartoe de nodige middelen ter beschikking te geven. Wie begaan is met het recht op zelfbeschikking en de waardigheid van elke mens, en elk levend wezen, moet dit boek lezen.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Martha Nussbaum, Grensgebieden van het recht, Ambo/Anthos, 2006

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be