Het kwaad denken

boek vrijdag 15 april 2005

Susan Neiman

In het jaar 1755 verwoestte een aardbeving gevolgd door een overstroming de stad Lissabon. Het veroorzaakte niet alleen een fysiek tastbare schok, maar ook een geestelijke. Hoe had God dit laten gebeuren? Hoe had God toegelaten dat vele duizenden van zijn volgelingen ten onder gingen in de meest verwoestende natuurramp van die tijd? Maar het beeld van de goede God kwam nog meer onder druk door Auschwitz waar meer dan een miljoen mensen op een systematische manier werden vermoord. Hoe heeft de Almachtige een catastrofe van die omvang laten plaatsvinden? De Amerikaans-joodse filosofe Susan Neiman, directeur van het studiecentrum Einstein Forum in Potsdam en docente aan de Humbolt Universiteit in Berlijn, grijpt deze twee gebeurtenissen als centrale polen in de geschiedenis aan om het kwaad aanschouwelijk te maken en een antwoord te vinden op de vraag of de geschiedenis van het denken over het kwaad ons kan helpen om met het tegenwoordige kwaad om te gaan. Daarover schreef ze het boek Het kwaad denken. Een andere geschiedenis van de filosofie.

Natuurlijk zijn de twee drama’s van Lissabon en Auschwitz niet met elkaar te vergelijken. Beide zorgden natuurlijk voor een enorm lijden bij onschuldige mensen, maar de verwoesting van Lissabon gebeurde door de natuur, terwijl Auschwitz het werk was van medemensen die met hun bestiale gedrag blijkbaar alle redelijke normen hadden overtreden. Rousseau maakte dan ook duidelijk een onderscheid tussen ‘natuurlijk’ en ‘moreel’ kwaad. Het besef dat de natuur zorgde voor het drama van Lissabon zou men kunnen zien als het begin van de moderniteit. Voor een natuurramp kan men immers niemand verantwoordelijk stellen. Maar als men de scheiding tussen natuurlijk en moreel kwaad aanvaardt als een kenmerk van de moderniteit dan zou men Auschwitz moeten beschouwen als het einde van diezelfde moderniteit. Hannah Arendt zei dat het onmogelijke waar was geworden en Theodor Adorno noemde zwijgen de enige gepaste reactie. Voor dat drama kunnen we immers alleen de mens verantwoordelijk stellen en in die zin stelt Susan Neiman dat we sindsdien moreel stuurloos zijn geworden. Juist daarom wil de filosofe weer op zoek naar de filosofisch-historische betekenis van het kwaad. Want ‘als we elke poging om het kwaad te begrijpen opgeven, dan beroven we onszelf zowel in het denken als in de praktijk van elke grond om het te bestrijden’.

Susan Neiman start haar zoektocht bij twee advocaten van God: Leibniz en Pope. Hoe men het ook draait of keert, God zit al sinds het boek van Job in de beklaagdenbank. Waarom heeft hij geen wereld geschapen met minder rampen en misdaden? Karel van het Reve sprak over de ‘ongelofelijke slechtheid van het opperwezen’. Misschien geeft God, ondanks het enorme lijden in de wereld, nog heel wat mensen troost, maar finaal biedt elk geloof maar één - hoogst onzeker - houvast: de opstanding na de dood en de opname in het paradijs of het eeuwige hellevuur (de mogelijkheid van het vagevuur is maar een uitvinding uit de twaalfde eeuw die de praktijk van de aflaten mogelijk maakte, iets wat door de Reformatie verworpen werd). Leibniz introduceerde het begrip ‘theodicee’ als de rationele rechtvaardiging van Gods goedheid en almacht met betrekking tot het probleem van het bestaan van het kwaad in de wereld. ‘Alles gebeurt met de beste bedoelingen’, zo stelde hij en Pope ging nog een stap verder door te zeggen ‘Dat wat is, is goed’. Samen waren ze het erover eens dat alles wat voor kwaad doorgaat uiteindelijk bijdraagt tot het goede van een groter geheel. Het lijkt wel een gedachtegang om te zeggen dat geen enkel kwaad echt kwaad is en dan zou men elk ingrijpen tegen dat kwaad eigenlijk als goddeloos moeten beschouwen.

Het christendom heeft bepaalde vormen van lijden vaak als ‘zinvol’ beschouwd, zoals bijvoorbeeld de pijn van het baren. Die gedachte bestond al bij de Oude Grieken die deze zin van het lijden als een onderdeel van het scheppingsproces zagen. Natuurlijk is niet alle lijden te vergelijken met de pijn bij de geboorte, alhoewel men ook vragen naar de zin daarvan zou kunnen stellen. Maar Neiman concentreert zich vooral op het kwaad als oorzaak van zinloos lijden. Sommigen zullen die ‘zinloosheid’ natuurlijk betwisten, denk aan de nazi’s die de Endlösung als iets ‘zinvol’ zagen, anderen zullen ook dàt lijden verdedigen en het vermogen om te lijden als positief bestempelen. ‘Alles wat ons niet doodt, maakt ons sterker’, aldus Nietzsche, maar die stelling houdt geen steek voor wie het niet overleeft, en Primo Levi heeft in zijn werken Is dit een mens? en De verdronkenen en de geredden overtuigend aangetoond dat het lijden dat hij in Auschwitz onderging hem niet sterker heeft gemaakt, integendeel. Wat trouwens met de fysiek en geestelijk gemartelden, de trauma’s en fysieke handicaps die hieruit voortvloeiden, en de pijn die zovele anderen hebben ervaren als een verwerpelijke, immorele, gruwelijke en onmenselijke gesel?

Wanneer iets vreselijks gebeurt, zo schrijft Susan Neiman, dan willen mensen weten waarop we in de wereld nog kunnen vertrouwen. En ze verwijst opnieuw naar de aardbeving van Lissabon waarbij vijftienduizend doden vielen (ze kon bij het schrijven van haar boek nog niet vermoeden dat enkele maanden na de publicatie ervan de tsoenami toesloeg met meer dan een kwart miljoen doden). Volgens de jezuïeten van die tijd was de aardbeving die lissabon trof een reactie van God op een te lakse inquisitie. Een houding die we ook na de aanslagen van 11 september 2001 zagen in de Verenigde Staten waar sommige televisiepredikanten de schuld bij de eigen immorele levenswandel van de Amerikanen legden. Eigenlijk een Leibniziaanse gedachte, waarbij vromer leven het kwade zou verminderen en leiden tot meer ‘goed’. Zelfs de verlichte Kant die drie essays over de aardbeving schreef, en die toedichtte aan de natuurwetenschappelijke theorie van de breuklijnen, probeerde nog aan te tonen dat het kwade uiteindelijk ook goede gevolgen kan hebben, een stelling waarover hij zich later schaamde. Volgens Susan Neiman markeert deze ‘schaamte’ het begin van de moderniteit omdat ‘ze getuigt van het bewustzijn dat het verstand zijn grenzen heeft’. Kant legde nochtans heel duidelijk de verantwoordelijkheid voor wat gebeurt bij de mens. ‘Handel zo alsof de maxime van jouw handeling door jouw wil tot algemene natuurwet moest worden’, zo klinkt zijn categorische imperatief, waarmee hij de mens de kans gaf om God te zijn - een houding die sommigen later letterlijk namen met alle vreselijke gevolgen van dien. Kant bedoelde natuurlijk iets anders, in overeenstemming met Pico della Mirandola’s visie dat de mens zijn eigen schepper moet zijn. De mens heeft zijn eigen lot in eigen handen. Hij kan ontaarden in het dierlijke, maar zich ook opheffen tot het goddelijke. Dat is een troostende gedachte.

Interessant zijn dan ook de manieren waarop na de aardbeving van 1755 gereageerd werd. De toenmalige eerste minister van Portugal Pombal reageerde bijzonder ‘verlicht’. Hij liet zo snel mogelijk de doden begraven om epidemieën te vermijden, vorderde graanvoorraden om de hongersnood te bedwingen en begon snel aan de wederopbouw van de stad. Daartegenover stonden de jezuïeten die nieuwe aardbevingen voorspelden en de bevolking aanmaanden om boeten te doen voor hun zonden in plaats van zich bezig te houden met de wederopbouw. ‘Niet wederopbouw en de verdeling van hulpgoederen, maar zelfkastijding en vasten waren het parool van de jezuïeten’, zo schrijft Susan Neiman. Alvast een treffende illustratie van de toenmalige botsing tussen twee wereldbeelden, alhoewel we die ook vandaag nog kunnen aantreffen onder de fanatieke aanhangers van de monotheïstische godsdiensten. Uiteindelijk haalde Pombal zijn slag thuis en de auteur noemt dit ‘een zege voor de opvatting dat Gods bedoelingen geen publieke functie hebben’. Maar meer fundamenteel betekende het dat de mens het uitroeien van het kwaad zelf in handen heeft.

En dan was er Auschwitz, alhoewel Ieper, Dresden, Hiroshima, Kolyma en Sarajevo ook kunnen tellen als toonbeelden van het verval van de mens in het meest dierlijke. Susan Neiman wijst er terecht op dat niemand het recht heeft om zich inzake oorlogsmisdaden te verantwoorden door te verwijzen naar de daden van anderen. ‘Dat alleen Duitsers Auschwitz hadden kunnen verzinnen verraadt slechts de eigen onoprechtheid’, aldus de filosofe. Wat zou het niet allemaal eenvoudiger zijn indien we konden bewijzen dat Auschwitz specifiek Duits was, maar dat kunnen we niet en dat is net zo problematisch. Ondanks de stelling van Hegel dat de mensheid zich steeds meer in de richting van de vrijheid beweegt – wat waarschijnlijk juist is – is een terugval in de barbarij altijd mogelijk. Daarvan heeft de twintigste eeuw tal van voorbeelden gegeven, ook buiten Duitsland en 11 september 2001 heeft dat nogmaals scherp aangetoond. ‘Terroristische aanslagen imiteren de willekeur van natuurrampen’, zo stelt de auteur, maar tegelijk verwijst ze naar het heldhaftig gedrag van de passagiers van het vierde vliegtuig die via hun gsm begrepen wat hun te wachten stond en de terroristen in de cockpit aanvielen in het besef dat ze daarmee andere levens konden redden. Hoeveel schade ze met hun actie wisten te voorkomen zullen we nooit weten maar dat ze iets voorkwamen staat vast. ‘Ze bewezen niet alleen dat mensen vrijheid bezitten, maar ook dat we het kunnen gebruiken om een wereld te beïnvloeden die we vrezen niet te kunnen beheersen’. Dit is geen theodicee, zegt de auteur, maar de enige hoop die we hebben.

Met haar boek wil Susan Neiman aantonen dat het probleem van het kwaad noch behoort tot de ethiek, noch tot de metafysica, maar eerder de band tussen beide vormt. Daarmee geeft ze indirect aan dat de vraag naar de zin van het leven op zich niet te beantwoorden is, maar dat die zin door elke mens afzonderlijk moet veroverd worden. Het lijkt een wat ontgoochelende conclusie maar ze sluit mijn inziens wel aan bij de realiteit. Dat neemt niet weg dat we ons als mens en medemens moeten inzetten voor een betere wereld, niet om overal het ‘geluk’ te brengen – Karl Popper heeft aangetoond dat onze drang om anderen geluk te bezorgen tot vreselijke zaken kan leiden en dat we er ons beter op toeleggen om dag na dag vermijdbaar kwaad te bestrijden – maar om de menselijke waardigheid te verdedigen als een verworvenheid waarmee niet kan worden gemarchandeerd. ‘Du Kannst denn du Sollst’, zei Kant. Het is in die geest dat de Italiaanse veiligheidsagent Nicola Calipari zijn leven offerde om dat van de gegijzelde Italiaanse journaliste te redden. Er is nog hoop.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Susan Neiman, Het kwaad denken, Boom, 2004.

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be