Na de oorlog

boek vrijdag 20 mei 2011

Tony Judt

Europa lag na twee verwoestende wereldoorlogen zowel materieel als geestelijk in puin. Meer dan 60 miljoen mensen waren gedood, vele anderen waren gewond, zaten in gevangenschap of sloegen op de vlucht. Tal van steden werden platgebombardeerd waardoor de hele infrastructuur, zoals havens, wegen, bruggen, maar vooral huizen (waaronder veel belangrijke cultuurhistorische monumenten) compleet werden vernietigd. Zes decennia later is daar ogenschijnlijk weinig of niets meer van te merken. Sinds enkele jaren zijn bijna alle landen van het oude continent verzameld in de Europese Unie en kennen we een periode van ongekende vrede en welvaart, iets wat heel wat burgers, vooral jongeren, als een evidentie zien. Nochtans is die vrede en welvaart er niet vanzelf gekomen. De landen in West-Europa konden zich relatief snel herstellen dankzij de miljarden dollars steun van het Marshallplan. De landen in Oost-Europa kregen echter een communistisch politiek en economisch model opgelegd dat vrijheid en ontwikkeling in de weg stond. Pas na de val van de Berlijnse Muur en later de aansluiting bij de EU zijn hun burgers aan een inhaalbeweging bezig. Alleen de landen van de Balkan blijven voorlopig uitgesloten. De ‘laatste’ Europese oorlog ligt immers nog maar een vijftiental jaren achter ons.

Over deze turbulente periode schreef de Britse historicus en auteur Tony Judt een imposant boek onder de titel Na de oorlog of zoals hijzelf schrijft ‘een geschiedenis van Europa sinds 1945’. Dat de auteur het heeft over ‘een’ geschiedenis en niet ‘dé’ geschiedenis is logisch want alhoewel het boek meer dan duizend bladzijden telt, is geen enkele historicus in staat om alle aspecten van het naoorlogse Europa te bespreken. Daarvoor is het onderwerp te breed en de besproken periode te lang. Maar Judt slaagt er wel in om een meeslepend en coherent verhaal te brengen waarbij hij zowel chronologisch als thematisch te werk gaat. Hij heeft het daarbij over de nieuwe krachtsverhoudingen en breuklijnen tussen de tot dan toe geallieerde naties, de opkomst van de Koude Oorlog, de economische heropstanding van de West-Europese landen volgens het keynesiaans model, de groeiende afkeer voor de VS, de bizarre aantrekkingskracht van het communisme op tal van intellectuelen, de verwezenlijking van een zo goed als volledige werkgelegenheid waardoor men migranten moest aantrekken om in de rijke Europese landen te komen werken, de opbouw van de sociale zekerheid, de neergang van de invloed van de katholieke kerk en de strijd tegen het gezag in de jaren zestig, de dekolonisatie, de eerste oliecrisis en de enorme overheidstekorten, de economische omslag in de jaren tachtig via privatisering en deregulering, de ineenstorting van het communisme, en de problemen met de multiculturele samenleving. En tussen dit alles één positieve rode draad: de ontwikkeling van het Europese model via de Europese Gemeenschap en later de EU.

De ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog vormden een reactie op de rampzalige gebeurtenissen in de eerste helft van de twintigste eeuw. Van de kosmopolitische geest van tal van voordien bruisende Europese steden bleef weinig of niets meer over. ‘Dankzij oorlog, bezetting, grenscorrecties, uitzetting en genocide woonde bijna iedereen nu in zijn eigen land, tussen zijn eigen mensen’, schrijft Judt, als een direct gevolg van het nationalisme, fascisme, racisme en de massale uitroeiing van de Joden. In de weken en maanden na de oorlog werd Oost-Europa met geweld gezuiverd van de Duitse bevolkingsgroepen die zich enkele jaren voordien ‘bevrijd’ wisten dankzij Hitler. Op die manier werden miljoenen verdreven Duitsers opgenomen in West-Duitsland. De auteur heeft het over regelrechte ‘etnische zuiveringen’ met als resultaat ‘een Europa van natiestaten die homogener waren dan ooit tevoren’. Een groot deel van de Joden die de Holocaust had overleefd trok in de jaren na de oorlog naar Israël nadat ze vaak vruchteloos geprobeerd hadden om hun vroegere eigendommen terug te krijgen. Wie trouwens denkt dat het antisemitisme na de nederlaag van het nazisme plots bekoeld was, vergist zich. Een groot deel van de Duitsers en Oostenrijkers vond het een goede zaak dat de Joden zo goed als verdwenen waren, en in Polen werden na de oorlog nog Joden vermoord zoals tijdens de pogrom in Kielce in 1946.

Even verbijsterend was het gebrek aan bestraffing van de nazi-leden, zelfs niet van diegenen die zich schuldig hadden gemaakt aan gruwelijke misdaden. Er waren wel de Neurenbergse processen waarbij enkele nazi-leiders werden veroordeeld, maar van een echte denazificatie was helemaal geen sprake. De Oostenrijkers beschouwden zichzelf als de eerste slachtoffers van het nazi-regime alhoewel ze in 1938 nog massaal voor de Anschluss hadden gestemd en 1,2 miljoen Oostenrijkers in de Wehrmacht en de SS hadden gestreden. Judt geeft enkele onthutsende cijfers: de helft van de leraren in middelbare scholen in Beieren die lid van de nazi’s waren en daarom ontslagen, zaten twee jaar later weer op post, 94 procent van de rechters en openbare aanklagers waren ex-nazi’s maar bleven in functie, het hoofd van de politie van Rijnland-Palts was als Obersturmführer verantwoordelijk geweest voor massamoorden in Wit-Rusland, en van het nieuwe corps diplomatique van West-Duitsland had 43 procent bij de SS gediend en 17 procent bij de Gestapo. Ook de verantwoordelijken van grote bedrijven zoals IG-Farben en Krupp, die actief meewerkten met de nazi’s, kwamen er met symbolische straffen vanaf. De denazificatie was een farce, ze werd trouwens actief bestreden door de politici en de kerken. Hetzelfde gebeurde trouwens in Oost-Duitsland waar de Communistische Partij miljoenen voormalige nazi’s in dienst nam, ondermeer voor de beruchte Stasi. Judt spreekt van een collectief geheugenverlies maar, zo schrijft hij, zonder dit ‘zou het opzienbarende herstel van Europa na de oorlog niet mogelijk zijn geweest’.

De eerste jaren na de oorlog werden gekenmerkt door sociale onrust. Het was één van de redenen (naast de noodzaak om de vernielde infrastructuur te herstellen) om op economisch en sociaal vlak het initiatief over te laten aan de overheid. In tal van bedrijfssectoren werden genationaliseerd en de sociale zekerheid diende als middel om grote schokken op te vangen. Het sociaal systeem was gebaseerd op de ideeën van de liberaal William Beveridge met vier pijlers: nationale gezondheidszorg, een adequaat staatspensioen, kinderbijslag en volledige werkzekerheid. De West-Europese economieën kregen daarbij een belangrijke impuls dank zij het Amerikaans geld via het Marshallplan. In Oost-Europa kon Stalin via de communistische partijen steeds meer greep krijgen op de diverse regeringen en ze uiteindelijk omvormen tot satellietstaten van de Sovjet-Unie. Zij kregen of weigerden alle hulp van de VS. Het was het begin van de Koude Oorlog. In het Westen werd de NAVO opgericht, in het Oosten het Warschaupact en betekende de start van een nieuwe wapenwedloop. Nog belangrijker was de toepassing van het plan-Shuman waarbij de gehele kolen- en staalproductie van Frankrijk en Duitsland onder één autoriteit zou komen en die zou openstaan voor andere landen. Zo ging in 1951 de EGKS van start met Duitsland, Frankrijk, Italië en de Beneluxlanden die de kern zouden vormen van de latere Europese Unie. De kracht van Shuman en zijn collega’s was dat ze in staat waren om de nationale belangen opzij te schuiven voor een meer algemeen belang.

‘Op het moment dat West-Europa op de drempel stond van een periode met drastische veranderingen en ongekende welvaart, gleed Oost-Europa weg in een coma’, schrijft Judt. Elke vorm van protest werd er hardhandig de kop ingedrukt. In 1953 in Oost-Duitsland, in 1956 in Hongarije, in 1967 in Polen en later in 1968 in Tsjechoslowakije. In de Sovjet-Unie volgde een nieuwe golf van terreur, showprocessen en moordpartijen tegen de vermeende ‘vijanden van het volk’ waarbij ook de Joden opnieuw geviseerd werden. Toch genoot het communisme in die periode heel wat sympathie onder westerse intellectuelen. De auteur verwijst naar Sartre en zijn tijdgenoten die zich afkeerden van de Amerikaanse cultuur en benadrukten ‘dat het communistische geweld een vorm van proletarisch humanisme was’. Gewone mensen zagen dat echter niet zo. Tussen 1949 en 1961 sloegen bijna drie miljoen Oost-Duitsers op de vlucht naar West-Berlijn. Daarop begon men met de bouw van de muur dwars doorheen de stad overlopend in het IJzeren Gordijn als definitieve afscheiding tussen Oost en West. In 1956 hield Chroesjtsjov zijn opmerkelijke rede gehouden waarin hij Stalin beschuldigde van ‘pervertering van de communistische leer’ en zijn misdaden veroordeelde. Maar het definitieve keerpunt kwam er in 1968 toen Russische tanks Praag kwamen bezetten. ‘De illusie dat het communisme kon worden hervormd, dat het stalinisme een verkeerde afslag was geweest, een vergissing die nog kon worden goedgemaakt (…) werd verpletterd’. Het zorgde ervoor dat de communistische partijen in het Westen begonnen leeg te lopen.

Terwijl West-Europa er economisch snel op vooruitging, ‘begonnen de communistische staten van Oost-Europa, evenals de Sovjet-Unie, aan hun afdaling in een tientallen jaren durende schemertoestand van stagnatie, corruptie en cynisme’, aldus Judt, die erop wijst dat de Sovjets vanaf 1964 gedwongen waren om graan in te voeren uit het Westen. De auteur geeft ook goed aan hoe het migrantenprobleem in onze contreien ontstond. De behoefte aan arbeidskrachten zorgde voor drie massale migratiegolven. Van het platteland naar de stad, van het ene Europese land naar het andere, en van buiten Europa naar Duitsland en andere West-Europese landen. Zo sloot bondskanselier Adenauer akkoorden met tal van Zuid-Europese landen, Turkije en Marokko om gastarbeiders te laten komen ‘met dien verstande dat hun verblijf strikt tijdelijk zou zijn’. In diezelfde periode won het keynesiaanse denken nog meer terrein. ‘Het geloof in de staat – als planner, coördinator, facilitator, scheidsrechter, werkverschaffer, toezichthouder en hoeder – was wijdverbreid en overschreed politieke grenzen’, schrijft Judt. De sociale voorwaarden verbeterden en pensioenen werden gekoppeld aan het laatste loon en de stijging van de koopkracht. Toch bleef een harde linkse kern zich verzetten tegen het kapitalisme. In Duitsland en Italië liep dit uit op aanslagen en gewelddaden tegen het burgerlijke gezag, in Frankrijk laaide het protest hoog op in de beruchte periode van mei 1968. Maar geen van deze bewegingen kon een bres slaan in de democratische rechtstaat.

Het keerpunt kwam er in de jaren zeventig met de oliecrisis. De inflatie en de werkloosheid stegen in West-Europa snel. Honderdduizenden mensen, waaronder heel wat gastarbeiders, verloren hun job in de mijnexploitatie, de scheepsbouw, de staal- en textielindustrie. Het leidde tot enorme begrotingstekorten en een omslag in het economische denken. De overheid die op tal van vlakken intervenieerde, belemmerde niet alleen economische groei maar verhinderde elke vorm van creativiteit. Hoezeer centrale planning en een gebrek aan vrijheid en vrije markt kon leiden, werd inmiddels steeds duidelijker in het Oostblok. Het totaal gebrek aan verantwoordelijkheidszin zorgde er ondermeer voor economische inefficiëntie, morele onverschilligheid en steeds zichtbaarder ecologische rampspoed. Onder impuls van de neoliberale ideeën van Friedrich Hayek en Milton Friedman ging men eerst in Groot-Brittannië over tot deregulering, privatisering, meer vrije markt, lagere belastingen en het aan banden leggen van de almacht van de vakbonden. Tatcher is tot vandaag de gebeten hond, maar Judt toont aan dat Labour onder Tony Blair en zelfs Mitterand vanaf 1982 eenzelfde weg insloegen, weliswaar minder bruusk maar vaak met hetzelfde resultaat.

In elk geval werd de kloof met het Oostblok nog groter. Pas onder Gorbatsjov kwam er wat openheid, maar het betekende tegelijk de start van de onvermijdelijke ineenstorting van de communistische planeconomie en de roep om meer vrijheid. Dit leidde tot de val van de Berlijnse Muur in 1989, de ineenstorting van de socialistische heilstaten, de hereniging van Duitsland, en later de verdere uitbreiding van de Europese Unie. Tony Judt vertelt het allemaal met veel nuance en zorg voor detail. Hij staat ook stil bij de grote drama’s van het hedendaagse Europa, in het bijzonder de Balkanoorlogen die nogmaals aantoonden hoezeer het gif van het nationalisme de rede verblind en aanzet tot geweld en doodslag. Op luttele kilometers van Wenen werden gruwelijkheden begaan. Onder het oog van een Nederlandse VN-macht greep in Srebrenica ‘de ergste massamoord in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog’ plaats. Deze dramatische gebeurtenissen legden in één klap de zwaktes van de Europese Unie bloot die niet in staat bleek het geweld op haar eigen continent onder controle te krijgen, daarvoor moest men een beroep doen op de VS. Ook het neoliberalisme kwam onder vuur te liggen. Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie gaf het land zich over aan een wild kapitalisme en een absolute vrije markt die zorgde voor kleptocratie, diefstal, corruptie en snel winstbejag ten koste van miljoenen medemensen. De deregulering en privatisering gebeurde er in een juridisch vacuüm. Het communisme presenteerde zich al snel in een vorm van hernieuwd nationalisme waarop Poetin later zijn nieuwe macht zou bouwen.

Een meer actuele ontwikkeling is de hang naar autonomie van diverse regio’s in Europa. Denk aan Catalonië en Baskenland in Spanje, de Lega Nord in Italië, Wales, Schotland en Noord Ierland in Groot-Brittannië, Corsica in Frankrijk en Vlaanderen en Wallonië in België. Overal zie je hoe rijke regio’s zich willen afscheiden omdat ze niet langer bereid zijn bij te dragen voor armere regio’s, en dat alles op een ogenblik dat ze allen opgaan in een groter geheel: de Europese Unie. Niet toevallig neemt vanuit die rijke regio’s de kritiek op het Europese project ook toe, denk aan de afwijzing door Frankrijk en Nederland van het ontwerp van Europese Grondwet. Het lijkt erop dat velen niet langer het belang van de EU inzien als een middel om de eeuwenoude tegenstellingen op een vreedzame manier te overbruggen en als een systeem van herverdeling waarbij veel geld van rijke gebieden naar de armere regio’s vloeit en op die manier de kloof tussen arm en rijk verkleint. Tegelijk komen de problemen met de migratie steeds duidelijker in beeld. In tal van West-Europese steden leven grote groepen moslims die hun eigen tradities niet gemakkelijk opzij willen schuiven voor de westerse waarden van vrije meningsuiting, het zelfbeschikkingsrecht, en de gelijkwaardigheid van man en vrouw. Deze problemen werden succesvol aangekaart door tal van extreemrechtse partijen, maar de auteur wijst erop dat ook de andere politieke partijen hun discours aanpassen en op een of andere manier een vorm van monoculturalisme bepleiten.

In elk geval legt dit boek goed uit hoe vernietigend de twintigste eeuw geweest is voor de kosmopolitische idealen van de Verlichting. Het nationalisme dat zo vernietigend was in het verleden lijkt weer aan belang te winnen. Vandaar dat het zo belangrijk is dat de radicale en verwoestende gevolgen ervan in herinnering te houden. ‘Tegen het einde van de twintigste eeuw leek de holocaust zich een centrale plek te hebben verworven in de identiteit en het geheugen van West-Europa’, schrijft Judt. Even belangrijk lijkt het volgens mij om verder te blijven strijden voor het recht op zelfbeschikking tegen alle conservatieve en religieuze krachten in. Het boek van Judt toont immers in elk hoofdstuk aan hoezeer mensen omwille van een collectiviteit, een Partij, een ideologie, een religie onderdrukt werden, ook nog na de oorlog. Toch nam het individualisme steeds meer toe denkt aan de tweede feministische golf en de strijd voor homorechten, de ethische realisaties en het bestaan van Europese hoven waar elke burger van de EU zijn of haar recht kan afdwingen. In die zin is het Europese project nog niet af en moeten we verder durven gaan in de uitbreiding, denk aan de Balkanlanden, maar ook aan Turkije en andere buurlanden waarvan de burgers snakken naar de rechten en vrijheden die wij in onze contreien met vallen en opstaan hebben bevochten en bekomen. Ook zij hebben er immers recht op.


Recensie door Dirk Verhofstadt


Tony Judt, Na de oorlog, Olympus, 2010, blz. 1056

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be