Over de geest van de wetten

boek vrijdag 08 december 2006

Montesquieu

In zijn pamflet An Appeal from the New to the Old Whigs (1791) bejubelde Edmund Burke de Franse philosophe Montesquieu als ‘een genie dat niet in elk land, noch in elk tijdperk wordt geboren; een man door de natuur begiftigd met een borende adelaarsblik; met een oordeelsvermogend voortkomend uit de grootst denkbare eruditie; met een herculische denkkracht en een zenuwgestel dat niet door arbeid wordt gebroken; een man die twintig jaar kon wijden aan één doel.’ Hoewel Montesquieu, die twintig jaar had gewerkt aan zijn magnum opus De l’Esprit des Lois (1748), door sommige landgenoten werd genoemd als ‘le premier homme du siècle’, is deze lofprijzing door Burke op het eerste gezicht nogal opmerkelijk. Burke wordt immers gezien als de aartsvader van het conservatisme, als de man die de frontale aanval op de Verlichting opende, terwijl Montesquieu steevast figureert in het rijtje belangrijke Verlichtingsdenkers.

Bij nader inzien is Burke’s enthousiasme niet zo verwonderlijk. Om te beginnen wortelde hij zelf stevig in de Verlichting en nam hij dikwijls voor zijn tijd uiterst vooruitstrevende standpunten in. Op zijn beurt wordt Montesquieu meestal beschouwd als een vertegenwoordiger van de gematigde Verlichting. Hoewel hij een belangrijke bijdrage aan het denken over politiek heeft geleverd en zijn grote boek uit 1748 door zowel wereldlijke als kerkelijk autoriteiten werd beschouwd als ondermijnend, was hij in politiek opzicht een conservatief.

Charles-Louis de Secondat, baron de la Brede et de Montesquieu (1689-1755) had veel te verliezen. Als grootgrondbezitter en wijnbouwer, president van het Parlement van Bordeaux en lid van de Académie Française behoorde hij tot de elite van het Ancien Régime. Van een radicale maatschappelijke omwenteling had hij dus niets goeds te verwachten. Montesquieu behoort dan ook duidelijk niet tot de helden van de Verlichting die Jonathan Israel in zijn Radical Enlightenment en Enlightenment Contested in het zonnetje zet. In ethisch opzicht was Montesquieu volgens Israel veel relativistischer, pessimistischer en sceptischer dan door hem bewonderde radicale Verlichters als Spinoza, Bayle en Diderot. Montesquieu zou meer lijken op Montaigne en allerlei Renaissance-denkers, en uit de pen van Israel is dat geen compliment. In het werk van Montesquieu wordt niet verwezen naar een absolute standaard van gerechtigheid en vrijheid. Hierdoor zou fundamentele kritiek op despotisme of slavernij onmogelijk zijn zou de ruimte voor een maatschappelijke omwenteling ontbreken. Ook neemt Israel hem kwalijk dat hij elke invloed van Spinoza, die in zijn werk niet dominant maar zeker wel aanwijsbaar is, ontkende.

Montesquieu wordt vaak niet alleen afgeschilderd als opportunistische conservatief, maar ook als een dogmatische legalist, die ervoor pleitte dat wetten naar de letter werden uitgevoerd. Dat mag dan onjuist zijn, zelfs wanneer Montesquieu’s voornaamste wapenfeit – de fameuze trias politica – aan de orde komt, blijkt er sprake te zijn van een misverstand. Vrijwel iedereen weet te melden dat Montesquieu de ‘scheiding der machten’ heeft bepleit, terwijl hij het in De l’Esprit des Lois heeft over een ‘spreiding’ of ‘evenwicht’ der machten, wat beslist niet hetzelfde is. De oorzaak van deze misvattingen is niet gelegen in de eventuele complexiteit of duisterheid van zijn werk, aangezien de man buitengewoon helder schreef. Het is meer de omvang en de op het eerste gezicht nogal rommelige opzet van De l’Esprit des Lois, die veel lezers afschrikt en doet verlangen naar een handzaam resumé.

In deze eerste integrale Nederlandse vertaling sinds 1787 – een klus die Jeanne Holierhoek op voorbeeldige wijze heeft geklaard – beslaat de tekst 855 bladzijden, onderverdeeld in 31 ‘boeken’, die soms uit meer dan twintig hoofdstukken bestaan. Wie de 25 bladzijden tellende inhoudsopgave leest begint het bijna te duizelen. Ook wanneer men weet dat sommige hoofdstukken ultra kort zijn – zoals hoofdstuk 1 van boek VIII: ‘Het verval van een staatsvorm begint bijna altijd met het verval van het beginsel van die staatsvorm.’ – schrikt deze omvang af, temeer daar er weinig lezers zullen zijn die onmiddellijk enthousiast opveren wanneer ze titels lezen als ‘Hoe in Spanje het Romeinse recht in onbruik raakte’ of ‘Een algemene karakterisering van het boek van abbé Dubos over de vestiging van de Franse monarchie in Gallië’.

Hoewel vooral het laatste deel de indruk wekt van een omgevallen kaartenbak waarvan de inhoud inderhaast is bijeengeveegd, leest het boek bijzonder prettig en zet Montesquieu zijn gedachtegang systematisch uiteen. Bovendien ontvouwt Montesquieu geen abstracte theorie of een scherp omlijnd programma, maar is hij een hartstochtelijke empirist, die de door hem geleidelijk verworven inzichten onderbouwt met talrijke voorbeelden. Hij wil de werkelijkheid op het spoor komen en haar geen dwingend keurslijf opleggen. Dit maakt zijn boek buitengewoon levendig en hoewel veel van zijn kennis inmiddels achterhaald is, is het erg plezierig om te lezen hoe iemand zijn immense eruditie op ogenschijnlijk moeiteloze wijze inzet om essentiële vraagstukken te behandelen.

De l’Esprit des Lois mocht dan onmiddellijk een bestseller worden en Montesquieu mocht dan vooral uit kerkelijke hoek scherp worden aangevallen – het boek belandde in 1751 op de Index librorum prohibitorum – veel toonaangevende Verlichtingsdenkers reageerden niet erg enthousiast. Voltaire vond het boek onsamenhangend en leverde veel detailkritiek en volgens D’Alembert vormde het door Montesquieu verzamelde feitenmateriaal geen solide basis voor welke theorie dan ook. Hoewel hij moest toegeven dat het boek ‘briljant, glorieus en betoverend’ was, stelde de grote utilitarist Jeremy Bentham dat het samen met zijn auteur binnen een eeuw vergeten zou zijn, omdat het aantal onjuistheden het aantal correcte beweringen overtrof. Benthams grootste bezwaar luidde echter: ‘Of happiness, he says nothing.’ Dit sloot aan bij het verwijt dat Montesquieu in Verlichtingskringen vaker werd gemaakt. Zo klaagde Helvétius erover dat hij uitputtend beschreef hoe de werkelijkheid in elkaar zat, maar niet hoe zij behoorde te zijn. Als motto gaf Montesquieu zijn boek een regel uit de Metamorfosen van Ovidius mee: ‘…prolem sine matre creatam’ – kind zonder moeder geboren. Hij wilde de originaliteit van zijn boek benadrukken, want hij was ervan overtuigd dat hij een belangrijke ontdekking had gedaan.

Eeuwenlang had de kerk geleerd dat niet alleen de natuur door God geschapen was, maar ook dat de maatschappelijke orde door hem was ingesteld. Het sinds de zeventiende eeuw opgekomen rationalisme stelde terecht dat wat er in de natuur gebeurde niet het werk van God was, maar het noodzakelijke gevolg van onveranderlijke natuurwetten. Maar hoe zat het dan met het menselijke handelen voor zover dat het dierlijke niveau oversteeg? Voor Descartes was de geschiedenis niet meer dan een verzameling irrelevante roddels, waarin geen enkele wetmatigheid viel aan te wijzen. In de ogen van overtuigde rationalisten en materialisten was het menselijk bestaan het toneel van blind toeval, irrationele aandriften, geluk en pech, de nukken van tirannieke heersers, avonturiers, charlatans en brutale hufters die macht en bezit naar zich toetrokken. Je kon hier een mooi metafysisch of theologisch verhaal van maken, maar enig bewijs voor de juistheid hiervan kon onmogelijk geleverd worden.

Montesquieu gelooft niet dat ‘al wat wij op de wereld zien, het werk is van een blind lot.’ Hoe zouden intelligente wezens kunnen voortkomen uit een blind lot? God heeft de wereld geschapen en houdt deze in stand door middel van door hem geformuleerde wetten. Als fysiek wezen gehoorzaamt de mens aan de natuurwetten, maar als intelligent wezen is hij in staat de morele wetten van God én de door hem zelf opgestelde wetten te overtreden. Door deze vrijheid van de wil is de mensheid geen uniform geheel. Maar zijn dan alle daden van de mens, alle vormen van beschaving, de complete menselijke geschiedenis, het product van louter toeval of willekeur? Volgens Montesquieu niet: ‘De mens ondergaat de invloed van allerlei factoren: het klimaat, de godsdienst, de door het bestuur gehanteerde stelregels, de voorbeelden uit het verleden, de zeden, de gewoonten; dit alles mondt uit in een algemene geest.’ Een samenleving is dus geen willekeurige verzameling van heterogene elementen of een kunstmatige constructie, maar het product van een min of meer natuurlijke ontwikkeling. De wetten die er gelden moeten in overeenstemming zijn met het karakter of esprit général van zo’n samenleving.

Hoe deze wetten tot stand zijn gekomen, hoe ze zich onderling verhouden en wat er gebeurt wanneer ze worden overtreden, dat is wat Montesquieu wil onderzoeken en daarvoor verzamelt hij zoveel mogelijk empirisch materiaal. Het originele van De l’Esprit des Lois is dat het boek de collectieve logica van samenlevingen en instituties ziet in samenhang met de uiteenlopende varianten die zich in verschillende omstandigheden ontwikkelen. In navolging van Aristoteles onderscheidde Montesquieu drie voorkomende staatsvormen: de despotie, de monarchie en de republiek. Van de laatste waren er twee varianten mogelijk: een aristocratie of een democratie. Welke staatsvorm een land had was het gevolg van bovengenoemde factoren. Omdat deze oorzaken verschilden, verschilden ook de beginselen en de doeleinden van een staat, wat ook gold voor de politieke deugden.

Hoewel Montesquieu duidelijk laat merken dat een despotisch regime niet deugt, gaat het hem niet in de eerste plaats om een veroordeling van een bepaalde staatsvorm, maar om een verklaring voor het feit waarom de ene samenleving succesvoller is dan de andere, of waarom op zeker moment het verval intreedt. In een republiek staat de politieke deugd van de vaderlandsliefde centraal. Niet het individu is de maat aller dingen, maar de samenleving als geheel. Wanneer het een democratische republiek betreft betekent dit dat liefde voor de democratie het belangrijkste is, en dat impliceert dat liefde voor gelijkheid de deugd is waar het om draait. ‘Omdat in een democratie iedereen aanspraak mag maken op hetzelfde geluk en dezelfde voordelen, mag iedereen er dezelfde genoegens smaken en dezelfde verwachtingen koesteren, en zoiets kan alleen in een situatie van algehele soberheid.’ Wanneer een democratie te welvarend wordt gaan de mensen teveel hun eigenbelang najagen, waardoor de fundamenten van de republiek worden ondermijnd. Daarom is het vaak nodig om ‘weeldewetten’ uit te vaardigen, die bepaalde uitingen van rijkdom belasten of zelfs verbieden.

Omdat in een monarchie ‘eer’ de belangrijkste drijfveer vormt, zijn er heel andere maatschappelijke verhoudingen en gelden er andere wetten. Omdat de welvaart daar zeer ongelijk is verdeeld, is het juist slecht wanneer de rijken zich onthouden van weelde. ‘Als de rijken er zuinig zijn, wacht de armen de hongerdood,’ aldus Montesquieu. Belangrijker dan de vorm van een staat, is volgens Montesquieu de aard van de samenleving. In alle opzichten dient gematigdheid de leidraad te zijn. Of een land nu bestierd wordt door een koning of dat het een democratie is, wanneer de wetten niet gericht zijn op het matigen van de menselijke aandriften of wanneer de goede wetten stelselmatig worden overtreden, gaat het mis. De ondergang van het Romeinse rijk was volgens Montesquieu het gevolg van excessieve weelde van de elite en wat we tegenwoordig imperial overstretch noemen.

Wanneer Montesquieu zo de nadruk legt op de vele factoren die van invloed zijn op een politiek bestel, waarbij zaken als het klimaat en de geografische ligging onveranderlijk zijn, is het begrijpelijk dat hij geen voorstander is van radicale omwentelingen en het toepassen van abstracte theorieën. Dit verklaart zijn conservatieve imago. Toch moet dit ook niet worden overdreven. Jonathan Israel wijst uiteraard op het feit dat Montesquieu in zijn boek duidelijk te kennen geeft van een democratie niet veel te verwachten en dat hij een monarchie in sommige opzichten beter vindt dan een republiek. Maar dat wil nog niet zeggen dat hij niets voelde voor een aristocratische republiek. In zijn boek is er één lichtend voorbeeld, waaraan hij ook het idee van de trias politica heeft ontleend, en dat is Engeland. Nu was dat officieel wel een monarchie, maar sinds de Glorious Revolution van 1688 was het de facto een republiek, waarin de macht vrijwel volledig in handen was van de maatschappelijke elite.

Uit alles wordt duidelijk dat Montesquieu de monarchie van zijn vaderland despotische trekjes toedichtte. Doordat het katholicisme in zijn boek wordt beschreven als een sociaal verschijnsel, en niet als een door God geopenbaarde waarheid, stak Montesquieu zijn nek toch al een heel stuk uit. Wanneer hij dan ook nog eens tegen de monarchie zou hebben gefulmineerd, was de kans groot geweest dat hem dit de kop had gekost. Bovendien geloofde hij in een gematigde politiek, in geleidelijke ontwikkelingen die uiteindelijk de werkelijkheid meer in overeenstemming met de rede zouden brengen.


Recensie door Rob Hartmans



Deze tekst verscheen in De Groene Amsterdammer van 30 november 2006

Montesquieu, Over de geest van de wetten, Vertaling en nawoord Jeanne Holierhoek, Boom, 888 blz., € 59,50 (na 27 februari 2007 € 64,50)

Links
mailto:egbert@liberales.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be