Montesquieu: Enigmatische observateur

boek

Kinneging, De Hert en Colette (red.)

In een eerste deel van het boek Montesquieu: Enigmatische observateur komt de trias politica aan bod, het onderscheid dus tussen de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Andreas Kinneging gaat uitgebreid en gedocumenteerd, aangevuld met voetnoten, in op de vernieuwende ideeŽn van de Verlichting en de radicale breuk met het verleden, om van daaruit te oordelen over het Verlichtingskarakter van het denken van Montesquieu. Hij beperkt zich niet tot het beschrijven en duiden van de verhouding van de staatsvorm tot de principes die eraan ten grondslag liggen, de staatkundige theorie van Montesquieu, maar haalt ook de toenmalige ontvangst van die idee aan, met de nodige achtergrondinformatie. Het is uiterst relevant om aandacht te hebben voor de eigenheid van de tijd waarin Montesquieu leefde om de historische ontwikkelingen beter te begrijpen. Uiteindelijk blijkt, op enkele mineure eigenschappen na, Montesquieu geen Verlichtingsdenker te zijn, maar een voorstander van een terugkeer tot het feodale systeem met een evenwicht der machten.

Jean-Marc Piret loodst de lezer in het kluwen van juridische en reŽle verhoudingen rond de absolutistische koning ten tijde van het late Ancien Rťgime om zodoende de betekenis van de kritiek op dat absolutisme vanwege Montesquieu in het juiste daglicht te stellen. Terwijl de geschriften van Montesquieu de parlementen inspireren in hun aanval op de macht van de absolutistische vorst, waarschuwt nu net deze politieke filosoof voor een eenzijdige overmacht van die parlementen, die men overigens geenszins met de huidige parlementen kan vergelijken. Montesquieu heeft bovendien niet in de eerste plaats de scheiding der machten op het oog, maar veeleer hun evenwicht, volgens het motto dat macht enkel door een tegenmacht in dwang kan worden gehouden. Dat komt vooral tot uiting wanneer hij het heeft over zijn eigen stand, de adel. Hij verdedigt haar geprivilegieerde positie, maar waarschuwt tegelijk voor excessen. Hij gaat voortdurend concreet in op situaties die de hoognodige en dynamische evenwichten kunnen verstoren, zodat te grove veralgemeningen van zijn politiek denken geen recht doen aan de zeer genuanceerde analyses. Tenslotte beklemtoont Montesquieu dat de vrijheid van de burgers afhankelijk is van veiligheid en rechtszekerheid, waarbij hij nog niet zo uitgebreid te werk gaat als Cesare Beccaria.

In tegenstelling tot Piret en Kinneging gaat Paul De Hert uit van een duidelijk categorische scheiding van de drie machten bij Montesquieu, maar als tegengewicht beklemtoont hij wel dat Montesquieu zowel voor scheiding als voor een zeker verwevenheid opteert, wat hem dan weer dichter brengt bij zijn coauteurs. Ook hij stelt de machtsverhoudingen centraal. Wat evenwel belangrijker is in dit artikel, is dat De Hert de ideeŽn van Montesquieu confronteert met die van Locke en met de kritiek van Althusser op Montesquieu. Het betreft het strafrecht en de vrijheid, dat door Montesquieu in functie van de naleving van de wet geÔnterpreteerd wordt en derhalve in functie van het strafrecht. Montesquieu zet een belangrijke stap in het strafrecht door de nadruk te leggen op echt schadeverwekkende feiten, een objectief criterium dat willekeur uitsluit. Het schadebeginsel is overigens niet enkel juridisch, maar ook ethisch een belangrijk begrip. Het drukt, volgens John Stuart Mill, de grens uit van de individuele vrijheid. De humanisering van het recht nam met Montesquieu een aanvang, want Beccaria, die een humaan strafrecht ontwikkelde, heeft hem grondig gelezen.

Montesquieu heeft het ook over een minder van hem gekend item, een soort Gas-boetes. Hij reserveert inderdaad de minder zware misdragingen voor de plaatselijke overheid en volledig los van het strafrecht. De magistraat krijgt een verregaande discretionaire bevoegdheid. De Hert doet een beroep op Benjamin Constant die daarop kritiek uitte. Sterker nog dan bij de vorige twee auteurs blijkt de conservatieve houding van de adellijke Montesquieu, vrijheidminnend naar de vorst en paternalistisch naar het gepeupel toe, maar tevens blijkt zijn vernieuwend humanisme dat inspirerend werkte.

Annelien de Dijn situeert een belangrijke ommekeer in de betekenis van het concept vrijheid bij Montesquieu. Terloops weerlegt zij, aan de hand van minder bekende geschriften, de opvatting dat Montesquieu, vanuit een verdediging van de feodale monarchie, wat hij uiteraard deed, en omdat hij het despotisme aanklaagde, tegelijk een bestrijder van de toenmalige monarchie zou geweest zijn. Zij weerlegt ook gestaafd, dat Montesquieu de uitvinder van de scheiding der machten zou zijn. Grof geschetst bestaat de betekenisverschuiving er in dat vrijheid niet langer gelijk gesteld wordt met zelfbestuur, maar met een veilig en zorgeloos genieten van het leven en van zijn bezittingen, derhalve kan vrijheid zowel in een republiek als in een monarchie gedijen. Het is machtsmisbruik dat een gevaar voor de vrijheid vormt. De Dijn legt ook uit waarom de scheiding der machten als vrijwaring van de vrijheid voor Montesquieu niet in strijd was met de monarchistische staatsvorm waar die scheiding niet aanwezig is. Daartoe kwam hij op voor een onafhankelijke rechtsmacht, een toestand die in Frankrijk een feit was, gezien de rechtspleging er in handen van het parlement lag. Vanuit deze en nog andere vaststellingen concludeert de Dijn dat Montesquieu een tegenstander was van de republiek.

De bijdrage van Maarten Colette draait rond Montesquieu en Jean-Jacques Rousseau, die in zijn geschriften herhaaldelijk naar de eerste verwijst. Hij confronteert beide auteurs en gaandeweg krijgt de lezer meer inzicht in zowel het politiek denken van Rousseau als van Montesquieu zoals de verhouding van individu tot gemeenschap. Terloops komt ook Hobbes aan bod. De titel van de bijdrage van Lukas van den Berge luidt: 'Montesquieu en marginale toetsing in het bestuursrecht'. Van den Berge confronteert de positie van het recht bij Montesquieu met dat van diverse auteurs die een organische opvatting hebben over de staat of een positivistische invulling aan het recht geven. Montesquieu is vaak eenzijdig geÔnterpreteerd en als boegbeeld verschenen van theorieŽn die er tenslotte sterk van afweken. Uiteindelijk blijkt zijn model van evenwicht tussen de machten het meest verantwoord. De analyse van van den Berge beweegt zich op een vertrouwd domein voor rechtsdeskundigen.

Deel twee van het boek draagt de titel Eros en Thanatos of, met andere woorden, de levens- en doodsdrift. De erotiek in het werk van Montesquieu is gekend uit zijn Lettres persanes en Le Temple de Gnide, maar Ringo Ossewaarde laat de lezer ook kennis maken met het erotisch aspect van zijn staatsleer. Hij beschrijft de maatschappelijke en intellectuele sfeer waarin Montesquieu als verfijnde renaissancefiguur zich beweegt en die diametraal staat tegenover de kille wereld van de Angelsaksische politicologen en de Hollandse, republikeinse handelaars. Het is duidelijk waar de voorkeur van Ossewaarde naar uitgaat, zodat een subjectieve dichotomie in diens waarderingen onvermijdelijk werd. Alexander Rose gaat op zoek naar de verborgen betekenissen in de Lettres persanes en ontdekt er onder meer een verscholen kritiek op aspecten van het bestaande monarchale bestel. De Lettres vormen als het ware een noodkreet van een aristocraat die de teloorgang van een traditie waarneemt. Eveneens in de Lettres persanes zoekt Paul Pelckmans naar de sporadisch aanwezige verwijzingen naar de dood. Erg vernieuwende ideeŽn ontdekt hij er niet, tenzij dan over de zelfdoding, die Montesquieu, in tegenstelling tot de heersende opvatting, niet negatief behandelt, zij het uiteraard in de mond gelegd van de personages.

Deel drie gaat over internationale betrekkingen en het klimaat als onafhankelijk variabele. Frederik Dhondt bespreekt de visie van Montesquieu op de ordening van het Europese continent. Daartoe situeert hij vooraf de filosoof in zijn tijd en behandelt hij het oorlogsrecht, het recht om te veroveren en de basis waarop staten zich tot elkaar verhouden. Het is een onderwerp dat nog steeds niet aan belang heeft ingeboet. Wanneer is een land gerechtigd een ander land aan te vallen? Geldt de wet van de sterkste? Leven we nog in een tijd waarin de vorst ongelimiteerd zijn rijk kon uitbreiden of was er toen ook reeds een rem op zijn ambities? Dat en nog meer vragen komen aan bod en zijn gesitueerd in een tijd waarin twee gezichtspunten tegenover elkaar stonden, namelijk het universeel theologische en het op natuurrecht steunende. Daartussen situeert zich de theorie van Montesquieu, dat weerom typisch aristocratisch is, maar niettemin elementen bevat die kunnen weerhouden worden en vaak van realisme en gezond (ik wou bijna zeggen boeren-) verstand getuigen.

In de internationale verhoudingen is de meest voor de hand liggende oplossing deze van de evenwichten, steunend op wisselende allianties, maar Montesquieu weet ook wel dat, na de regeling van de godsdiensttwisten, nog steeds de minste successietroebelen roet in het eten konden gooien. Eigenlijk beschrijft hij een bestaande historische toestand. Markant is alleszins dat Dhondt terloops abbť de Saint-Pierre vermeldt die voor een complete hertekening van de landkaart pleitte en voor een Europese senaat met min of meer gelijkwaardige gehelen. Montesquieu daarentegen is voor een geleidelijke economische integratie waarin oorlogen die de handel belemmeren uit den boze zijn. Dat zijn duidelijk Europese gedachten. Montesquieu heeft geen volkenrechttheorie ontwikkeld, maar in zijn geschriften is een morele bekommernis terug te vinden met internationale dimensie.

Patrick Stouthuysen behandelt Montesquieu als ťťn van de pioniers van de sociologie, met in het bijzonder aandacht voor diens klimaattheorie als verklarende factor van maatschappelijke verschillen. Stouthuysen stelt vast dat Montesquieu daarin een kind van zijn tijd was, maar ook dat zijn werk zowel deterministisch als steunend op vrijheid kan geÔnterpreteerd worden. De schijnbaar wanordelijke geschriften vormden een aanzet tot debat in de sociale wetenschappen. Michel Huysseune ordent een aantal concepten van Montesquieu rond het thema ItaliŽ. Hij vangt aan met de toenmalige opvattingen over dat land te schetsen om dan over te gaan tot de visie van Montesquieu en diens bijdrage tot ontwikkelingen in de sociologie. Montesquieu heeft, zoals gebruikelijk in de wereld van de toenmalige elite, een rondreis in Europa gemaakt met de onvermijdelijke etappes in ItaliŽ. Huysseune gaat daar uitgebreid en kritisch op in om dan de theoretische implicaties voor Montesquieu te bespreken. Het boek sluit af met een chronologie van het leven van Montesquieu.

De artikelen van dit boek bevatten ťťn voor ťťn waardevolle kritieken op heersende opvattingen over het denken van Montesquieu. De multidisciplinariteit, verzekerd door de onderscheiden experten die er aan meewerkten, maakt de beschrijving van het denken van Montesquieu uiterst gevarieerd, maar tegelijk komt de Franse aristocraat er, in het geheel genomen, als een consequent denker uit te voorschijn. Montesquieu schreef: 'Als het een goed boek is, dan zal het worden gelezen; en is het niet goed, dan kan het me niet schelen of het gelezen wordt.' Ik ben in elk geval tevreden dat ik dit boek over Montesquieu gelezen heb.


Recensie door Hendrik Vanmassenhove, Ph.D.

Kinneging, Andreas, Paul De Hert en Maarten Colette (red.), Montesquieu: Enigmatische observateur, Antwerpen, Uitgeverij Vrijdag, 2016, 355 p.

Links
mailto:hendrik.vanmassenhove@hotmail.com
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be