De geopolitiek van emotie

boek vrijdag 19 juni 2009

Dominique Moïsi

De wereld is het voorbije decennium enorm veranderd. Bijna tien jaar geleden leefden we nog in een periode van onbezorgd optimisme en hadden we de naïeve gedachte dat de 21ste eeuw een stuk beter zou worden dan de voorgaande. Denk even terug aan dat scharnierjaar 2000. De economie kende toen een enorme boost dankzij de technologieaandelen en de Nasdaq stond toen op 5048 punten (momenteel ongeveer 1500). Vladimir Poetin werd na (vermeende) democratische verkiezingen verkozen tot president van Rusland. In de Verenigde Staten zouden de verkiezingen uitdraaien op een overwinning van de voormalige vice-president Al Gore van wie verwacht werd dat hij de open politiek van Bill Clinton zou voortzetten. In Rabat (Marokko) namen meer dan een half miljoen mannen en vrouwen deel aan de Marche Mondiale des Femmes waarin ze aandrongen op mensenrechten, meer respect voor de vrouw, een democratisering van de samenleving en een verdraagzame islam. Tal van Oost- en Midden-Europese landen voerden in snel tempo democratische veranderingen door om aan te kunnen sluiten bij de Europese Unie. En bovenal leefde er het (valse) besef dat na de instorting van de Sovjet Unie de wereld veel veiliger was geworden.

De omslag gebeurde op 11 september 2001 toen enkele vliegtuigen insloegen op de meest uitgesproken symbolen van de Verenigde Staten, de Twin Towers van Wall Street en het Pentagon in Washington DC. Een vierde vliegtuig had het Capitool of het Witte Huis in de hoofdstad tot doel maar crashte in Shanksville na een opstand van de passagiers. De aanslag veroorzaakte een enorme schok. Hoop en optimisme maakten plaats voor angst, onzekerheid en pessimisme. Die angst nam (vooral in de westerse wereld) nog toe door de terreuraanslagen in Madrid en Londen, de uitzichtloze oorlog in Irak, de negatieve effecten van de globalisering, de opmars van goedkope loonlanden als China en India, het stijgend aantal delocaliseringen, de toenemende migratiegolven, de gevolgen van de multiculturele samenleving, het groeiende besef van de ecologische rampspoed, en recenter, de wereldwijde financiële en economische crisis. Talloze bedrijven gingen failliet en miljoenen werknemers verloren hun job. De gevolgen blijven dan ook niet uit. De roep om het ‘eigen volk eerst’ neemt overal toe. Zowat alle Europese regeringen nemen protectionistische maatregelen in de ijdele hoop daarmee hun eigen belangen te kunnen behartigen. De laatste Europese verkiezingen gaven vooral winst aan uitgesproken eurosceptische, conservatieve, populistische en nationalistische partijen. Veel mensen zien de toekomst somber tegemoet.

Toch moet dit beeld genuanceerd worden. In zijn boek Geopolitiek van emoties laat de Franse hoogleraar en commentator Dominique Moïsi zien hoe de diverse landen reageren op deze wereldwijde gebeurtenissen en waarom burgers van het ene continent een andere houding aannemen dan die van een ander continent. Hij heeft het daarbij niet over een botsing van culturen, religies of ideologieën, zoals anderen poneren, maar over een botsing van emoties. Zo onderscheidt hij grosso modo drie soorten reacties. Hoop en vertrouwen in de meeste Aziatische landen, met China en India als krachtigste voorlopers. Vernedering en wraakgevoelens in grote delen van de Arabische wereld. En angst en onzekerheid in Europa en de Verenigde Staten (alhoewel Moïsi met de verkiezing van Barack Obama in dat laatste land een ommekeer vaststelt). Hoop, angst en vernedering zijn krachtige emoties die elk op zich verbonden zijn met een ander element dat cruciaal is voor de verdere ontwikkeling en groei van landen, namelijk vertrouwen. De auteur, die als adviseur van het Franse Instituut voor Internationale Betrekkingen wereldwijd contacten heeft en tal van landen bezocht, wijst bijvoorbeeld op het gebrek aan zelfvertrouwen onder welgestelde elitestudenten in Marokko die de globalisering als een verloren wedstrijd zien, tegenover het ongelofelijke optimisme van de armen in het Indische Mumbai die diezelfde globalisering als een kans beschouwen.

Wat die verschillende emoties zo zichtbaar maakt is de moderne communicatie en transparantie waardoor ‘de arme mensen niet langer onbekend (zijn) met de wereld van de rijken, en de rijken hebben niet langer het voorrecht hun hoofd in het zand te steken’. Deze evolutie heeft onmiskenbaar een grote impact op gevoelens van mensen tegenover anderen. Maar in de kern draait het toch vooral om materiële welstand, waarbij de enen hopen op meer welvaart, de anderen angst hebben die te zullen verliezen, en de vernederden beseffen dat ze die welvaart nooit zullen bekomen en daarvoor de schuld op ‘de Ander’ steken. Dat deze emoties geen statische gegevens zijn, toont Moïsi aan met de verkiezing van Obama. Hij slaagde erin om de gevoelens van angst bij de Amerikanen om te buigen naar hoop. Het is evenwel maar een pril begin. In de Aziatische landen is hoop een drijvende kracht naar meer materiële vooruitgang. Moïsi wijst niet alleen op de economische opmars van China, maar ook op de vernieuwingen op het vlak van de cultuur, de mode en de architectuur. Chinezen vragen niet zozeer vrijheid van denken, maar wel betere huisvesting en de mogelijkheid om naar het buitenland te reizen. Ook India gaat erop vooruit. De absolute armoede raakt momenteel minder dan 10 procent van de bevolking (twee decennia geleden was dat nog een kwart van de totale bevolking), en de Indiase diaspora tonen zich steeds zelfverzekerder. India is samen met China een land waar hoop sterker is dan angst.

Tegenover de hoop van de belangrijkste Aziaten staat het gevoel van vernedering van de islamitische landen. Die emotie spruit in de eerste plaats uit ‘het gevoel dat je niet langer greep op je leven hebt’, aldus Moïsi. Het is alsof anderen verhinderen dat je zelf richting geeft aan je bestaan. Een dergelijk gevoel leidt ertoe dat men zich minderwaardig voelt, iets wat kan omslaan in frustratie, wanhoop, geweld en vernielingsdrang waarbij men op zoek gaat naar zondebokken. Een groot deel van de moslims betichten ‘de VS, Israël, de westerse wereld en meer in het algemeen zelfs “de” christenen en joden’ daarvan. Daarbij komt dat ze goed beseffen dat ze ooit een superieure positie hadden tegenover het Westen maar die in de loop van de geschiedenis kwijt speelden. Dat ‘gevoel van historische neergang’, zoals Moïsi het omschrijft, is nadien nog versterkt door het ‘westers imperialisme… en de onbeholpenheid van hun eigen leiders’. Vooral de oprichting van de staat Israël en het onvermogen van de Arabische landen om het te vernietigen, hebben bijgedragen tot het gevoel van vernedering. De Zesdaagse Oorlog in 1967 waarbij de gezamenlijke legers van Egypte, Syrië en Jordanië verpletterd werden, speelde daarin een dramatische rol. De gevolgen van die vernedering kwamen bijzonder pijnlijk naar de oppervlakte toen na de aanslagen van 11 september 2001 tal van moslims publiekelijk hun vreugde uitschreeuwden. En de grote steun van de Iraanse bevolking voor een eigen kernwapenprogramma is daar een ander voorbeeld van.

Nochtans zijn de moslims zelf de grootste slachtoffers van deze houding. Voor velen leidt dit gevoel van vernedering tot uitzichtloosheid en permanente armoede. Moïsi schrijft dit toe aan het zeer lage peil van investeringen in onderwijs en onderzoek, het schrijnend gebrek aan concurrentievermogen en het gebrek aan democratische vooruitgang. Wat is daar de oorzaak van? De emotie vernedering is hier mijn inziens onvoldoende antwoord op. Waarschijnlijk zit de Amerikaanse denker Fareed Zakaria er dichter bij met zijn stelling dat landen die beschikken over veel natuurlijke rijkdommen geneigd zijn tot autocratieën, denk aan de sjeikdommen aan de Perzische Golf, Nigeria en Venezuela. Die ‘gemakkelijk’ verkregen rijkdom belemmert immers politieke modernisering en economische groei. Hun regeringen hoeven zich niet bezig te houden met de moeilijke taak om wetten en instellingen te ontwikkelen. De snelst groeiende landen, zoals in Oost-Azië, beschikken nauwelijks over hulpbronnen. Zakaria trekt deze gedachtegang door naar de Afrikaanse landen die door gemakkelijk verworven geld (via buitenlandse hulp) in politiek opzicht onderontwikkeld blijven. Dat neemt niet weg dat bij het grootste deel van de bevolking dat niet geniet van deze natuurlijke rijkdommen of buitenlandse hulp, het gevoel van vernedering bijzonder groot moet zijn, en zelfs aangewakkerd door hun leiders die door het aanwijzen van zondebokken hun eigen falen proberen te verdoezelen.

Een andere belangrijke reden waarom de meeste islamitische landen achterop lopen, is hun misogyne houding. Vrouwen worden er niet als gelijkwaardig behandeld waardoor ze ook niet echt kunnen bijdragen tot welvaartscreatie. Het is een terechte vaststelling die al duidelijk werd gemaakt door John Stuart Mill in zijn boek De onderwerping van de vrouw uit 1869. ‘Vrije mededinging zal voor vrouwen de sterkste prikkel zijn om die dingen te doen, waaraan men het meeste behoefte heeft. En het is duidelijk dat men het meeste behoefte heeft aan de dingen die zij het beste kunnen, en door hen die taken toe te bedelen, kunnen de gezamenlijke vermogens van beide seksen worden ingezet met de grootste kans op een gunstig eindresultaat.’ Volgens Moïse zou de strijd voor vrouwenrechten binnen de islam ‘mettertijd een van de krachtigste van alle revoluties’ kunnen blijken. Het is alvast de voornaamste reden waarom we in het Westen pal achter de Verlichtingsidealen – in het bijzonder het principe van de gelijkwaardigheid van man en vrouw – moeten staan. De auteur nuanceert echter dat de situatie in diverse moslimlanden sterk verschillend is. Zo heeft hij het over boekenwinkels in Caïro met een provincialistisch aanbod tegenover die in Istanbul die bruisen van vitaliteit. En er zijn tal van moslims in het Westen die bijzonder creatief zijn op het vlak van de literatuur, film en theater, wat Moïsi tot het (te) optimistische besluit brengt dat ‘de Europese islam een rolmodel en een bron van hoop voor moslims overal ter wereld kunnen zijn’.

In het hoofdstuk ‘De cultuur van de angst’ heeft Moïsi het over het Westen. In groot contrast met de periode rond de val van de Berlijnse Muur, toen er heel wat hoop en optimisme bestond, is Europa vandaag een toonbeeld van angst geworden. Dat werd vooral geïllustreerd door het Franse, Nederlandse en Ierse neen tegen de Europese grondwet. Die afwijzing heeft grotendeels te maken met een identiteitscrisis die voortvloeit uit de zichtbare opmars van de islam. Wijlen Oriana Fallaci sprak zelfs over Eurabië. Vandaar ook de afwijzing bij grote delen van de Europese bevolking van Turkije als een potentiële lidstaat. Maar Moïsi wijst er terecht op dat ‘het voorgoed sluiten van de deuren van Europa voor Turkije (zou) neerkomen op het nemen van een groot historisch risico’. Het zou het meest seculiere moslimland in de armen van het islamisme stuwen. Eenzelfde angst was de voorbije acht jaar ook merkbaar aanwezig in de Verenigde Staten onder de regering Bush. In zijn strijd tegen Al Quada ging hij zelfs zover dat hij ‘eigen fundamentele waarden’ verraadde, zoals de opening van speciale gevangenissen en de goedkeuring van de Patriot Act. Ook de campagne van de republikeinse kandidaat John McCain was volkomen gericht ‘op het kweken en aanwakkeren van sociale, culturele en economische angst’. De auteur noemt de overwinning van Obama dan ook ‘een cruciaal keerpunt in de Amerikaanse geschiedenis’. Er bestaat opnieuw hoop in de VS. Dat neemt niet weg dat ook de nieuwe president in de strijd tegen de wereldwijde economische crisis net zoals de Europeanen vaak de weg van het protectionisme inslaat. Als een rode draad doorheen het boek hamert Moïse op de nefaste impact van nationalisme, protectionisme en het afsluiten van de grenzen voor immigranten. ‘Europa is gereduceerd tot een soort Magna Helvetica, een enorm Zwitserland, nog altijd vreedzaam en betrekkelijk welvarend, maar gespeend van vitale energie zeker nadat de grenzen zijn gesloten voor de broodnodige immigranten...’, aldus de auteur. Landen die dat doen zullen op termijn zichzelf beschadigen.

De indeling van de wereld in blokken van hoop, vernedering en angst die staan voor Azië, de Arabische wereld, en het Westen is natuurlijk te ongenuanceerd. Dat beseft de auteur ook wel, maar het klopt dat die emoties een sterke rol spelen. Neem bijvoorbeeld Rusland dat na 1989 plots zijn internationale status verloor en terechtkwam in een gevoel van vernedering. Poetin is er op een relatief korte tijd in geslaagd de Russen opnieuw trots en hoop te geven, zij het dat hij hiervoor zijn laars lapte aan de democratische spelregels en de mensenrechten. In Afrika dreigt de vernedering van de kolonisatie dan weer om te slaan in complete wanhoop. Moïsi is nog opvallend optimistisch over Rwanda, Botswana en Liberia, en schrijft dat er in Afrika economische hoop is, maar dat valt in het niets tegenover de ellende die veroorzaakt wordt door gebrek aan leiderschap, corruptie en geweld waaraan het continent bloot staat. Uit allerlei rapporten blijkt dat juist de derde wereldlanden de grootste slachtoffers zijn van de internationale economische crisis. En het klopt dat Afrika beschikt over enorme hoeveelheden grondstoffen, maar die worden door China en het Westen in snel tempo ontgonnen. En het zullen niet de Congolese mijnwerkers of Nigeriaanse boeren zijn die daarvan profiteren. Tenslotte is er nog Latijns Amerika waar emoties als angst en hoop elkaar snel afwisselen.

Moïsi sluit zijn boek af met twee mogelijke toekomstscenario’s. Eén waarin de angst het haalt en een tweede waarin de hoop de bovenhand krijgt. In het eerste scenario ziet hij de Europese Unie gewoon ten onder gaan. Europa zou dan verworden tot ‘een museum van zijn eigen verleden’. In China zou het nationalisme de kop opsteken, een nationalisme dat in het verleden alleen maar geweld en oorlog heeft meegebracht. En in de moslimwereld zou de antiwesterse haat dramatische gevolgen kunnen hebben. In het tweede scenario ziet hij de VS het voortouw nemen van een technologisch succesvol groen beleid dat zou zorgen voor miljoenen nieuwe jobs. Europa zou dan verder uitgroeien met de Balkanstaten en tegen 2025 met Turkije. Hij voorspelt ook politieke veranderingen met een eigen Europese president, een gezamenlijk defensie- en buitenlands beleid. En Latijns Amerika zou een analoge Unie vormen. De auteur is zich bewust dat de realiteit in het midden zal liggen, en dat angst en hoop voortdurend aanwezig zullen blijven. Wel stelt hij dat landen die in de toekomst nog een rol van belang willen spelen, veranderingen moeten aanvaarden en afstappen van de politiek van het status-quo. Voor het Westen betekent dit ook dat we onze waarden trouw moeten blijven, namelijk ‘ons uniek universalisme, ons diepgeworteld respect voor de rechtsstaat en onze zorg voor sociaal economisch evenwicht’.

Geopolitiek van emoties is een belangrijk boek. Moïsi toont overtuigend aan dat we meer oog moeten hebben voor de impact van emoties die zozeer mensen beheersen. Om zaken ten goede te keren gelooft hij vooral in kennis. Kennis, ook zelfkennis, is immers het beste wapen tegen onverdraagzaamheid en leidt tot begrip voor de Ander. Het is dé manier om angst en vernedering om te zetten in de zo noodzakelijke hoop en kracht om zaken ten goede te veranderen.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Dominique Moïsi, Geopolitiek van emoties, Nieuw Amsterdam, 2009

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be