The Making of Modern Liberalism

boek vrijdag 11 januari 2013

Alan Ryan

Wereldwijd zit het liberalisme in het defensief. Dat heeft grotendeel te maken met de financiële en economische crisis die volgens de meeste experten te maken heeft met een doorgeslagen deregulering, liberalisering en privatisering van allerlei activiteiten die zowat dertig jaar geleden nog in handen waren van de overheid. Vooral de bankencrisis legde een gevoelige zenuw open van het hedendaagse vrije marktdenken. De markt is – in tegenstelling tot wat heel wat zogenaamde neoliberalen en libertariërs geloofden en geloven – niet in staat om zichzelf te reguleren. Het is een ontnuchterende vaststelling, vooral voor sterke believers in een quasi absolute vrije markt zoals Alan Greenspan, de voormalige voorzitter van de Amerikaanse centrale bank. Pas na de bankencrisis van 2008 vielen de schellen van Greenspans ogen. Op 23 oktober van dat jaar verkondigde hij voor een commissie van het Huis van Afgevaardigden dat hij fout was geweest en dat hij zich vergist had in wat hij zelf ‘de utopische kracht van het neoliberalisme’ noemde.

Redenen genoeg dus om terug te keren naar de wortels van het liberalisme en de grondslagen ervan tegen een kritisch daglicht te houden. Dat is wat Alan Ryan, hoogleraar aan de universiteiten van Oxford en Princeton doet in zijn omstandige boek The Making of Modern Liberalism. Daarin gaat hij op zoek naar de basisideeën van het liberalisme vanaf de Verlichting tot onze hedendaagse tijd. In feite betreft het een bundeling van essays die de auteur de voorbije vier decennia schreef en waarin hij bijzonder grondig de teksten analyseert van vooraanstaande liberale denkers zoals Locke, Hume, Tocqueville, Mill, Dewey, Popper, Berlin, Hayek en Rawls. Opmerkelijk is dat hij ook aandacht besteedt aan Hobbes, Machiavelli en Russell die nochtans geen deel uitmaken van de traditionele liberale canon. Maar hij merkt scherp op hoe liberale denkers hun ideeën op een of andere manier hebben verwerkt in hun eigen denkwijzen. Opvallend is ook dat Spinoza, Paine en Gladstone niet aan bod komen in zijn overzicht terwijl die toch behoren tot de eerste pleitbezorgers van de vrijheid van geloof en meningsuiting en heel wat liberale denkers hebben geïnspireerd.

Alan Ryan wijst erop dat het begrip liberalisme veel ladingen dekt, in het bijzonder wanneer het gaat over de rol van de overheid en, in het bijzonder, over de sociale zekerheid. De overheid speelt alvast een rol in de ontwikkeling van het individu, en dat is een kernopdracht van het liberalisme. Daarmee botst Ryan met de zogenaamde neoliberalen en libertariërs die pleiten voor een minimale staat, voor een decriminalisering van prostitutie, drugsgebruik, huisjesmelkerij en ongebruikelijke seksueel gedrag – zoals met minderjarigen. Het zijn zaken die verdedigd worden door Robert Nozick en Walter Block maar die hebben volgens Alan Ryan niets te maken met de klassiek liberale ideeën van Locke, Smith en Mill. Hun gedachtengoed heeft inderdaad niets te maken met mensen die het liberalisme misbruiken om de absolute vrijheid te promoten en praktijken goedpraten die in feite moreel verwerpelijk zijn. Want klassieke liberalen keerden zich in min of meerdere mate tegen elke vorm van een ‘onverdiende’ voorsprong van de ene mens tegenover een andere. In die zin kwamen ze als eersten in het geweer tegen het (erfelijk) absolutisme. Zo kunnen ware liberalen enkel republikeinen zijn.

Want ondanks elke pragmatische reden waarom een koning en zijn kinderen recht zouden hebben op de troon, blijft het principe dat elke mens – koningskind of niet – dezelfde mogelijkheden en rechten heeft. En om diezelfde reden kiezen liberalen onvoorwaardelijk voor de democratie als de minst slechte bestuursvorm. Toch waarschuwen liberale denkers voor de tirannie van de meerderheid. De rechten en vrijheden van elk mens zijn cruciaal en kunnen niet worden ingeperkt door een ‘meerderheid’. Het is een aspect dat veel staatsleiders, die beweren dat ze democratisch verkozen zijn, nog steeds niet begrepen hebben of niet willen begrijpen, denk aan Poetin, Kabilla en Chavez die er enkel op uit zijn hun machtspositie te bestendigen. En die hun burgers rozengeur en maneschijn voorhouden als ze de leiding blijven behouden. Cruciaal voor een liberale democratie is juist de onzekerheid voor de toekomst. Liberale leiders beloven geen vaste zekerheid. Dat doen conservatieven, socialisten en populisten wel want zij geloven dat hun remedies leiden tot een betere wereld. Liberalen doen dat niet omdat ze beseffen dat de toekomst voortdurend onderhevig is aan verandering en dat je die veranderingen niet kan tegenhouden. Het liberalisme is derhalve bijzonder kwetsbaar omdat het de meerderheid van de mensen geen vast perspectief kan bieden.

Een van de belangrijkste liberale filosofen, John Stuart Mill, was zich bewust van het gevaar van de tirannie van de meerderheid. In die zin geloofde hij sterk in de rol van de overheid om de rechten en vrijheden van het individu te beschermen. Hiermee spoorde hij met Kant die de soevereiniteit van het individu als uitgangspunt nam van zijn morele visie. Mill ging zeer ver in zijn verdediging van andersluidende meningen. Zelfs als één mens tegen alle anderen in een andere mening verdedigt, heeft hij het recht om die uit te drukken. Want die ene mening kan misschien veel meer waard zijn dan al die andere meningen. Dus mogen mensen denken en zeggen wat ze willen. De maatschappij mag pas tussenbeide komen wanneer iemand door zijn gedrag een ander schade toebrengt. Elkeen kan en mag dus zijn eigen leven leiden en zelf zijn gedrag bepalen zonder dwang van buitenaf voor zover hij daarmee geen enkele andere mens schaadt. Toch bepleitte Mill geen absolute vrijheid (van meningsuiting). De grens die hij trok was die van de schade die men zou berokkenen aan anderen (‘harm principle’). Dus zeg wat je wil, maar breng geen schade toe aan anderen.

Het schadebeginsel van Mill heeft veel discussie losgeweekt. Veel mensen aanvaarden het principe maar bekritiseren het als te onduidelijk, en derhalve als onpraktisch. Mijn visie is dat Mill geen andere mogelijkheid had om zijn schadebeginsel zo beknopt uit te leggen. Had hij elke vorm van schade willen beschrijven dan was een volledige encyclopedie niet voldoende geweest. Zo had hij natuurlijk ook geen rekening kunnen houden met nieuwe ontwikkelingen zoals onze moderne communicatiemedia. Iets wat vroeger als ‘schade’ werd beschouwd is dat vandaag niet meer en omgekeerd. Mill was er zich dus goed van bewust dat hij zijn schadebeginsel niet te concreet mocht beschrijven. Maar crucialer was zijn visie dat geen enkel individu schade mocht leiden onder een bepaald groepsrecht. Gedwongen huwelijken of verstotingen zijn binnen bepaalde groepen algemeen aanvaard, maar een individu kan het er niet mee eens zijn. Dat is geen eenvoudige positie, maar wel een liberale visie op het leven. Alan Ryan geeft het voorbeeld van Amish-ouders die weigeren hun kinderen naar school te sturen, maar het Hooggerechtshof veroordeelde hen, want de rechten van het kind gaan voor op die van de ouders, en zo hoort het ook.

Op die manier wordt de liberale ideologie klaar en duidelijk. Ja, we moeten mensen helpen om zoveel mogelijk onderwijs te volgen. En ja, dat zal ertoe leiden dat die kinderen later, eens ze volwassen zijn, bewuste keuzes kunnen maken. Het alternatief is immers vreselijk. In dat geval kiezen we ervoor om onze kinderen te indoctrineren en hen de keuzemogelijkheden te onthouden die er bestaan. “Het is een goede liberale praktijk om erop aan te dringen dat kinderen naar school gaan tot hun zestien jaar, hoe erg ouders dat ook vinden”, aldus Ryan. Opvoeding, opleiding en schoolonderricht zijn dus hefbomen naar meer vrijheid. De vrijheid voor elk individu om zijn of haar levensweg zelf te kiezen, en elke voorgekauwde ‘waarheid’ kritisch te mogen en te kunnen onderzoeken. In die zin is Popper nog steeds een na te volgen voorbeeld. Hij aanvaardde geen dogma’s maar volgde hypotheses die men nadien voortdurend aan de meest onbarmhartige kritiek moest onderwerpen.

Uiteindelijk komt Alan Ryan terecht bij John Rawls en zijn Theory of Justice. Waarschijnlijk is dit het meest invloedrijke filosofische boek van de 20ste eeuw. Rawls bood een antwoord aan al zijn tegenstanders, zowel conservatieven, socialisten, neomarxisten als neoliberalen en libertariërs. Omdat hij erin slaagde om op een rationele manier zijn visie op een rechtvaardige samenleving via de ‘sluier van onwetendheid’ (de ‘veil of ignorance’) duidelijk te maken en toe te passen. Hiermee verenigde Rawls de twee cruciale principes van het liberalisme: vrijheid en rechtvaardigheid. Mensen, aldus Rawls, hebben daarbij niet alleen politieke rechten, maar ook economische rechten tegen armoede en uitbuiting. Het huidige liberalisme staat volkomen in zijn traditie. En Alan Ryan heeft dat goed begrepen. Zijn boek is een ode aan die liberalen die opkomen voor een samengaan van die twee principes.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Alan Ryan, The Making of Modern Liberalism, Princeton University Press, 2012

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be