Over vrijheid

boek vrijdag 24 oktober 2003

John Stuart Mill

John Stuart Mill schreef zijn klassieker On Liberty dan wel in 1859, maar dit boek blijft nog altijd zijn waarde behouden. Het bevat het overgrote deel van de liberale beginselen en bovendien worden die op een zeer heldere en vooral vurige wijze verwoord. John Stuart Mill toont er zich een groot verdediger van de vrije meningsuiting en individualiteit in en bespreekt hoever de staatsmacht mag ingrijpen in het leven van de mens.

In het eerste deel verdedigt John Stuart Mill ‘de vrijheid van denken en spreken’. Die zijn volgens hem noodzakelijk voor het geestelijk welzijn (en daardoor ook voor elk ander welzijn) van de mensheid om een viertal redenen. Ten eerste kan een onderdrukte mening toch de waarheid zijn, wat een rem zou betekenen op de menselijke ontwikkeling. Ten tweede kan een onderdrukte mening, zelfs al is zij niet waar, toch een stuk waarheid bevatten, terwijl een niet onderdrukte mening, die wel waar is, ook een stuk onwaarheid kan bevatten. De echte waarheid kan dan enkel naar voor komen door met beide meningen rekening te houden. Ten derde zal men de waarheid als die niet bestreden wordt door dissidente meningen enkel aanvaarden als een gegeven, zonder enig begrip of gevoel voor de diepere rationele gronden onder die waarheid. Ten vierde zal men uiteindelijk, om dezelfde redenen, de kracht van een bepaalde mening niet meer voelen indien die niet gecontesteerd wordt.

Dit pleidooi voor de vrije meningsuiting lijkt ondertussen overbodig, althans in de westerse wereld, aangezien dit recht in elke grondwet opgenomen is. Maar toch. In de meeste gevallen wordt het gerespecteerd, maar wanneer het om de bestrijding van extreem-rechts gaat, verandert dat. Dan zijn voor sommigen plots alle middelen toegestaan, tot het verbieden van partijen of andere organisaties en het tegenwerken van debatten toe. Daardoor loopt men inderdaad, zoals John Stuart Mill zegt, het risico dat de democratische mening niet meer gewaardeerd wordt om haar kracht. Bovendien komt men zo terecht in een situatie waar uiteindelijk maar één bepaalde mening meer getolereerd wordt. Dat is zeker zo wanneer men iedereen die niet meestapt in het zogenaamde politiek correcte denken zomaar in de hoek van extreem-rechts begint te duwen en dus ook als verfoeilijk begint te bestempelen.

In het tweede deel van On Liberty heeft John Stuart Mill het ‘over individualiteit als een der grondbeginselen van het welzijn’. Elke mens moet zelf zijn eigen leven kunnen invullen. Wie zijn eigen levenswandel niet kiest, maar zich enkel laat leiden door zijn omgeving stijgt niet uit “boven het niveau van een aap die zich beperkt tot imitatie”. Wie dat echter wel doet, maakt gebruik van al zijn of haar vermogens, van al zijn of haar talenten en brengt die tot een hoger niveau doordat zij constant geoefend worden. De erkenning van die individualiteit is noodzakelijk omdat voor elke persoon een andere invulling van het leven bevredigend is en omdat men zonder die individualiteit tot een maatschappij van de middelmaat zou afzakken, waarbij elke verdere ontwikkeling onmogelijk wordt.

In het derde deel komt het belangrijkste punt van John Stuart Mill’s betoog. Daarin heeft hij het namelijk ‘over de grenzen van het gezag van de maatschappij over het individu’. Zijn stelling is verbazend eenvoudig en tegelijkertijd ongelooflijk krachtig. De maatschappij mag pas tussenbeide komen wanneer iemand door zijn gedrag een ander schade toebrengt. Elkeen kan en mag dus zijn eigen leven leiden en volledig zelf zijn gedrag bepalen zonder dwang van buitenuit zolang hij daarmee enkel zichzelf schaadt. Dat neemt niet weg dat men die persoon goede raad mag geven en hem proberen te overtuigen iets anders te doen, maar men mag hem niet dwingen. Men mag ook negatieve gevoelens tegenover die persoon hebben en die persoon zelfs mijden, want dat behoort dan weer tot de vrijheid van die ander om zelf zijn eigen gang te gaan. Dat alles mag volgens John Stuart Mill, zolang men maar de vrijheid van beslissing intact laat. Voor deze stelling steunt hij op het feit dat niemand beter kan weten wat goed is voor een individu, dan de persoon zelf, vooral omdat de preferenties van dat individu anders kunnen zijn dan die van de meerderheid binnen een maatschappij.

John Stuart Mill heeft ook wel een aantal algemene beschouwingen over wat een mens met zijn leven moet doen. Een mens zou zijn of haar vermogens ten volle moeten benutten, moeten proberen zijn eigen welzijn te verhogen, net zoals dat van de maatschappij, zich in de maatschappij inpassen, enz. De mens moet dat echter voor zichzelf beslissen en mag daar niet toe gedwongen worden door de maatschappij.

Alles verandert natuurlijk wanneer een persoon iemand anders schade toebrengt of dat dreigt te doen. Dan mag men hem of haar daarvoor straffen of tegenhouden. Door zijn of haar handelingen dreigt dan immers een ander zijn vrijheid beperkt te worden.

Het laatste deel bevat dan een aantal toepassingen van de regel die hij in het vorige hoofdstuk vooropgesteld heeft. Daarin pleit hij onder andere voor de leerplicht. De ouders moeten verplicht worden om hun kinderen onderwijs te laten volgen, opdat hun kinderen gewapend zouden zijn om later ten volle hun eigen leven te kunnen leven. Daar kan de vrijheid van de ouders ingeperkt worden, omdat zij beslissen in naam van hun kind en dit dus schade zouden kunnen toebrengen door het geen onderwijs te laten volgen. Hij pleit ook voor de vrijheid van onderwijs omdat het gezien zijn opvattingen over de vrijheid van denken en spreken en over individualiteit ook noodzakelijk is dat er verschillende vormen van onderwijs zijn, maar dan wel met een vastgelegd minimumprogramma.

John Stuart Mill heeft het ook een aantal keer over de vrijhandel, maar gaat er niet dieper op in omdat die op andere gronden dan de vrijheid gestoeld zou zijn. Daar ziet hij volgens mij iets over het hoofd. Vrijhandel moet inderdaad op basis van een aantal andere zaken verdedigd worden, maar ook op basis van de vrijheid. Die vrijhandel is immers noodzakelijk om dat eigen individuele leven te kunnen leiden. Men moet immers zelf kunnen kiezen wat men koopt en wat men doet om in zijn levensonderhoud te voorzien. Daarvoor is slechts één systeem geschikt en dat is net de vrije markt. Impliciet brengt hij dat ook zelf wel min of meer aan in het volgende voorbeeld.

Een toepassing waar hij dieper op ingaat is de handel van sterke drank. Die moet volgens hem toegelaten worden omdat de koper anders geremd wordt in de mogelijkheid om over zijn eigen leven te beslissen en over te gaan tot de consumptie van sterke drank. De verkoop kan bv. wel beperkt worden wanneer bewezen is dat een bepaald persoon telkens die gedronken heeft anderen schade toebrengt. Dan kan verboden worden om nog aan die persoon te verkopen. Momenteel is er nog weinig discussie over de verkoop van drank, maar dezelfde discussie kan gevoerd worden over de verkoop van drugs. Vanuit het principe dat elkeen baas is over zijn eigen lichaam moet iedereen van de vrijheid kunnen genieten om drugs te gebruiken. Datzelfde recht op die vrijheid vereist dan ook dat de verkoop van drugs toegelaten moet zijn. Men zou zich kunnen afvragen hoe velen die zich liberaal noemen dan tot een compleet tegengesteld drugsstandpunt komen.

Nog moeilijker wordt het wanneer splinterpartijen die zichzelf liberaal noemen, bovenop strenge drugsstandpunten, ook nog eens zaken als ‘burgerlijk fatsoen’ en normen en waarden over wat volgens hun ‘een deugdelijk leven’ zou zijn als kernpunt van hun programma naar voor schuiven en daarbij nog eens pleiten voor maatschappelijke controle over hoe individuen hun leven invullen. Wie John Stuart Mill’s On Liberty leest, kan niet anders dan tot de conclusie komen dat op die partijtjes de benaming ‘liberaal’ niet van toepassing kan zijn.


Recensie: Jules van Rie

John Stuart Mill, Over vrijheid, Uitgeverij Boom, 2002

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be