Vlaamse migranten in WalloniŽ

boek

Idesbald Goddeeris en Roeland Hermans

Van januari tot april 2013 loopt in Le Bois du Cazier in Marcinelle een tentoonstelling genaamd Vlamigrant, over de Vlamingen die hun armoede wilden ontvluchten en gingen werken in de Waalse mijnen en fabrieken en ook elders in de wereld, vooral tussen ca. 1845 en 2000. De mijnwerkers van Le Bois du Cazier waren voor een deel Vlaamse pendelaars, die dagelijks op en neer reisden. Na de Tweede Wereldoorlog voelden de Waalse arbeiders zich niet meer geroepen om in de mijnen af te dalen. Eerste Minister Achille Van Acker organiseerde dan zijn ĎKolenslagí, die tussen 1946 en 1956 vooral succes kende in het arme Zuid-ItaliŽ en in arme Vlaamse dorpen. Bij de 262 doden van de mijnramp van Marcinelle (1956) waren er trouwens 136 Italianen en 33 Vlamingen.

De Vlaamse migratie was toen al wel een eeuw aan de gang. Vanaf ca. 1845 zijn nl. honderdduizenden Vlamingen weggetrokken naar o.a. WalloniŽ, waar tot 1965 meer welvaart was. Ze kwamen uit alle Vlaamse provincies. Limburgers en inwoners van de Zuiderkempen en het Hageland trokken vooral naar de Luikse mijnen en staalfabrieken, in mindere mate ook naar de mijnen rondom Charleroi, West-Vlamingen trokken naar Henegouwen, als seizoenarbeider naar Frankrijk en als landbouwer naar Namen en Luxemburg. Verder emigreerden nog tienduizenden naar Amerika, Canada, Congo en elders. In het verleden was de interesse voor deze migranten eerder beperkt. Gaston Durnez schreef er artikelenreeksen over in De Standaard van 1954 en 1958, Guido Fonteyn eveneens in 1996-1997 en ook een paar boeken zoals Rue des Flamands in 1997, Boerenpsalm. Vlaamse boeren in WalloniŽ in 2006. Nog een andere journalist, Pascal Verbeken, schreef in 2007 Arm WalloniŽ, over het verval van WalloniŽ en de Vlaamse aanwezigheid daar. Hij maakte er ook een Tv-documentaire over.

De proefschriften die aan de universiteiten werden geschreven, kregen helaas onvoldoende aandacht. Maar globaal gezien, hebben vooral onze historici te weinig aandacht gehad voor dat Vlaamse verleden in WalloniŽ. Nu wil men dat goedmaken met dit boek, of beter gezegd, deze bundel. Want het is een verzameling artikels van uiteenlopende specialisten, ook Franstaligen. Ieder schrijft over zijn vakgebied zoals over het algemeen kader en de internationale context van de migratiebewegingen, industrie, landbouw, beeldvorming van de Vlaamse nieuwkomers in WalloniŽ en in Frankrijk, de bezorgdheid van de katholieke kerk, de houding van de Vlaams nationalisten, enzovoort. De auteurs onderscheiden drie soorten Vlamingen: (a) zij die definitief in WalloniŽ gingen wonen; (b) anderen die er telkens een week logeerden, maar in ít weekend thuis waren; (c) de groep die dagelijks uren pendelde en elke avond terug naar huis kwam.

Frank Caestecker geeft in zijn historisch overzicht vooral een beeld van de complexiteit van het fenomeen. Het vestigingsgedrag werd door de aanleg van spoorwegen steeds meer vervangen door pendelverkeer; de mislukte oogsten van de jaren 1840 wogen minder zwaar dan de landbouwcrisis van de jaren 1870, toen Europa overspoeld werd door goedkoop Amerikaans graan; de tweede industriŽle revolutie rond 1890 en de crisis van de jaren í30 speelden ook een rol. Opmerkelijk is ook dat de pendelaars hun arbeid in WalloniŽ combineerden met kleinschalige landbouw thuis. En de Vlamingen die ginds gingen wonen, lieten hun kinderaantal dalen naar het niveau van de Waalse arbeiders. Er zit ook een detailstudie bij over de migratie uit Zele naar Gilly, dat de naam Klein Zele kreeg, omdat zoveel inwoners uit die Oost-Vlaamse gemeente daar waren gaan wonen.

De Vlaamse boeren in WalloniŽ waren veel minder talrijk dan de arbeiders. Ongveer 10.000 tegenover enkele honderdduizenden. Ze zijn vooral interessant, omdat ze voorheen nauwelijks onderzocht werden. Ze kwamen vooral uit Oost- en nog meer uit West-Vlaanderen. Hun aanpassing verliep moeizaam, o.a. omdat de bodem en de teelten er anders waren dan hier. Er was ook enige jaloersheid van de Waalse boeren. De wallingantische beweging Wallonie libre verspreidde pamfletten die de Waalse boeren opjutte tegen de Vlaamse en tegen Le Boerenbond. Ze kwamen vooral na 1945, maar vůůr 1900 had een eerste groep Vlaamse landbouwers hun hoeve ingeruild voor een Waalse hofstede. Precieze aantallen ontbreken, maar een Doorniks citaat uit 1903 stelt: ďBijna alle pachthoeven, welke in de tien laatste jaren te huur werden gesteld, werden door Vlamingen betrokken, welke meest tot de begoede Vlaamse landbouwersstand behorenĒ.

De eerste migratiegolf vond dus plaats op het einde van de 19de eeuw. De oorzaak was misschien de agrarische depressie van de jaren 1880-1895. Soms volgden Vlamingen Waalse boeren op, die naar Canada waren getrokken. De Eerste Wereldoorlog zorgde voor een onderbreking van de migratie. Na deze oorlog zagen vele West-Vlamingen een terugkeer naar hun kapotgeschoten hoeve niet meer zitten. Velen trokken naar Frankrijk, waar de koop- en huurprijzen van de gronden veel lager waren en het tekort aan boeren hoog was. Rond 1940 waren er ruim 40.000 naar Frankrijk geŽmigreerd. Een tweede kleinschalige migratiegolf naar WalloniŽ vond plaats in de jaren í30. De crisis ontmoedigde een aantal boeren, veel Waalse boeren vonden moeilijk een opvolger, waardoor talrijke boerderijen leeg kwamen te staan. De Waalse pers had scherpe kritiek op de Ďkolonisatie van WalloniŽ door Vlamingení en op de katholieke en Vlaamsgezinde Boerenbond, die goedkope leningen verstrekte. Ze had geen woorden van lof voor de productieverhoging die dank zij de Vlamingen plaats vond op de Waalse boerderijen. De omvangrijkste golf zette zich door na de Tweede Wereldoorlog. Opnieuw zijn er geen exacte cijfers beschikbaar, maar in 1960 werden ongeveer 2.000 hoeven uitgebaat door Vlamingen, wat neerkomt op ruim 10.000 personen.

Behalve boeren, trokken ook arbeiders naar Frankrijk voor mijnbouw rond Lens en voor de textielindustrie rond Rijsel en Roubaix. Ook daar waren Vlaamse wijken, zoals petit Audenaerde in Wattrelos bij Roubaix. In Rijsel waren straten waar men enkel Vlaams sprak. Roubaix groeide in de 19de eeuw van 8.000 naar 120.000 inwoners, van wie de helft Belgen waren. Zelfs Parijs telde rond 1900 bijna 30.000 Belgen, met name veel huispersoneel in dienst van rijke Parijzenaren. De herkomst van de migranten was anders dan in WalloniŽ. Ze kwamen vooral uit West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en Henegouwen. Ongeveer ťťn vijfde waren Walen. Inwoners van de andere provincies trokken veel minder naar Frankrijk. De Vlamingen bouwden er ook een verenigingsleven op, hun Cercles de Flamands, zij het met minder steun vanuit Vlaanderen.

Een andere bestemming was Canada: enkele tienduizenden Belgen trokken naar dat land, vooral tussen 1890 en 1920 en nog meer tussen 1950 en 1960. Hier waren de Walen in de meerderheid en hun bestemming was meestal het Franstalige Quťbec. De Canadese overheid stuurde propagandisten naar BelgiŽ en maakte ook reclame op wereldtentoonstellingen. Hier speelden zich geen integratieproblemen af. De Vlamingen hadden lange tijd een eigen krantje, de Gazette van Moline, die in de jaren í40 fuseerde met de Gazette van Detroit in de VSA, waar ook veel Belgen naartoe getrokken waren. Onder hen ook 10.000 Walen, die na de hongersnood van 1847-1848 vooral uit Waals-Brabant naar Wisconsin en andere staten bij de Grote Meren uitgeweken waren. Hun plaatsen werden ingevuld door Vlaamse boeren, die naar Waals-Brabant, Namen en Luxemburg trokken.

Rusland was ook een aantrekkingspool: rond 1880-1914 vestigden zich daar en in het huidige OekraÔne 150 Belgische bedrijven en ca. 20.000 Belgen. Die Belgische bedrijven waren rond 1900 de grootste buitenlandse investeerders in de Russische mijnbouw, metaalnijverheid, openbare werken en de aanleg van tram- en spoorwegen. Ze namen Belgische arbeiders mee, omdat die productiever waren dan de Russische. Ze integreerden niet en keerden terug tijdens de Eerste Wereldoorlog en de Oktoberrevolutie van 1917. Zoals bekend, zijn al die investeringen genationaliseerd en nooit vergoed.

Een bijzonder goede bijdrage is die van de Waal Yves Quairiaux, auteur van Lí Image du Flamand en Wallonie. Hij ontkracht het beeld van de Vlamingen als brutale en gevaarlijke vechtersbazen. Het kwam van Waalse kranten en ook van Ernest Claes. Guido Fonteyn nam het over, Pascal Verbeken nog meer. Deze voegde er moraliserend aan toe dat de Vlamingen toen waren zoals ontwortelde Marokkanen en Turken nu en dat de Vlamingen zich dus niet tegen hen moeten keren. Quairiaux toont aan dat de Vlamingen niet oververtegenwoordigd waren in de misdaadstatistieken (wat bij de Marokkanen en bepaalde groepen Oost-Europeanen nu wel het geval is). Boeiend is zijn portrettering van de Vlamingen: tweederangs arbeiders die knoeiwerk leverden (travail di flamind), groot, roodharig, lelijk, op klompen, gekleed zoals boerkes, gulzige eters van roggebrood, spek, aardappelen, met onverstaanbare dialecten.

Het Waalse toneel en de Waalse liedjes zaten vol met prototypes: Vlaamse zatlappen, vechters, kerels die relaties hadden met de bazin of de dochter van hun logement en die soms twee gezinnen onderhielden : ťťn in Vlaanderen en ťťn in WalloniŽ. Walen beschouwden de Vlamingen ook als stakingsbrekers en handlangers van de patroons. Dit hadden ze gemeen met de katholieke Walen, die ook heel weinig staakten. Sommigen concludeerden zelfs dat de karakters van Walen en Vlamingen onverenigbaar waren. De auteurs hebben ook kritiek op het te grote engagement van hun voorgangers: bij Gaston Durnez woog het engagement zwaar door, Guido Fonteyn verweet politici van het trotse Vlaanderen dat ze hun arme verleden verdrongen hebben, Pascal Verbeken hangt een te mooi beeld op van WalloniŽ.

De kerk en het verenigingsleven zijn twee telkens terugkomende themaís. Om te voorkomen dat de Vlamingen Ďde zedeloosheid van het socialismeí zouden overnemen, bouwde de kerk via de Minderbroeders een netwerk uit dat vooral succes kende tijdens het Interbellum. Dat Werk der Vlamingen beoogde dat de Vlamingen Vlaams en katholiek bleven en hun kinderen ook Nederlands aanleerden. Ze probeerden dat te bereiken met een tijdschrift, congressen, culturele activiteiten, bedevaarten, vormingssessies, toneel, zowel voor de gezelligheid als om de Vlaamse taal en identiteit te behouden. In de agrarische gebieden bleven ze het langst katholiek, in het industriebekken van Samber en Maas werden ze het snelst socialist en ongelovig. Verzet tegen het Werk der Vlamingen kwam er van de Waalse socialisten, liberalen en wallinganten, niet van de katholieke Walen. De Waalse socialisten hadden trouwens weinig interesse voor de Vlaamse migranten: ze zouden wel vanzelf seculariseren, verfransen en lid worden van hun vakbond. De christelijke vakbond bekommerde zich meer om hen.

Het Vlaamse verenigingsleven was vooral letterkundig. Het werd gestimuleerd door Vlaamse seminaristen, studenten en leraren, die voor enkele jaren in WalloniŽ kwamen wonen. Het katholieke Davidsfonds stichtte al in 1875 afdelingen in WalloniŽ. Deze verenigingen hadden weinig leden, maar veel projecten, zoals de versterking van het Vlaams bewustzijn en de uitbouw van Vlaamse Ďkoloniesí in WalloniŽ. Die Vlaamse eilandjes lagen mede aan de basis van de Franstalige eis voor een eentalig WalloniŽ (en een tweetalig Vlaanderen). In de jaren 1930 keurden enkele taalwetten de eentaligheid goed van zowel Vlaanderen als WalloniŽ. De Vlamingen mochten hun hoop op Nederlandstalig onderwijs en taalfaciliteiten opbergen.


Recensie door Jef Abbeel

Idesbald Goddeeris en Roeland Hermans, Vlaamse migranten in WalloniŽ, 1850-2000, Uitgeverij Lannoo Campus, Leuven, 2011.

Links
mailto:jef.abbeel@skynet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be