Welke kerk? Vandaag en morgen

boek vrijdag 14 oktober 2011

Jürgen Mettepenningen

Sinds het einde van het pontificaat van Johannes Paulus II en nu onder Benedictus XVI wordt de katholieke overspoeld met klachten van seksueel misbruik van kinderen door geestelijken. “Al geruime tijd tekent zich een grote crisis in de katholieke kerk af.(…) Zoals gewoonlijk probeerde Rome die voorvallen eerst te negeren en dan als op zichzelf staande gevallen te bagatelliseren. Uiteindelijk beweerde men in een soort verblinding dat de oorzaken van die verschrikkelijke wandaden niet in het kerkelijke systeem moesten worden gezocht, maar in de moderne samenleving.” Die woorden komen niet van een of andere atheïst of papenvreter, maar van de Zwitserse theoloog Hans Küng die zijn kritiek op het Vaticaan al lang niet meer onder stoelen of banken steekt. De kerkelijke hiërarchie, met aan het hoofd de paus zelf, voert een doofpotpolitiek rond deze seksuele misbruiken die in 2010 ook in ons land aan het licht kwamen. Toen biechtte bisschop Vangheluwe op dat hij al jaren een van zijn neefjes had misbruikt. Zelfs kardinaal Danneels bleek op de hoogte te zijn en gepoogd had het slachtoffer verder te doen zwijgen. Hierna volgde een vloed van onthullingen en klachten van gewezen slachtoffers die gebundeld werden in het rapport van de Commissie Adriaensens

Terwijl een storm van verontwaardiging door het land trok, reageerde André Leonard, de nieuwe aartsbisschop van België, heel onhandig. Hij ontbeerde elke vorm van empathie voor de slachtoffers van het seksueel misbruik, weigerde enige vorm van schuldbekentenis af te leggen, en deed bijzonder pijnlijke uitspraken ten aanzien van Aids-zieken en homoseksuelen. Zijn woordvoerder was de toen 35-jarige Jürgen Mettepenningen, doctor in de theologie en docent aan de faculteit Godsgeleerdheid aan de KULeuven, die greep trachtte te krijgen op de ongecontroleerde en vaak beschamende communicatiemomenten van de aartsbisschop. Toen hij besefte dat dit niet zou lukken, nam hij een moeilijke maar moedige beslissing: hij diende zijn ontslag in en maakte ook heel duidelijk waarom. Het leverde Mettepenningen heel wat terechte waardering op. Eindelijk bleek een persoon, die dicht bij de top van kerkelijke hiërarchie in ons land stond, te beseffen hoezeer de aartsbisschop de kerk beschadigde. Maar als overtuigde katholiek die zijn geloof en de kerk te belangrijk vind om het over te laten aan onverschillige kerkleiders, schreef hij ook een opvallend boekje onder de titel Welke Kerk? Vandaag en morgen. Het resultaat is een doorleefd en geëngageerd essay waarin de auteur op zoek gaat naar de essentiële taak van de kerk. Daarmee stapt hij in de voetsporen van Hans Küng die trouwens het voorwoord schreef.

Mettepenningen maakt van in het begin duidelijk wat zijn positie is. Hij weigert met zijn actie door te gaan als een soort progressieve christelijke beeldenstormer. We moeten bewaren wat goed is en hervormen wat hervormd moet worden, zo schrijft hij. En of Léonard dat kan en zal doen blijkt weinig waarschijnlijk als je zijn ervaringen met de aartsbisschop leest. Die lijkt ‘de impact van zijn woorden en zijn positie niet te begrijpen’. Intussen lopen de aanvragen van mensen om zich te laten ‘ontdopen’ massaal binnen. ‘Het drama van de kerk’, aldus de auteur, is dat ze ‘niet meer relevant wordt geacht als meerwaarde van het leven’. Deze ene zin zegt eigenlijk alles. In de praktijk zijn er immers steeds minder gelovigen die pratikeren, die naar de zondagse mis gaan, hun kinderen laten dopen, kerkelijk huwen en vragen naar de laatste sacramenten. Dat wordt nog duidelijker als men kijkt naar het aantal ‘roepingen’ van nieuwe priesters. De auteur wijdt dit aan de trend naar meer individualisering waarbij mensen meer op zichzelf terugplooien met eenzaamheid, de drang om te ontsnappen aan de ratrace van het leven en het toenemende aantal zelfmoorden. Hiermee maakt hij een veel gemaakte denkfout, namelijk door individualisering gelijk te stellen aan egoïstische onverschilligheid, maar dat klopt niet. Individualisering is de toename van het recht op zelfbeschikking, het recht om zelf iets van je leven te maken zonder dat iemand in jouw plaats beslist.

Juister lijkt me zijn analyse dat de kerk na het Tweede Vaticaans Concilie opnieuw de weg van de conservatieve restauratie is ingeslagen en zich op die manier vervreemd heeft van de samenleving, een koerswijziging die door Hans Küng al meermaals is bekritiseerd. Denk aan het kortwieken door Johannes Paulus II van de bevrijdingstheologen, zijn verzet tegen het gebruik van voorbehoedsmiddelen in Afrika waardoor het aantal HIV-besmettingen razendsnel toeneemt, en de hardnekkige pogingen van Benedictus XVI om het duistere Pius X-genootschap terug in de moederkerk te krijgen. Dat genootschap is niet alleen een bolwerk van oerconservatieve geestelijken, maar ook van Holocaustontkenners en regelrechte antisemieten. In die zin is het ook niet toevallig dat de huidige paus positief spreekt over de Tridentijnse ritus, de eeuwenoude traditie waarbij de priesters met de rug naar het publiek stonden en de mis in het Latijn hielden, en niet in de volkstaal. Neem daarbij de vloed schandalen rond seksueel misbruik van kinderen, terwijl de paus en zijn bisschoppen blijven zwaaien met strenge morele standaarden die volkomen uit de tijd zijn – denk aan haar verzet tegen homoseksualiteit en seks buiten het huwelijk – en we kunnen beter begrijpen waarom de kerk niet meer wordt ervaren als ‘een meerwaarde van het leven’.

De auteur erkent dit ook allemaal. In zijn definiëring wat de kerk nu juist is wijst hij op de beeldvorming van de kerk als ‘machtsapparaat’, als ‘ethische zeurkous’, en als ‘een immens museum’. Het is voor hem ook een ‘spirituele ruimte’ en een ‘actualiteitskerk’. Hij beseft als gewezen woordvoerder ook heel juist hoezeer de kerk door buitenstaanders gereduceerd wordt tot haar leiders, iets wat door haar strenge hiërarchie alleen maar versterkt wordt; Wat Mettepenningen mist is het beeld van de kerk als een plaats van geloof. “De kerk is de gemeenschap van Christusgelovigen die wil vieren wat Jezus heeft opgedragen te vieren (zijn gedachtenis), die wil doen wat Jezus heeft opgedragen te doen (‘doet gij evenzo’) en die wil vertellen wat Jezus heeft opgedragen te vertellen (‘gaat en verkondigt’)”, zo vat de auteur het gebald samen. Hij noemt het dan ook een enorme paradox dat binnen de kerk ‘nog altijd veel mensen bezig (zijn) met het eigen imago’ en niet met de boodschap van Jezus. Als kritiek op de grote en kleine potentaten binnen de kerk – lees het boek Vurige tong van Ann De Craemer over de kleine lokale katholieke machthebbers – kan dit tellen.

Voor Mettepenningen staat het geloof centraal. ‘De Bijbel is vertolking en getuigenis van Gods wil om met mensen in contact te treden, hen lief te hebben en door hen geliefd te worden’, zo schrijft hij. Dat klinkt mooi maar daar staan tal van passages tegenover die eerder mensonterend zijn. In het Nieuw Testament staat in Efeziërs (5, 22-23): “Vrouwen, schik u naar uw man als naar de Heer, want de man is het hoofd van de vrouw, zoals Christus het hoofd is van de kerk. Hijzelf is de verlosser van zijn lichaam. Welnu, zoals de kerk zich schikt naar Christus, zo moet ook de vrouw zich in alles naar haar man schikken.” En Korinthiërs 1 (14, 3-35) luidt als volgt: “Zoals in alle gemeenten van de heiligen moeten de vrouwen in uw bijeenkomsten hun mond houden. Het is hun niet toegestaan het woord te nemen; zij moeten ondergeschikt blijven, zoals trouwens de wet voorschrijft. Willen zij iets te weten komen, dan moeten zij er thuis hun man maar naar vragen; een vrouw hoort nu eenmaal niet in de gemeente het woord te voeren.” In Efeziërs (6, 5) staat ook: “Slaven, wees gehoorzaam aan je aardse heren met eerbied en ontzag, alsof je gehoorzaam was aan Christus.” Nu kan men zeggen dat die passages niet meer gelden in deze moderne tijden, maar welke zijn dan de na te volgen regels, en welke niet? Moeten gelovigen dan niet eerder de Jefferson Bible volgen? De derde president van de VS liet daarin alles weg wat natuurkundig onmogelijk is of zedelijk onwenselijk, zoals het laten branden in de hel van wie niet wilde geloven. Mettepenningen verwijst ook naar de Tien Geboden, maar wie het zesde gebod leest, ‘Doe nooit wat onkuisheid is’, kan enkel hopen dat de kerk ook diegenen bestraft die deze regel binnen de kerkgemeenschap overtreedt. Dat is de voorbije jaren met de vele gevallen van pedofilie in de kerk niet gebeurd; een zoveelste probleem van geloofwaardigheid van de kerkleiders.

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat heel wat mensen zeggen dat ze wel nog geloven, maar dat ze de kerk de rug hebben toegekeerd. Daar gaat Mettepenningen met kracht tegen in. Voor hem is een geloof zonder kerk en vice versa niet mogelijk. De kerk is volgens hem immers hét instituut dat ervoor zorgde dat het evangelie werd doorgegeven. En alhoewel hij erkent dat in naam van God vreselijke zaken zijn gebeurd ten aanzien van andersgelovigen, ongelovigen en zelfs christenen, heeft de kerk ook veel ‘trouw’ bewezen aan verkondiging, naastenliefde, eucharistie en gemeenschapszin. Jezus zelf had niet gezegd hoe dat moest gebeuren en ‘heeft zich niet beziggehouden met hoe de gemeenschap van Christusgelovigen zich zou moeten organiseren’, aldus de auteur. Daarmee legt hij de fundamentele zwakte van de huidige kerk bloot. Hoe komt het dat de kerkgemeenschap georganiseerd is op basis van een strakke hiërarchie die door sommigen wordt aangeduid als een vorm van dictatuur? De paus is immers de opperste rechter, tegen hem is geen beroep mogelijk. Heeft Jezus dit zo gewild? Heeft hij het dogma van de ‘onfeilbaarheid van de paus’ ooit op een of andere manier verkondigd of aanbevolen? Mettepenningen heeft het over de noodzaak aan voorgangers in de kerk, en dat valt wel te begrijpen, maar wat als die ‘voorganger’ een verkeerde weg inslaat?

Toch blijft Mettepenningen de voordelen van het kerkinstituut belangrijk vinden. Het heeft gezorgd voor godshuizen, onderwijs en barmhartigheid met de zwakkeren in de samenleving. Het heeft ook veel geïnvesteerd in kunst, aldus de auteur, maar daar staat tegenover dat de kerk het maken en verspreiden van heel wat kunst verboden heeft. Denk maar aan de Index van de Verboden Boeken, het belemmeren van bepaalde theaterstukken en het verbieden van muziek gezongen door vrouwen (denk aan de Opera Proibita die Cecilia Bartoli uit de nevelen van de geschiedenis haalde). Denk ook aan de vernietiging van een hele cultuur in Latijns-Amerika. Maar dé schandvlek blijven de recente pedofiliezaken, en de auteur is er zich goed van bewust. Waarna de meest controversiële zin in het boek te lezen staat, namelijk ‘dat het niet de kerk is die dader is van het misbruik, maar wel verschillende van haar leden’. Dit klopt niet. Veel wandaden uit het verleden werden niet alleen gedaan door individuele leden, maar ook en vaak in naam en met actieve toestemming van de paus, het hoofd van de kerk als dusdanig. Denk aan de kruistochten, de inquisitie, de heksenvervolging, de slavernij, de afkeer voor de moderniteit, de zwijgende medeplichtigheid van Pius XII tegenover het lot van de Joden, én de pauselijke richtlijnen van Wojtyla en Ratzinger om geestelijke daders van het seksueel misbruik van kinderen uit handen van het gerecht te houden.

Ook de uitspraak van Mettepenningen dat de gemeenschap van gelovigen de door de kerk ‘heilig’ verklaarde mensen zou moeten navolgen, getuigt van eenzelfde gebrek aan empathie dat hijzelf verwijt aan kerkleiders die in de fout gingen. Denk aan de heiligverklaring van Pius IX een notoire antisemiet en autoritair denker die zelfs een joods kind liet wegroven. Of aan Jozefmaria Escrivá, de leider van het omstreden Opus Dei, die de vernieuwingen van het Tweede Vaticaans Concilie verwierp en de bevrijdingstheologen bestreed. Of de Kroatische aartsbisschop Stepinac die zich tijdens de oorlog had uitgesproken voor van de toenmalige dictator en massamoordenaar Ante Pavelić. Volgens schattingen was die verantwoordelijk voor de moord op bijna 800.000 mensen, vooral Joden en Servisch-orthodoxe gelovigen. Zijn dat mensen die gelovigen zouden moeten navolgen? Veel bemoedigender is de oproep van Mettepenningen voor een nieuw concilie. Misschien moet daar eens bekeken worden of men de procedures tot heiligverklaring, die onder Johannes Paulus II fel werden vereenvoudigd, niet opnieuw strenger moeten worden gemaakt. En of het geen daad van grote menselijkheid zou zijn om bijvoorbeeld Hans en Sophie Scholl, twee protestantse jongeren die de moed hadden om het nazisme te bestrijden, heilig te verklaren.

In elk geval is dit boek een verademing na al hetgeen de laatste jaren binnen de kerk gebeurd is. Mettepenningen roept op tot bezinning, zelfs tot een nieuw concilie. Hij wil dat de kerk en haar leiders zich nederig betonen en terugkeren naar de essentie van het geloof, namelijk het uitdragen van de boodschap van liefde van Jezus voor medemensen. Daarmee treedt de auteur gewild of niet, in de voetsporen van de inmiddels 83-jarige Hans Küng. Het is dan ook positief dat jonge kritische theologen als Mettepenningen de fakkel overnemen en ook van binnenuit kritisch blijven ten opzichte van de ‘machtskerk’ die de huidige kerk nog steeds is.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Jürgen Mettepenningen, Welke kerk? Vandaag en morgen, Davidsfonds, 2011

Links
mailto:verhofstadt.dirk@telenet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be