Afrika. De bron van ons bestaan

boek

Martin Meredith

Wat is de bakermat van de mens? De laatste 150 jaar zorgde deze vraag voor heel wat controverse. Tot dan werd algemeen aangenomen dat de mens werd geschapen door God en een uitzonderlijke plaats innam op aarde en zelfs in het universum. Deze visie werd en wordt vooral onderschreven door de monotheïstische godsdiensten. Dit lezen we onder meer in het eerste hoofdstuk van Genesis, het eerste boek van het Oude Testament waarin staat dat God eerst de hemel en de aarde schiep, later de dieren en nadien apart de mens. God schiep de mens zelfs naar zijn evenbeeld en gaf hem de macht om over alle andere levende wezens te heersen. “En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. God zegende hen, en God sprak tot hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk; bevolk de aarde en onderwerp haar; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, en over al het gedierte dat over de grond kruipt.’” Daarbij gaan ze ervan uit dat de aarde en de mens ongeveer 6.000 jaar geleden geschapen werd.

Die visie werd in de loop van de 19de eeuw de grond ingeboord door Charles Darwin en zijn On the Origin of Species en The Decent of Man waarin hij zijn evolutietheorie uit de doeken deed, de paleontologie of de wetenschap die fossiele resten of sporen van organismen bestudeert, en de geologie of de wetenschap die de Aarde, haar geschiedenis en de processen die haar vormen en gevormd hebben, onderzoekt. Oorspronkelijk stuitte dit nog op bijzonder veel weerstand – daarvoor waren de religieuze ideeën nog te sterk ingeburgerd – maar naarmate men meer hominidae fossielen vond, gingen steeds meer wetenschappers op zoek naar een verklaring waar de eerste mensachtigen vandaan kwamen. En dat onderzoek leidde paradoxaal genoeg steeds meer naar de overtuiging dat de mens afkomstig was uit Afrika, voor veel blanken en gelovigen een ondragelijke gedachte. Toen de Afrikaner-Nationalisten in 1948 in Zuid-Afrika aan de macht kwamen, keerden ze zich tegen de visie dat blanken en zwarten een gemeenschappelijke afstamming zouden kunnen hebben, aldus de auteur.

Charles Darwin had in zijn boek The Descent of Man al het vermoeden uitgesproken dat de mens afkomstig was uit Afrika omdat op dat continent gorilla's en chimpansees voorkomen, die algemeen beschouwd worden als de nauwste verwanten van de mens. Maar andere wetenschappers, zoals de Duitse bioloog Ernst Haeckel vermoedde dat de mens uit Zuid-Azië kwam. Die hypothese werd ondersteund door twee spectaculaire archeologische vondsten. In 1890 ontdekte de Nederlandse antropoloog Eugène Dubois de zogenaamde Javamens in Nederlands-India en in 1923 de zogenaamde Pekingmens in Zhoukoudian in de nabijheid van de Chinese hoofdstad. Beide fossielen werden gesitueerd tussen 300.000 en 900.000 jaar geleden. Pas na de ontdekking in 1924 door Raymond Dart van een fossiele schedel van het Taungkind in Zuid-Afrika begon de belangstelling voor het zwarte continent als plaats van oorsprong van de moderne mens een eerste impuls. Het bijzondere was het achterhoofdsgat aan de onderzijde van de schedel waardoor het ruggenmerg de schedel verliet: het betekende dat het kind rechtop moest hebben gelopen. Toch duurde het nog tot1947 alvorens andere onderzoekers hun aandacht en onderzoek zouden richten op Afrika.

Daarop volgt de bijzonder boeiende beschrijving van opeenvolgende ontdekkingen door beruchte onderzoekers zoals Louis en Mary Leakey in Kenia en er de resten vonden van wat ze omschreven als ‘een klein, slank gebouwd wezen met een relatief groot brein, mensachtige tanden en handen waarmee werktuigen konden gemaakt worden’. Volgens de Leakeys was het een hominide die 2 miljoen jaar geleefd zou hebben en ‘een directe voorouder van de moderne mens’. Ze gaven de nieuwe mensensoort de benaming Homo habilis of ‘werkende mens’. Het wordt de lezer al snel duidelijk dat de paleoantropologen bijzonder ijdele mensen zijn die er niet voor terugschrikken om hun concurrenten voor schut te zetten en hun eigen ontdekkingen tot enorme proporties op te blazen. Dat heeft niet alleen te maken met roem, maar vooral met geld dat ze krijgen om hun onderzoekingen verder te kunnen zetten.

Andere, al even ijdele, onderzoekers vonden in Ethiopië steeds meer resten van mensachtigen die nog een stuk ouder waren. Belangrijk was de ontdekking door Donald Johansson in de jaren 1973, 1974 en 1975 in Ethiopië van menselijke resten die meer dan 3 miljoen jaar oud waren. Het meest tot de verbeelding sprekende fossiel was dat van Lucy waarvan ongeveer 40 procent teruggevonden werd en dat als mensachtige op twee voeten lopend, een nieuw bewijs leverde van een voorouder van de moderne mens. In zijn boek Afrika. De bron van ons bestaan, toont historicus Martin Meredith aan de hand van diverse opgravingen, goed aan hoe de discussie over de leeftijd van de vroegste hominidae zich stilaan verlegde naar de vraag of er in een bepaald tijdvak één of meerdere soorten leefden.

In 1980 ontdekte Richard Leakey het skelet van een kind met een herseninhoud van 830 cm3 en een lengte van 160 centimeter, het eerste volledige exemplaar van een Homo erectus of ‘rechtopstaande mens’ van 1,6 miljoen jaar geleden. Uit dit en andere vondsten bleek aldus de auteur dat er ‘geen sprake was geweest van een lineaire overgang van één vertegenwoordiger van Austrolopithecus naar het opvolgende geslacht Homo, maar eerder een wildgroei aan evolutionaire experimenten’. Een van de elementen die daarvoor zorgde was de sterke wisseling in temperaturen op aarde. Van 1,8 miljoen jaar tot 10.000 jaar geleden leefden hominidae in tijden van klimatologische instabiliteit. Een andere reden voor het uitsterven van de andere soorten en het overblijven van de homo sapiens sapiens als enige, kwam volgens de Britse bioloog Robert Foley door de onderlinge concurrentie. Er hebben dus verschillende soorten naast elkaar bestaan.

In het tweede deel van het boek geeft Martin Meredith zijn eigen visie op het ontstaan en de ontwikkeling van de mens. Door de klimaatveranderingen veranderden de regenwouden in Afrika in meer open boslandschappen en verdwenen hele apenpopulaties. Anderen pasten zich aan en begonnen steeds meer op twee voeten te lopen waardoor hun handen vrijkwamen om voedsel en voorwerpen te dragen. Zowat 2,6 miljoen jaar geleden maakten ze de eerste stenen werktuigen en ten vroegste 1,5 miljoen jaar leerde men vuur te gebruiken. Dat laatste was cruciaal voor de ontwikkeling van de hominidae. Zo konden ze zich beschermen tegen roofdieren, zich verwarmen en hun voedsel bereiden waardoor er ‘minder tijd nodig was voor de spijsvertering en er meer stoffen vrijkwamen die de hersenontwikkeling ondersteunden’. De Homo erectus verspreidde zich zo over Afrika, Azië en Europa in diverse soorten: de Homo heidelbergensis, de Neanderthalers en later de Cro-Magnonmens.

Dat de Homo sapiens afkomstig is uit Afrika werd intussen ook aangetoond aan de hand van de genografie, een jonge wetenschappelijke tak die gebruik maakt van DNA-onderzoek om de afstammingsgeschiedenis van de mens te reconstrueren. Onze gemeenschappelijke voorouder zou ongeveer 200.000 jaar geleden in Afrika geleefd hebben, vooral dan langs de kustlijnen. Op basis van genetisch onderzoek bestaat de hypothese dat 55.000 jaar geleden een groep van enkele honderden Afrikanen via de zuidkant van de Rode Zee naar Zuid-Arabië en India trok. De auteur is minder duidelijk over de komst van de Homo sapiens naar Europa (hij sloot zijn boek af eind 2010). Intussen vond men fossielen van de hedendaagse mens in Italië die dateren van rond 45.000 jaar geleden. Zeker is dat de moderne mensen zich aanpasten aan de verschillende klimaten en leefomgevingen, en dat de noordelijke bewoners een lichtere huidskleur kregen ingevolge de zwakkere ultraviolette straling.

Martin Meredith schreef een leesbaar en bevattelijk boek dat goed de ontstaansgeschiedenis van de moderne mens beschrijft. Voorlopig stoelen veel visies hierover op hypotheses die onderbouwd werden (en worden) door de diverse fossiele vondsten. Waarschijnlijk zal de genografie ons in de komende jaren nog meer inzicht geven en de theoretische visies verfijnen. Dat betekent geenszins het einde van de paleoantropologie en de zoektocht naar fossiele resten. Die kunnen er mee voor zorgen dat de theorie bevestigd wordt of moet worden aangepast en verfijnd. Dit boek is een absolute aanrader.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Martin Meredith, Afrika. De bron van ons bestaan, Omniboek, 2012

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be