Perlmann’s zwijgen

boek vrijdag 29 februari 2008

Pascal Mercier

Een draaikolk van causale verbanden

‘Want wat hem nu, terwijl hij blindelings doorliep, als de waarheid voorkwam, betekende niets minder dan dat hij zichzelf op dat onzalige moment als beslissende instantie, als subject van zijn handelen, buitenspel had gezet’, noteert Mercier op blz. 287 van het boek. Is hier de filosoof Peter Bieri aan het woord, over de ontdekking van de eigen wil, of de schrijver van wereldsellers, Pascal Mercier? Met Mercier is een groot schrijver opgestaan. Pascal Mercier is het pseudoniem van Peter Bieri die in het dagelijks leven hoogleraar filosofie te Berlijn is. Onder zijn eigen naam publiceerde hij in 2001 Het Handwerk der vrijheid. Over de ontdekking van de eigen wil.

Bieri is geen traditionele filosoof, die zich strikt houdt aan zijn vak. Om uit het keurslijf van de strikte filosofie te ontsnappen, giet hij zijn bedenkingen graag in ( filosofische) romans, om zijn ideeën aan de dagelijkse werkelijkheid te toetsen. Perlmann’s zwijgen, heeft het over een linguist die niet ontsnapt aan het noodlot van het determinisme. Perlmann wordt onwillekeurig meegesleurd in een stroom van beslissingen die aan zijn wil schijnen te ontsnappen. Hij is tot het verlammende inzicht gekomen dat hij niets meer te zeggen heeft en misschien wel nooit iets te zeggen heeft gehad- en dat terwijl hij op het punt staat om een taalwetenschappelijk onderzoek te leiden, op initiatief van het wereldconcern Olivetti. Het inzicht van de lezer wordt door deze hypothese op zijn beurt verlamd en leeft met zweet in de handen mee met Perlmann’s willoze zoektocht om te ontsnappen uit een dwingend keurslijf van causale verbanden.

Hopeloze desintegratie

Wat Bieri en Mercier inderdaad gemeen hebben,is hun onderzoek naar de vrije wil van de mens, de mogelijkheden van zijn handelen en de verantwoordelijkheid van het individu voor zijn daden of juist dadenloosheid. In Het Handwerk der vrijheid schrijft Bieri dat hij alle filosofische geschriften die hij over de wil van de mens gelezen heeft, terzijde schoof om zelf te peilen wat hij ervan vindt. Op systematische wijze analyseert hij vervolgens dit onuitputtelijke onderwerp dat de menselijke geest vanaf het eerste moment van zijn (religieuze) zelfreflectie heeft beziggehouden. Bieri wil het menselijke handelen eerst en vooral begrijpen door de wetmatige voorwaarden ervan te ontdekken.

In Merciers spannende ideeënroman Perlmann’s zwijgen zijn we vanaf de allereerste bladzijde getuige van de hopeloze desintegratie van Philip Perlmann. Langzaam maar onherroepelijk valt de alom gerespecteerde hoogleraar taalkunde uit de van woorden gesponnen cocon van zijn bestaan. Hij twijfelt aan de voorwaarden van zijn leven, verliest de controle over zijn handelen en begrijpt de samenhang tussen de dingen niet meer. In de loop van de roman wordt die innerlijke desintegratie ook zichtbaar: zijn kleren scheuren, raken besmeurd met modder en bloed en zelf verdwijnt hij door een flauwte tijdelijk uit de wereld. Maar erger dan dat is de morele ontsporing van zijn denken.

Taal en herinnering

Al in de openingsscène van dit boek is duidelijk dat Perlmann niet meer in dialoog is met de wereld. Hij kijkt uit het raam met een woordenboek op schoot alsof hij moet opzoeken wat hij ziet en wil begrijpen. De dingen hebben voor hem geen tegenwoordigheid meer, hij leeft naast of achter ze, maar niet in het hier en nu. Reeds in 1899 noteerde de Portugees Pedro Vasco de Almeido Pradio: ‘ Er zijn twee soorten filosofen die ik niet vertrouw. De eersten zijn de technici: zij nemen de nauwkeurigheid van de wiskunde als model en geloven dat de helderheid is gelegen in de formule. De anderen zijn de hagiografen; in hun handen wordt de filosofie tot het eindeloze uitleggen van heilige teksten. Als er werkelijk filosofisch inzicht bestaat, moet dat op een andere manier tot stand komen: door een denken waarvan de helderheid, nauwkeurigheid en diepgang bestaan in het nauwe contact met de ervaring die ieder mens met zichzelf opdoet, zonder die volledig te onderkennen en zonder die te begrijpen.’ (Over illusie en zelfbedrog in de filosofie, Lissabon 1899.) De taaldeskundigen die vergaderen onder het voorzitterschap van Perlmann behoren tot die laatste groep, al zijn Perlmann en Leskov twee schoolvoorbeelden van hagiografen.

De werkelijke tegenwoordigheid ontstaat pas door de bereidheid je zonder enige schroom over te leveren aan de vluchtigheid van de belevenis. Het symbool van die tegenwoordigheid was Perlmann’s vrouw, de fotografe Agnes. In tegenstelling tot Perlmann, die de werkelijkheid in de taal zoekt, was zij altijd op zoek naar het juiste moment in de wereld om haar heen, om er foto’s van te maken. Zij vormden een perfect stel. Zij is twee maanden daarvoor over-leden en mogelijk is die fatale gebeurtenis de oorzaak van Perlmann’s verval. Mogelijk omdat Perlmann’s zwijgen juist gaat over de invloed van taal op herinnering. Het ik, denkt Perlmann, is een geheel van verhalen die om een loze kern draait, een spinsel van verhalen die steeds anders verteld worden. Herinneren is ook verzinnen.

Ook is hij tot het verlammende inzicht gekomen dat hij niets meer te zeggen heeft en misschien wel nooit iets te zeggen heeft gehad- en dat terwijl hij op het punt staat een taalwetenschappelijk onderzoeksproject te leiden. Bevreesd voor ontmaskering had Perlmann tot op het laatste moment willen afzeggen. Maar dat durfde hij niet. Met roesmiddelen gewapend wacht hij in een Italiaanse Palace aan de zonovergoten Golf van Tigullio op zijn internationale vakbroeders. Gezamenlijk zullen zij een week discussiëren over hun nieuwste inzichten in de manier waarop de taal het menselijk gedrag en geest beïnvloedt. Dit alles doet sterk denken aan de seminaries van de Franse psychanalist Lacan. Deze beweerde dat het bewustzijn gestructureerd is als een taal. De controverse over deze stelling , duurt tot op heden voort.

Vanaf het moment dat de zeven deelnemers zijn gearriveerd, trekt Perlmann zich meer en meer in zijn kamer terug. Als het hem daar te benauwd wordt, verlaat hij het hotel om in het stadje Santa Margeritha zijn heil te zoeken. Hij verschijnt nauwelijks bij de gemeenschappelijke maaltijden en als hij de bijeenkomsten noodgedwongen voorzit, is zijn enige gedachte hoe hij de boel zo kan arrangeren dat hij als laatste aan de beurt is om zijn lezing te houden. Koortsachtig berekent hij steeds opnieuw zijn kansen. Als ik eenmaal goed op dreef ben, denkt hij voor de zoveelste keer, kan ik heel snel schrijven. Om goed in een onderwerp te komen heb ik een dag nodig. Of twee dagen. Dan heb ik nog negen dagen over. Zeventig, tachtig werkuren. Ik kan het nog voor elkaar krijgen.

Leskov’s les

De enige momenten dat Perlmann zwoegend tot rust komt en een zeker innerlijk evenwicht herovert, is als hij zich op zijn kamer aan de vertaling van een tekst van zijn Russische collega Leskov zet. Hij heeft Leskov eerder ontmoet op een congres in Sint- Petersburg. Leskov had grote indruk op hem gemaakt met zijn verhandeling over de rol van taal bij de vorming van herinneringen. Perlmann had ook Leskov een uitnodiging voor het mini- congres gestuurd, maar omdat diens moeder plots was overleden en hij niet het benodigde uitreisvisum kreeg, had deze hem zijn tekst gestuurd in de hoop op Perlmann’s commentaar. Leskov stelt als een van zijn uitgangspunten dat je door te vertellen, je eigen verleden kunt toe eigenen. In de tweede versie van zijn lezing, die Perlmann te laat onder ogen krijgt, is dat idee nog veel beter uitgewerkt. Leskov heeft er lang voor nodig gehad om tegelijkertijd duidelijk te maken dat herinneren ook verzinnen is. Dat klinkt Perlmann, die aan een begin van amnesie lijdt en bovendien twijfelt of hij ooit iets te zeggen heeft gehad, nogal vreemd in de oren. Wanneer Leskov’s hypothese geen onzin is dan krijg je natuurlijk te maken met de vraag wat toe- eigening in geval van eigen verzinsels te betekenen heeft.

Osvaivat: zich toe eigenen. Dat klopt dus. Die gedachte, die hem onwillekeurig door het hoofd ging, voelde vreemd aan, alsof hij los stond van alles. Of eigenlijk voelde hij die gedachte helemaal niet aan. Hij was helemaal niet werkelijk, als een eigen gedachte. Het was eerder alsof hij de gedachten van een ander dacht.(blz.404). Het vertalen van Leskov’s bijdrage biedt Perlmann de kans te denken in een andere taal. Als hij met Evelyn Mistral in zijn beste Spaans een kort gesprek voert, vervoert de vreemde taal hem. Hij bekent haar, ook al komt hij zichzelf als een mysticus voor, dat je in een vreemde taal een ander kan worden zelfs al zeg je in wezen hetzelfde als in je eigen taal. De vertaalde Nabokov, die door zijn zoon Dimitri met zijn hulp van het Russisch naar het Engels is omgezet, is plots iemand anders. Die andere is in tegenstelling tot de Russische aristocraat in Ultima Thule, een speelse verliefde en wulpse Amerikaan geworden, die Lolita schreef.

Als Perlmann zich aan het vertalen zet, hoeft hij niet langer op wetenschappelijke wijze het fenomeen taal te analyseren. Nee, dan kan hij zich moeiteloos overleveren aan de stroom van zinnen van iemand anders. Het is denken zonder te geloven, praten zonder te beweren. Voor een man als ik, denkt Perlmann, een man zonder meningen, zou vertaler of tolk het ideale beroep zijn geweest. De ideale camouflage. De mooist denkbare ruimte is voor Perlmann een ronde kamer waarvan de wanden tot aan het plafond met woordenboeken zijn gevuld. Daar zou hij alleen nog maar langs die wanden lopen en almaar nieuwe zinnen in nieuwe talen vertalen. Als er sprake is van een zekere spanning tussen Mercier, de vrije romanschrijver, en Bieri, de wetenschappelijke filosoof, dan lijkt die lucht te krijgen in Merciers verhandelingen over het vertalen. Hoewel Perlmann de taal het liefst zinnelijk beleeft, heeft hij zich in de analyse verschanst. Het is zijn tragiek dat waar hij de tegenwoordigheid van de dingen zocht, hij de afzijdigheid vond.

Taalpuin

De tekst van Leskov met de veelzeggende titel, Over de rol van het vertalen bij het vormen van herinneringen, krijgt Perlmann geheel in zijn greep. Niet alleen lukt het hem het bij vlagen ontoegankelijk Russisch in zijn eigen Engels om te zetten, ook kan hij er niet omheen de tekst als van hemzelf te beschouwen. En dat te meer omdat Leskov’s voorbeelden en ervaringen bijna woordelijk in Perlmann’s eigen aantekenschrift staan. Als hij de vertaling voltooid heeft laat hij ze voor eigen gebruik uittypen onder de titel Mestre is niet lelijk.

Deze titel, dekt een stroom gedachten en is een voorbeeld van wat Perlmann ‘ taalpuin’ noemt. Tegelijk belichaamt die het verzet van de jonge Perlmann tegen zijn vader die hem met zijn overgeleverde meningen en waarheden van zijn eigen werkelijkheidsbeleving afhield. Venetië, werd hem thuis bijgebracht, is mooi, maar Mestre is lelijk. Om deze taalversperring tussen zichzelf en de werkelijkheid uit de weg te ruimen, is Perlmann ooit naar Mestre afgereisd om zich van het tegendeel te overtuigen. Ook taalpuin frustreert de directe belevenis en de tegenwoordigheid der dingen.

Talig spiegelkabinet

Bijna op het zelfde moment dat Perlmann zijn teksten heeft ingeleverd, begint een drama van misverstanden en verandert de roman in een beklemmende en soms burleske pageturner. Perlmann heeft Leskov’s tekst laten kopiëren met de bedoeling die als zijn eigen bijdrage aan het eminente gezelschap te presenteren. Juist dan ontvangt hij het telegram met de aankondiging van Levkov’s onverwachte komst. Om aan de dreigende en catastrofale beschuldiging te ontsnappen bereidt Perlmann minutieus een autoongeluk met dodelijke afloop voor. Zijn morele zelfrechtvaardiging doorloopt vele stadia waarvan de belangrijkste is dat Leskov de man is die hem kan ontmaskeren. Er is geen andere oplossing, denkt Perlmann.

Onderweg, als hij Leskov van het vliegveld heeft gehaald, en hij radeloos speurt naar een vrachtwagen waar ze kunnen tegenaan rijden,vertelt Leskov hem dat hij een verbeterde versie van zijn tekst bij zich heeft. Omdat Perlmann ook niet postuum van plagiaat beschuldigd wil worden, stopt hij hals over kop langs de kant van de weg. Hij loopt om de auto heen, graait de tekst uit Leskov’s koffer op de achterbank en legt de stapel papier onder zijn uitlaat. In zijn achteruitkijkspiegel ziet hij hoe de tekst uiteengereten wordt en de blaadjes hoog de lucht in fladderen, alle kanten opgeblazen door passerende auto’s. Het wegwaaien van papieren is na al de gedachten over taal, herinnering en persoonlijkheid nog gruwelijker dan de uitgekiende moordplannen. Niet alleen wordt het vonnis met deze handeling voltrokken, ook gaat een unieke versie van de waarheid verloren. Even symbolisch is dat de werkelijke moord door gebrek aan slagkracht niet plaatsvindt.

Mercier voert de lezer op een steil pad van begrip, medeplichtigheid en verbijstering. Dat Perlmann Leskov’s tekst als de zijne presenteert, is door hem goed voorbereid en ligt filosofisch gezien in de rede. Vertalen is immers ook een vorm van toeeigening, net als lezen. Leskov vertalen, is Leskov worden. Perlmann lezen, is Perlmann worden. In dit talige spiegelkabinet is uiteindelijk niets meer wat het was of leek te zijn. Wie het boek als thriller wil lezen kan dit gerust doen. Die laat de linguïstiek en de filosofie voor wat ze waard zijn. Wie de achterliggende gedachten verder wil leren kennen, wint veel tijd. Men denkt dan met belangstelling aan Schuld en Boete van Dostojevski en zoekt daarbij de passies over de moord van Raskolnikov op de pandhoudster. Raskolnikov slaat ze dood met een bijl. Hij kan zijn beweging voelen. Het is geen beweging die verloopt zonder enige beleving, zoals gewoonlijk geldt voor het knipperen met de oogleden of voor de bewegingen die hij in zijn slaap maakt. Is Raskolnikov vrij of onvrij bij het begaan van deze afschuwelijke moord? Is hij er door omstandigheden toe gekomen of handelt hij volledig uit vrije wil?

Wie beslist over de oplossing van dit raadsel? Het antwoord staat duidelijk in Peter Bieri Het handwerk van de vrijheid. Over de ontdekking van de eigen wil. ‘Het is zo rustig onmondig te zijn.’ (Immanuel Kant)


Recensie door Yves Van de Steen

Perlmann’s zwijgen, Pascal Mercier, Amsterdam, Uitgeverij Wereldbibliotheek, 2007, 623 blz., ISBN 9769028421875

Links
mailto:Yves.vandesteen@skynet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be