European Integration

boek

Christopher Bickerton

''Europese integratie volgde toen de oude naties van Europa zich begonnen te realiseren dat de mate van onderlinge onafhankelijkheid hun nationale soevereiniteit voorbij was gestreefd en had geërodeerd en dat natiestaten mechanismen en structuren nodig hadden om coöperatie onvermijdelijk en oorlog onmogelijk te maken.'' Aldus president van de Europese Commissie José Manuel Barroso in een speech op 7 maart j.l. Maar klopt het wel wat Barroso in zijn speech beweert? Is de Europese integratie een combinatie geweest van idealisme en een overgave aan politieke en economische onvermijdelijkheid? Of is dit een hardnekkig, (maar politiek goed bruikbaar) droombeeld?

In het uitermate onderhoudende boek European Integration. From Nation-states to Member-states toont de Brit Christopher Bickerton aan dat de opkomst van de Europese Unie een heel andere geschiedenis kent. De integratie, zo luidt zijn pleidooi, is een door staten zélf begonnen proces van staatstransformatie. Die staten verschilden toen (in de jaren vijftig) al fundamenteel van de 19de eeuwse natiestaat ''that'', zo stelt Bickerton terecht, ''still inhabit the imagination of political scientists and citizens alike.'' Niet idealisme en de 'er is geen alternatief-gedachte' maar bewuste keuzes hebben de Unie gemaakt zoals zij nu is.

Die bewuste keuzes hebben er toe geleid dat de nationale staten een transformatie hebben ondergaan. Het fundamentele gevolg van de Europese integratie is volgens Bickerton dat de natiestaat, die traditioneel op popular sovereignty en het idee van de natie (nationhood) berustte, is verworden tot een nieuwe staatsvorm: de lidstaat. Vaak wil men met de term 'lidstaat' een juridische kwalificatie geven aan de verschillende Europese natiestaten. Volgens Bickerton is dat echter te summier. De member state is een aparte staatsvorm waar nationale soevereineit, en nu volgt de kern, wordt uitgeoefend in overleg met anderen, ''the idea that binds it together as a community of individual wills.'' Deze stelling is de opmaat voor een originele en verhelderend analyse.

In tegenstelling tot Alan Milward, die in zijn boek The European rescue of the nation state (1992) betoogde dat de natiestaten van Europa krachtiger uit het integratie proces waren gekomen, is Bickerton er van overtuigd dat de natiestaat als concept, althans, in haar traditionele vorm, niet voldoende aansluit bij de politieke, economische en juridische werkelijkheid. Niet dat er sprake is van een post-nationale orde, maar met het idee van de 'lidstaat' wil Bickerton het academische politiek-theoretische vocabulaire van een nieuwe impuls voorzien. Wat dat betreft vindt hij aansluiting bij Barroso die in de eerder genoemde speech stelde dat ''20th century thinking will not save us from 21st century problems.''

In het eerste zowel in stijl als woordkeuze verfrissende hoofdstuk, komt het Member state paradigm aan bod, dat allereerst berust op het benoemen van twee schijnbare tegenstellingen. Ten eerste ervaart men de EU en haar wetgevings- en beleidsprocedures als extern ten opzichte van haar lidstaten, als overkoepelend en bureaucratisch. In werkelijkheid is er echter sprake van ''continued centrality of national executives'': de macht ligt bij Mark Rutte, Elio di Rupo, Angela Merkel, Francois Hollande, David Cameron en op sommige gebieden bij hun ministers. De tweede paradox geeft de andere kant van de medaille weer en behelst het volgende: nationale regeringen staan weliswaar centraal in het integratieproces, ze functioneren echter niet als traditionele natiestaten in de zin dat het nationale publiek een marginale rol speelt (''there is very little nation in the twenty-seven nation states...''). In het 'Concert van Europa' ontbreken de 'begeleidende violen.

Na het benoemen van deze paradoxen richt Bickerton zich op de geschiedenis: hoe is de natiestaat sinds 1945 getransformeerd? Na de Tweede wereldoorlog domineerde de Keynesiaanse corporatistische staat waarvan het fundament berust op de gedachte dat de staat en niet de markt verantwoordelijk is voor zowel productie als consumptie. De naoorlogse staat was sterk, relatief groot en bemoeide zich intensief met de economie. Historicus Tony Judt typeerde haar in zijn fenomenale magnum opus Postwar kernachtig als ''still warmed by the fading colours of the 19th-century economic revolution that had almost run its course.''

Nog kenmerkender voor de corporatistische staat was het compromis - je zou het de sociaal-democratie kunnen noemen - dat de grondslag vormde voor het min of meer harmonieus samenleven van verschillende klassen, ideologieën en belangen. ''What made that compromise possible'', stelt Bickerton, die zich duidelijk aan de linkerkant van het politieke spectrum bevindt, ''was a shared reliance and belief in the state.'' Het gevolg van deze cosy concensus, en dit vormt een derde kernelement van de corporatistische staat, uitte zich (naast stabiliteit uiteraard) in een nieuwe, gedepolitiseerde orde, die vooral technisch van aard bleek. Het ging niet langer over ''the means of'' maar over ''outputs and results''. De Duitse jurist Otto Kirchheimer (1905-1965) sprak eens treffend van de Catch-All-Party, één politiek die alle partijen omvat met een zeer marginale beweegruimte. Dit kenmerk vinden we terug bij de 'lidstaat'.

In de jaren zeventig en tachtig veranderde alles. Het betekende het einde van de corporatistische op een sociaal contract gebaseerde staat. De geest van Thatcher - Thatcher fungeert in Bickerton's werk vooral als symbool voor een breed gedragen veranderingsgolf - begon het politieke discours te domineren met een cultivering van de markt en de ontmanteling van de banden (de sociaal-democratische ''intermediate institutions'') die staat en samenleving bij elkaar hielden tot gevolg. De staat, zo stelt Bickerton, verwerd langzaam tot een 'verkeersregelaar' om zo min mogelijk in de weg te staan van de nieuwe spelbepaler: de markt.

Europese integratie kreeg dus vanaf de jaren zeventig, maar met name de jaren tachtig - 1985 betekende het startsein van de interne markt - een heel ander (liberaler) karakter dan het had in de jaren vijftig en zestig, en de twee periodes moeten dan ook los van elkaar gezien worden. Uit de fundamenteel nieuwe politiek van de jaren tachtig, zo stelt Bickerton, werd de lidstaat, als nieuwe staatsvorm, geboren. Net als de Keynesiaans corporatistische staat heeft de lidstaat een aantal kerneigenschappen. Ten eerste staan staat en samenleving tegenover elkaar, als ware het kabinet en oppositie; er bestaat niet langer een horizontale verhouding - Bickerton verwijst ook hier naar het sociaal contract waar door het Thatcherisme een einde aan kwam- , zoals het geval was bij de corporatistische staat, maar een verticale, oppositionele verhouding tussen beiden. De staat is daardoor eerder een ''responsible guardian'', een rol die de natiestaat nooit pretendeerde te spelen.

Een tweede kenmerk is dat de staat zich steeds meer gedraagt naar wat Friedrich Engels ''de administratie der dingen'' noemde. Er is niet sprake van een belichaming, of 'bodem', van een ideaal of een ideologie (de deradicalisering van links, een positief gegeven, droeg daar overigens ook aan bij) maar een technocratisch instituut. Dit heeft tot gevolg dat de democratie afkalft daar de staat ''struggles to raise itself to an integrative principle capable of winning the allegiance of individual wills...''. Het gevolg daarvan is dat de verleiding groter en groter wordt om 'afstand te nemen' van het nationale publiek, bijvoorbeeld door 'op de achtergrond' beleid te voeren via Europese mechanismen als de Open Method of Coordination (het afstemmen van beleid doormiddel van informatie-uitwisseling).

Terwijl het naoorlogse statelijke idee in Europa nog een vorm van de natiestaat duldde, lijkt de member state zich ervan los te scheuren, althans, in statelijke termen; identiteit en nationale bewustzijn zijn weer een ander vraagstuk. Het Europese integratieproces heeft daarom niet zozeer te maken met idealisme, nationalisme en suprationationalisme, althans, niet primair, maar met een bewuste keuze voor staatstransformatie, een transformatie die door de crisis in een versnelling is gekomen. Bickerton's analyse van de lidstaat is uitgebalanceerd en overtuigend, al is het maar omdat hij nieuwe termen aanreikt in een tijd waarin we daar zeer om verlegen zitten. Het idee van het proces van staatstransformatie biedt een nieuw en zeer bruikbaar perspectief op de (inter)nationale politieke orde.


Recensie door Daniel Boomsma

Christopher Bickerton, European Integration. From nation states to member states, Oxford University Press, 2012

Links
mailto:daniel_boomsma@hotmail.com
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be