Noodzakelijk kwaad

boek vrijdag 19 maart 2004

Joggli Meihuizen

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte het Nederlandse bedrijfsleven bijna even veel voor Duitsland als in de jaren ervoor. Na de oorlog ging men daar mild mee om, het werd grotendeels verzwegen of onjuist voorgesteld. Het motto was: samen weer aan de slag voor de wederopbouw. De laatste jaren nam het aantal kritische geluiden toe. Jongere historici, geboren na de oorlog, gingen op zoek naar de waarheid en publiceerden hun bevindingen zoals Chris van der Heijden in Grijs verleden. Nederland en de Tweede Wereldoorlog, Hein Klemann in Nederland 1938-1948. Economie en samenleving in jaren van oorlog en bezetting, Milja van Tielhof in Banken in bezettingstijd. De voorgangers van ABN AMRO tijdens de Tweede Wereldoorlog en in de periode van rechtsherstel, en nu recent Joggli Meihuizen in zijn boek Noodzakelijk kwaad. De bestraffing van economische collaboratie in Nederland na de Tweede Wereldoorlog.

Hun conclusies komen hierop neer: bedrijfsleiders en hoogste overheidsdienaren werkten eendrachtig voor de bezetter en met dezelfde eensgezindheid zorgden ze nadien dat er geen rechtsvervolging kwam. Meihuizen besteedde dertig jaar aan zijn onderzoek. Hij legt eerst uit hoe de bestuurlijke, militaire en economische elites een institutioneel kader creëerden voor de samenwerking met de Duitsers. Argumenten waren dat ze zo het Nederlandse karakter van hun bedrijf of industrietak konden bewaren en dat zij werk en inkomen verschaften. Dit leidde ertoe dat in 1944 meer dan de helft van de industrie werkte in opdracht van en ten behoeve van de Duitsers.

In hoofdstuk twee springt hij van 1940 naar 1945. De oorlogsperiode zelf is uitvoerig behandeld door Klemann. Meihuizen verwijt Klemann wel dat hij te makkelijk de term aanpassing hanteert en zo de negatieve betekenis van collaboratie neutraliseert. Meihuizen zit dus meteen bij de instanties die belast waren met opsporen, vervolgen, berechten en zuiveren van de economische collaboratie. Hoofdstuk drie handelt over het beleid van de regeringen Gerbrandy, Schermerhorn, Beel en Drees. Een snelle en strenge berechting van de collaborateurs, zoals de regering in Londen beloofd had, bleek slecht voor de wederopbouw. Want velen die gecollaboreerd hadden, waren belangrijk om Nederland weer vlug welvarend te maken.

In de hoofdstukken vier en vijf bespreekt Meihuizen tenslotte het justitieel beleid in die vier regeerperiodes gevolgd door de berechting en zuivering van economische collaborateurs. Het taalgebruik in dit hoofdstuk is zeer technisch en vooral voer voor juristen. De strafmaat voor de ‘captains of industry’ was meestal mild: zes à twaalf maanden voorwaardelijk en evtentueel een lichte geldboete in plaats van een strenge vergelding. De ambtelijke elite had zelf ook boter op haar hoofd en opteerde dus wijselijk voor een pragmatische aanpak. Dikwijls ging dit gepaard met willekeur: de ene bedrijfsdirecteur werd wel gestraft, een gelijkaardige andere niet.

Rechtsongelijkheid was er nog meer: politieke collaborateurs en ‘wapendragers’ werden het zwaarst gestraft, daarna volgden de kleine economische collaborateurs, dan de grote. Enkel de toppers, die zich openlijk pro-Duits hadden betoond, kregen de volle laag. Ambtenaren kregen nauwelijks of helemaal geen straf, hoewel zij vrijbrieven hadden verleend voor de aanleg en uitbreiding van verdedigingswerken, van vliegvelden, voor de bouw van vliegtuigen en oorlogsschepen voor de Duitsers, voor de levering van munitie en gevechtsuitrusting. Eenzelfde elite overleefde dus op vijf jaar tijd twee machtsovernames: eerst de Duitse, dan het herstel dan het Nederlandse gezag.

De bijlagen bevatten documenten en grafieken, die overzichtelijk weergeven welke personen verantwoordelijk waren voor de zachte aanpak, hoeveel dossiers er waren per bedrijfstak en hoe ze afgehandeld werden: 34 % werd geseponeerd, 46 % kreeg geen sanctie, 20 % werd wel gestraft. Meihuizen blijft nergens vaag: met naam en foto noemt hij de ambtenaren, militairen, managers van Philips, DAF, de Nederlandse Spoorwegen, scheepsbouw, metaal, textiel, banken en beurs en hun Duitse collega’s. Samen waren ze verantwoordelijk voor de bijna onbegrensde samenwerking. Ook de ministers, topambtenaren, procureurs, advocaten en rechters, die van 1945 tot 1949 in Den Haag de beslissingen namen, worden in het boek besproken.

In het boek staan nog enkele markante foto’s. Zoals van een oorlogsschip dat gebouwd werd voor de Duitse marine. Verder een spotprent uit ‘De Groene Amsterdammer’ van juni 1945, waarin toen al voorspeld werd dat hoge bomen ontsnapten aan vervolging, maar dat klein kreupelhout zou branden. De titel Noodzakelijk kwaad betreft dus zowel de economische collaboratie als de bestraffing die daarna had moeten volgen.

Jurist Meihuizen heeft bewonderenswaardig werk geleverd. Zijn taalgebruik is niet voor iedereen toegankelijk. Voor het grote publiek mag het werk dus herschreven worden. Bij zijn overzicht van de diverse categorieën van collaboratie (overleven, winst maken, militaire of politieke sympathie koesteren voor de bezetter) ontbreekt de culturele, die in Vlaanderen zwaar afgestraft werd.


Recensie door Jef Abbeel (jef.abbeel@skynet.be)


Joggli Meihuizen, Noodzakelijk kwaad. De bestraffing van economische collaboratie in Nederland na de Tweede Wereldoorlog, Boom, 2003, 848 blz.

Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be