Sortir de la malédiction

boek vrijdag 23 mei 2008

Abdelwahab Meddeb

Het vierde essay van Meddeb roept op tot bewustwording en mobilisatie want: '..;geconfronteerd met de wil van de islamisten om het begrip zelf van de laïciteit te bannen en het gelijk te stellen met ongeloof, moeten wij de strijd verscherpen om de actie die in haar naam gevoerd wordt te verruimen en te versterken. Wij moeten strijden tegen obscurantisme, bijgeloof, fanatisme en exclusivisme om de islam te redden'. De auteur is bijzonder verontrust door de rechtvaardiging van barbaarse handelingen die in naam van de islam verricht worden door 'halfontwikkelde', gefrustreerde semi-geleerden: 'islamisme is een vorm van fascisme dat de islam kan counteren zoniet overwinnen. Ondanks de fascistische verleiding die rond dwaalt zal ik Al Qaeda, het Iran van de islamitische republiek, Hezbollah en Hamas niet op een hoop gooien'.

Zijn oproep: 'geef criminele een schuldgevoel' en 'overstijg haat in het moslim referentiekader' - viseert hoofdzakelijk de goedpraters van die uitbarstingen, dit is elke vertegenwoordiger van de officiële islam die angstvallige volhard in zijn houding terwijl het nu zijn plicht is op te komen tegen het geweld dat gelegitimeerd wordt door de bronnen van de godsdienst, koran en sunna. Meddeb wijst met de vinger naar de politieke verantwoordelijken van de autoritaire regimes. Hij richt zich in het bijzonder tot al wie de macht in de Arabische wereld heeft ingepalmd, wie gelooft in het uitroeien van het kwaad door repressie, diegenen, die waar dit niet rechtstreeks hun macht bedreigt, (onderwijs en vorming, cultuur, vorm van de cultus) toegevingen hebben gedaan aan de extremisten en zodoende, zoals bvb. in Egypte, de 'laïciteit',onderuit hebben gehaald en zij die gegokt hebben op de haat van de 'vijand' waartegen best tot djihad wordt opgeroepen. Hij richt zich tenslotte tot al de 'islam deskundigen', al die 'politologen', al die specialisten van de islam die in naam van de politieke correctheid, in hun geschriften soms tot extreme vereenvoudiging neigen die tot in de Europese rechtspraak nawerken (cfr. die Duitse rechter die in 2007 een echtscheiding weigerde toe te staan aan een vrouw die door haar echtegenoot overeenkomstig zijn lezing van de koran geslagen werd).

De auteur verheugt zich wanneer hij, Voltaire indachtig, vaststelt dat de 'waakzame' tegenover 'l'infâme' geen 'bakzeil hebben gehaald', wanneer hij de 'vrouwen van islam' aanmoedigt die hun lot in eigen handen nemen zoals in november 2006 in Barcelona waar zij samenkwamen 'om van gedachte te wisselen over de noodzaak en de mogelijkheid om bezit te nemen van alle functies waardoor het doctrinair, moreel en intellectueel gezag van het koranieke magisterium wordt uitgeoefend.' Meddeb stelt vast dat 'de liberale gedachte zich vandaag minder schuchter durft uiten, iets wat stilaan in de openbaarheid doordringt'. De auteur is verknocht aan een 'moderniteit', een 'aanvaarde verwesterlijking die gekneed door gebreken en drama's, naar een ideaal tendeert zonder het ooit te bereiken en voortdurend zoekt naar de bevestiging van haar vormen op het voetstuk van ieders vrijheid: De kritische westerse mens heeft zich de mogelijkheid toegeëigend om aan het taboe te raken, het sacrale te ontheiligen en algemeen geloof af te zweren. Dat is het eerste punt waaraan moet aan herinnerd worden en waarop ik, persoonlijk, geen enkele onderhandeling noch betwisting aanvaard'.

Meddeb wijst op het 'accidenteel' karakter van het heilige boek (dit is ontstaan op een gegeven ogenblik in een bepaalde omgeving), en blijft staan bij het 'statuut' dat het niet ab initio meegegeven was. In het Bagdad van de 9de eeuw was de Mutazilite stelling gevestigd op het principe van een 'geschapen' koran. De consequenties uit dat gecreëerd en niet absoluut karakter zijn van primordiaal belang. Het wordt dan immers mogelijk om die woorden te herlezen en daarbij rekening te houden met de inbreng van de historisch-kritische exegese en de filologische benadering. Die uitspraken kunnen vervolgens opnieuw in hun context geplaatst worden om al wat duurzaam en waardevol is te bewaren, te valoriseren en al het 'obsolete en hinkende' opnieuw te evalueren en te verwijderen. In afwachting van volwassen studies ter herziening van tal van standpunten - van de veroordeling wegens afvalligheid over het erkennen van een 'bijzonder statuut van de moslim' tot het dragen van de hijab, et de niqab - moedigt Meddeb het gebruik aan van studies gedaan door niet-moslims.

Eens de hypotheek gelicht van de koran 'drager van het onveranderlijk woord van god' en van de hadith (verzameling van uitspraken en handelingen van de profeet waarvan velen historische onzeker zijn) hekelt Meddeb de afstand tussen het als goddelijk beschouwd recht en het positief recht, tussen het 'normatieve' en het 'factuele'. Deze kloof heeft de gemeenschappen met moslim overwicht verzwakt door de afwijzing van de confrontatie met de werkelijkheid. Voor Meddeb kan de uitbouw van een 'minimale, pragmatische' staat, een 'voluntaristische en verlichte' staat niet zonder het in vraag stellen van de sharia door haar te toetsen aan belang voor en de dienst aan het algemeen welzijn, een confrontatie waardoor elke geërfde principe onderwerp wordt van de voortdurend bevragende verlichte rede.

De gevolgtrekking uit deze vaststelling is tweevoudig. Eerst en vooral moeten de juristen in staten met een grondwet die verwijst en naar de ‘mensenrechten’ en naar de sharia, hun schizofrene toestand inzien. Vervolgens moeten zij opnieuw de werf activeren die Egyptische rechtsgeleerden met de steun van de Franse rechtsschool in het begin van de twintigste eeuw geopend hebben. Zodoende kunnen zij proberen nieuwe begrippen en rechtspraktijken te ontwikkelen en vermijden nog langer gebruik te moeten maken van de truc die er in bestaat de tot regel verklaarde sharia in de praktijk systematisch te moeten omzeilen. In de landen die de Europese kolonisatie of de recente Amerikaanse bezettingen hebben gekend is het van wezenlijk belang fundamentele rechten te verzekeren: individuele meningsvrijheid (dus recht op afvalligheid), juridische gelijkheid van man een vrouw, vrijheid en gelijkheid van alle burgers. De moslimtraditie is in zich rijk genoeg om een onderscheid door te voeren tussen de 'religieuze wet' (eigen aan de persoon) en de 'politieke regel' (die de andere verplicht).

De woorden van Meddeb zullen zijn traditionele belagers stof geven voor de beschuldiging van collusie met een westerse wereld die zij beschouwen als imperialistisch, relativistisch en moreel verloederd. Maar Meddeb blijft bij zijn statement dat geen enkele godsdienst kan aanspraak maken op een allesomvattende inhoud waardoor hij geen beroep zou moeten doen op wat niet van hem komt, een definitieve structuur die hem zou veroordelen tot immobilisme, tot een absoluut universalisme dat uitkomt in de vernietiging van al wie niet tot hen behoort.'De moslim moet eens en voor altijd aanvaarden dat hij niet drager is van een waarheid, onaangetast, volledig, ongerept en exclusief, wat hem zou ontslaan van het betreden van andere delen van de wereld waar het waarachtige ook gevonden wordt. Zoals alle andere waarheden is de waarheid van de moslims niet het alles: zij is niet definitief en zij is verre van onovertrefbaar […] Niemand heeft het begin- noch het eindwoord in pacht. De zoektocht naar de waarheid is een eindeloze, steeds opnieuw te hernemen mars. De moslims nemen er deel aan en betrekken er hun waarheid bij door emulatie met die van de anderen'.

Meddeb poneert dat de moslimtraditie met haar Griekse en christelijke elementen, er goed zou aan doen zich te inspireren op de evangelische scheiding van godsdienst en politiek zoals die bestond in de primitieve kerk van voor de vierde eeuw. Een meditatie over enkele van de grootste denkers doet Meddeb besluiten: '… samenleven van de drie godsdiensten die aanspraak maken op de exclusiviteit van het ware Verbond kan enkel voor zover de overtuiging verzaakt wordt de enige oorsprong en waarheid in pacht te hebben. Het is van essentieel belangd dat de religies zich wederzijds en volledig zouden erkennen om uiteindelijk te komen tot de ontwikkeling van een 'theologie van de religies' die niet enkel meer vertrekt vanuit de Bijbel maar ook aanknopingspunten vindt in de koran. Wedden echter dat de 'geleerden' van de islam ver van klaar staan om zonder enige reactie, eeuwenoude gewoontes in vraag te stellen. Wedden dat zij - zoals vele anderen trouwens - niet staan te trappelen om zonder te luisteren naar Nietzsche waar hij tegenover de religie het principe vooropstelt van de heerschappij van de filosoof en van zijn vrije geest.


Recensie door Erik Willaert

Abdelwahab Meddeb, Sortir de la malédiction. L'slam entre la civilisatiuon et la barbarie. La couleur des idées, Seuil, 2008, 277 blz.

Links
mailto:e.willaert@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be