Hitlers Geschenk

boek vrijdag 13 december 2002

Jean Medawar en David Pyke

Aan het begin van de 20ste eeuw was Duitsland wereldleider in de wetenschappen. Ook vele Duits-joodse wetenschappers droegen bij aan belangrijke ontdekkingen op het gebied van wiskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie en psychologie. De eerste dertig jaar van de vorige eeuw stonden volledig in het teken van het geloof in de wetenschappen en de daarmee gepaard gaande menselijke vooruitgang. Vooral in Duitsland grensde de bewondering voor de wetenschap aan verafgoding. Van alle Nobelprijzen op het gebied van de natuurwetenschappen die tussen 1901 en 1932 werden uitgereikt gingen er liefst 33 naar Duitsers of wetenschappers die in Duitsland werkzaam waren. Berlijn werd onder leiding van Max Planck het wereldcentrum voor de theoretische fysica. Max Planck maakte naam met zijn formulering van de quantumtheorie en hij slaagde erin de jonge Albert Einstein aan te trekken als hoofd van het KWI voor fysica. Hij benoemde ook Lise Meitner tot zijn assistente die samen met de chemicus Otto Hahn de feitelijke ontdekkers waren van de kernsplijting, de basis voor de vervaardiging van de atoombom. Er waren er nog zoveel: Walther Nernst, Max von Laue, Erwin Schrödinger, Werner Heisenberg, Max Born, Pascual Jourdan, Paul Dirac, Leo Szilard, Fritz Haber, enzovoort, namen waarmee elke student in de natuurwetenschappen tijdens zijn studies wordt geconfronteerd.

In hun boek Hitlers Geschenk beschrijven Jean Medawar en David Pyke de gedwongen uittocht van de Duits-joodse intelligentsia en haar latere bijdrage tot de wetenschap. Hitlers streven om de gehele Duitse maatschappij te ontdoen van joden leidde tot een ongekende exodus van briljante joodse onderzoekers die in de Verenigde Staten en Engeland met open armen ontvangen werden. Zo verloor het Duitse Rijk maar liefst 1500 geleerden, met Albert Einstein als bekendste voorbeeld. Hiermee verdween ook de enorme kennis aan de wereldvermaarde Duitse academische centra van Berlijn, Dresden en Göttingen die zoveel ideeën hadden voortgebracht waarop de moderne wetenschap was gefundeerd. Op 31 maart 1933, nog geen drie maanden na zijn aantreden als kanselier, werden alle joodse rechters ontslagen. Op 7 april 1933, werd de wet voor de 'herstructurering van het ambtenarenapparaat' doorgevoerd. Hierdoor verviel in een klap de onafhankelijkheid van de Duitse staatsuniversiteiten. Aanstellingen en ontslagen werden nu geregeld door het Ministerie van Onderwijs. Nobelprijswinnaars, academici en onderzoekers van joodse afkomst vielen op slag zonder werk en inkomen.

Op het ogenblik dat Hitler rijkskanselier werd benoemd vertoefde Albert Einstein in Californië. Als jood en pacifist met enigzins linkse sympathiën verkondigde hij onmiddellijk dat hij niet meer zou terugkeren naar Duitsland. "Zolang ik zelf kan kiezen, wil ik alleen leven in een land waar burgerlijke vrijheid, tolerantie en de gelijkheid van alle burgers bij de wet geregeld zijn. Burgerlijke vrijheid betekent de vrijheid om voor je politieke overtuiging uit te komen, zowel mondeling als op papier. Tolerantie betekent respect voor de overtuigingen van anderen, wat die ook mogen zijn. Die dingen bestaan op dit moment in Duitsland niet meer", aldus Einstein in de New York World Telegraph. De nazi's reageerden furieus maar het gevolg was wel dat nog vele andere joodse intellectuelen die hoopten dat de fascistische wind zou gaan liggen toch besloten te vertrekken. Gedurende de rest van zijn leven bleef Einstein een symbool van verzet tegen de nazi's. Ook na de oorlog weigerde hij naar Duitsland terug te keren en verwierp hij elke Duits eerbetoon.

Intussen was men in Engelse academische kringen volop bezig met het opvangen en begeleiden van joodse wetenschappers die het Derde Rijk ontvluchtten. Een van de centrale figuren daarin was Sir William Beveridge, directeur van de London School of Economics. Hij richtte het Academic Assistance Fund op dat later werd omgevormd tot de Society for the Protection of Science and Learning. Van de 2600 intellectuele vluchtelingen die door deze organisaties werden gered kregen er 20 nadien de Nobelprijs. Het is onmogelijk om hier de persoonlijkheid, de betekenis en het werk van elk van die opgevangen wetenschappers te beschrijven, dat lees je in het boek. Toch wil ik even stilstaan bij drie opmerkelijke personen (althans in mijn ogen) en de impact van deze wetenschappelijke exodus op het verder verloop van de oorlog. Hiermee bedoel ik in het bijzonder de bijdrage van tal van ontsnapte Duits-joodse wetenschappers aan de ontwikkeling van de atoombom.

Een uitzonderlijke figuur was alvast Max Born, een joodse hoogleraar aan de faculteit natuurkunde in Göttingen. Hij was onderlegd in de thermodynamoca, was nauw betrokken geweest bij de quantumtheorie en verrichtte onderzoek naar atoomdeeltjes. Hij kwam terecht in Cambridge en later in Edinburgh. In 1954 ontving hij de Nobelprijs voor natuurkunde. Hij was geen pacifist en noemde het naziregime het grootste kwaad dat de mensheid ooit had getroffen, maar iets hield hem tegen om buitensporig geweld te gebruiken. "Als enige wetenschapper wilde hij niets te maken hebben met de ontwikkeling van de atoombom.. Vanaf het eerste moment vond hij het een verderfelijk project. Hij had zelfs vanaf het begin van de oorlog bezwaren tegen de geallieerde luchtaanvallen met conventionele bommen (...) Na de oorlog was hij op grond van zijn overtuiging actief in de anti-kernwapen-beweging van natuurkundigen en anderen", aldus de auteurs. Deze houding was opmerkelijk en stond in schril contrast met de hardnekkigheid en het enthousiasme waarmee zijn collega's, hetzij uit wraak tegenover de nazi's, hetzij uit angst voor een voorsprong van Hitler of Stalin op het vlak van de kernbewapening, hetzij uit wetenschappelijke nieuwsgierigheid (wat bij de meesten het geval was), hieraan aan deelnamen. Zoals de auteurs van het boek stellen is het nu allicht (te) gemakkelijk om moreel te oordelen over diegenen die hebben meegewerkt aan het vreselijkste wapen dat de mens ooit bedacht. Dat neemt niet weg dat men diep respect moet betonen voor iemand die als wetenschapper snel inzag wat de mogelijke gevolgen konden zijn.

Een totaal andere persoonlijkheid was de joodse scheikundige Fritz Haber. Hij voelde zich door en door Duits en wou zijn vaderland dienen. Dat deed hij op opmerkelijke wijze door de ontdekking van ammonia, een stap in de productie van nitraten. Zijn onderzoek leidde op langere termijn naar de ontwikkeling van kunstmest om de bodem vruchtbaarder te maken. Minder menslievend was zijn ontwikkeling van het beruchte gifgas dat in 1915 werd gebruikt bij Ieper. Daarin slaagde hij met de hulp van James Franck en Gustav Hertz, twee latere Nobelprijswinnaars (de hiervoor vermelde Max Born weigerde eraan mee te werken). In 1919 ontving hij de Nobelprijs voor chemie ondanks het feit dat hij door de geallieerden beschuldigd werd van oorlogsmisdaden. "Toch bleef hij in het geheim samenwerken met de Spaanse en Russische regering tot 1925, toen gifgas bij het Verdrag van Locarno werd verboden. Daarna onderzocht hij de werking ervan op dieren. Voor de Maatschappij tot Bescherming van Ongedierte, die hij oprichtte, voerde hij experimenten uit die rechtstreeks leidden tot de productie van Zyklon B, het gas dat de nazi's gebruikten voor de uitroeiing van de joden in de vernietigingskampen", schrijven Jean Medawar en David Pyke. Haber werd niet onmiddellijk het land uitgezet maar de nazi's maakten hem wel het leven zuur (ondanks zijn 'verdiensten' voor het vaderland) en zo verzeilde hij in 1933 in Cambridge waar hij als uitvinder van het gifgas op veel vijandigheid stuitte. Bij een bezoek aan Bazel in 1934 stierf hij. Dit is een korte samenvatting van Habers leven maar het is een boek apart waard. Want het draagt alle dramatiek in zich waarmee mensen kunnen geconfronteerd worden: zijn 'jood-zijn' en toch Duitsgezindheid, zijn wetenschappelijke gedrevenheid tot het vinden van zaken waarmee andere mensen konden vernietigd worden en de bizarre opvang in een land dat hem helemaal niet genegen was maar toch bescherming bood tegen de waanzin.

De drang om wetenschappelijke oplossingen te vinden op vragen die zelfs de menselijkheid zelf konden aantasten is ook grotendeels het verhaal van de zoektocht naar de atoombom. De basis hiervoor werd gelegd door wetenschappers die Duitsland moesten ontvluchten. Onder hen James Franck. "Franck was een van de eerste rekruten van het atoombom-team. Hij gruwde van de mogelijke toepassing van de bom, maar werkte toch mee omdat hij bang was dat de Duitsers de atoombom als eersten zouden kunnen ontwikkelen en gebruiken." Het was een motief dat ook bij heel wat van zijn collega's belangrijk was. Zo ook bij Leo Szilard, misschien wel de belangrijkste geleerde in de uitvinding en ontwikkeling van de atoombom. Ook hij was bezeten van de gedachte dat de Duitsers misschien sneller een kernwapen konden produceren dan de geallieerden. Idem voor Eugene Wigner, die wel meewerkte aan de ontwikkeling van de bom als afschrikkingsmiddel maar sterk gekant was tegen het gebruik ervan. Zo ook Rudolf Peierls en Otto Frisch die er in een memo op wezen dat de gevolgen van de explosie zo erg konden zijn dat Engeland het wapen misschien moreel onaanvaardbaar zou vinden.

Uiteindelijk schreven Szilard, Wigner en Teller in augustus 1939 de beslissende brief aan president Roosevelt, en die werd ondertekend door Albert Einstein, waarin ze aandrongen op het opzetten van een programma voor de ontwikkeling van de atoombom. Alhoewel Einstein niet deelnam aan de ontwikkeling van de bom en er pas van hoorde na de publieke bekendmaking ervan noemde hij dit later 'de grootste fout van mijn leven'. En toen Szilard er in 1942 samen met Enrico Fermi in geslaagd was de eerste kernreactor te ontwerpen noemde hij het zelf 'een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de mensheid'. Vanaf dan stelde hij zelfs alles in het werk om te voorkomen dat de bom op Japan zou worden geworpen. Misschien nog het meest sprekende voorbeeld van de verscheurde wetenschapper die uiteindelijk besefte dat hij aan een duivels instrument werkte, was de Poolse natuurkundige Joseph Rotblat. In maart 1944 hoorde hij generaal Groves, de leider van het Manhattan Project voor de ontwikkeling van de atoombom, verklaren dat ze er ook na afloop van de oorlog zouden mee doorgaan als (politiek) wapen tegen de Russen. Hij nam ontslag en werd een uitgesproken tegenstander van de atoombom. In 1995 ontving hij de Nobelprijs, niet voor zijn vakgebied natuurkunde, maar voor de Vrede.

Maar zo waren niet alle wetenschappers en politici. De Hongaarse anticommunist en natuurkundige Edward Teller, die Duitsland ontvluchtte in 1933, was vader van de waterstofbom en had heel wat minder morele bezwaren. De Italiaanse natuurkundige Enrico Fermi die het fascisme in zijn land ontvluchtte, werd de populaire leider van de groep kernfysici in Los Alamos die het Manhattan Project voor de ontwikkeling van de A-bom tot een goed einde brachten. Dit project stond onder leiding van Robert Oppenheimer, een Amerikaan die zijn doctoraal ironisch genoeg haalde aan de Duitse universiteit van Göttingen (hij kon daar afstuderen na tussenkomst van Born die zich later tegen de ontwikkeling van de A-bom keerde).

Om de bizarre houding van sommige wetenschappers te illustreren wil ik hier nog kort Richard Feynman vermelden. Die komt niet in dit boek voor maar wel in het opmerkelijke boek Het hart van de duisternis van Jan De Laender. Feynman was een intelligente onderzoeker in Los Alamos die in 1965 de Nobelprijs zou winnen en algemeen beschouwd wordt als één van de briljantste natuurkundigen van de vorige eeuw. "Toen het nieuws Los Alamos bereikte (dat de bom met succes was afgeworpen, nvdv) barstte daar een wild feest los. Richard Feynman, één van de jongste denkwonders op The Hill, herinnerde zich in een interview dat hij stomdronken en zielsgelukkig was en bovenop de motorkap van een jeep op een drumstel zat te spelen 'terwijl de mensen in Hiroshima stierven of vochten voor hun leven'".

Het boek brengt me in verwarring over de 'vooruitgangsgedachte' die vele wetenschappers dreef (en drijft). De enige troost is het besef dat er ook heel wat uitvindingen ten gunste van de mensheid gebeurden en vooral dat de uitstroom van wetenschappers uit het nazistische Duitsland Hitler alvast de kans ontnam om zelf als eerste met dit monsterlijke wapen uit te pakken. In die zin kunnen we met een wrange nasmaak de titel van dit boek aanvaarden: Hitlers Geschenk.


Jan De Laender, Het hart van de duisternis, Davidsfonds, 1996.

Jean Medawar en David Pyke, Hitlers geschenk, Tirion, 2001.

Links
Recensie: Dirk Verhofstadt (verhofstadt.dirk@pandora.be)
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be