Waarom de wereld niet bestaat

boek

Markus Gabriel

Markus Gabriel maakt deel uit van een filosofische stroming dat het neorealisme wordt genoemd en dat zijn oorsprong vindt in de Verenigde Staten in de eerste helft van de twintigste eeuw. Er zou zelfs kunnen terug gegaan worden tot in de Late Middeleeuwen, maar vooral de kritiek van Immanuel Kant (18de eeuw) op de kennisleer ligt aan de oorsprong van de controversen, aanvankelijk als een reactie op het idealisme, dat na Kant alles tot de geest wilde herleiden, daarna tegen vooral het constructivisme, dat kennis reduceerde tot een constructie. Wat het neorealisme precies inhoudt, daarover zijn de meningen nogal verdeeld. In zijn boek Warum es die Welt nicht gibt uit 2013, dat nu in het Nederlands is vertaald, geeft Gabriel zijn versie ten beste, dat hij zelf als een zinveldontologie bestempelt. Het zijn bestaat voor hem uit velden waarin de dingen zich zinvol bevinden.

Zoals op de omslag vermeld, noemde de kwaliteitskrant Neue Zürcher Zeitung hem een speculatief wonderkind. Zijn boek is inderdaad een aaneenschakeling van argumentatie en vernuftige bewijsvoering, evenwel rijkelijk aangevuld met verhelderend materiaal, waardoor alles uitstekend leesbaar blijft. Een geslaagde titel van een boek zegt iets over wat de lezer mag verwachten. Als ze bovendien de nieuwsgierigheid van de potentiële lezer weet te wekken, is ze pas echt gelukt. Dat laatste is het geval met Waarom de wereld niet bestaat. Dat was althans de indruk die de titel op mij maakte en ik zou diezelfde potentiële lezer hetzelfde effect moeten gunnen door niets los te laten van de inhoud. Dat ik dan toch een tipje van de sluier oplicht, is te verantwoorden omdat niet in twee woorden kan gezegd worden wat daartoe een geheel boek vereist. Een poging om de potentiële lezer op het goede spoor te zetten lijkt mij dan wel verantwoord.

Als we spreken over ‘de’ wereld dan hebben we de totaliteit van alles wat maar kan gedacht worden over die wereld in gedachten, terwijl wat we kunnen denken over de wereld altijd maar een stukje ervan is. Bijgevolg is het fout om te denken dat die wereld dan ook echt bestaat. Met andere woorden we slaan de bal altijd mis of: ‘de’ wereld bestaat niet echt. Ik zou zeggen, we gebruiken een woord voor iets waar we niet het minste benul van hebben. We kunnen eigenlijk niets zeggen over ‘de’ wereld, we kunnen enkel maar iets zeggen binnen ‘de’ wereld. We kunnen niet buiten de wereld treden om te kijken hoe die er uit ziet. Omdat al het andere, dus alles wat niet ‘de’ wereld is, wel betekenis heeft, concludeert Gabriel terecht dat het wel bestaat. Hij rekent daar meteen ‘eenhoorns in politie-uniform op de achterkant van de maan’ bij, omdat we weten over wat we het dan hebben.

Een gepokt en gemazeld filosoof zal al min of meer door hebben waar de klepel hangt. Een neofiet op dat gebied zal het ongetwijfeld in Keulen horen donderen. Geen nood, Gabriel verstaat de kunst om op een ongedwongen wijze de meest filosofisch maagdelijke lezer in deze niet zo evidente materie in te leiden. Om de begrijpbaarheid van zijn uiteenzetting extra te garanderen, begint hij met alle kernbegrippen die hij hanteert in eenvoudige taal uit te leggen en daar bovenop voegt hij achteraan een woordenlijst toe waarin hij die woorden nog eens kort verklaart. De behandeling van die kernbegrippen moet echter niet gezien worden als een droge opsomming van definities. Gabriel slaagt erin om in een beeldrijke taal die begrippen reeds in zijn gedachtegang onder te dompelen en ze even duidelijk als een theepot voor ons neer te planten. Zin voor kruidige humor is hem evenmin vreemd.

Zelfs de bladzijdenlange redeneringen die het niet bestaan van de wereld moeten bewijzen en die van de lezer dan toch wel enige concentratie vereisen, worden afgewisseld met prozaïsche ontboezemingen en met sprekende voorbeelden uit de actualiteit, de literatuur en de geschiedenis van de wijsbegeerte, gaande van de Oudgriekse filosoof Thales van Milete, over Miss Peggy tot een gedicht van Rainer Maria Rilke. Gabriel poogt ook de religie te redden, namelijk door haar los te koppelen van en ontoegankelijk te maken voor de wetenschap. Hij ontwerpt daartoe een wazige wereld die prewetenschappelijk is en beantwoordt aan een blijvende menselijke behoefte. Daar heb ik uiteraard niets op tegen, maar ik houd het bij vragen zonder antwoorden, tenzij dat ook als religie wordt bestempeld. Het zij zo.

Natuurlijk geniet ik ook van een mooi landschap en word ik een beetje triest als ik er aan denk dat op een dag alles voor mij zal verdwenen zijn. Ik wens echter mijn bewondering voor de natuur niet te laten bezoedelen door transcendente beschouwingen en vanaf het ogenblik dat ik expliciteer, wens ik wel rationeel te blijven en heb ik geen boodschap aan Freudiaanse fantasieën of Lacaniaanse spitsvondigheden. Kunst haalt voor Gabriel de objecten uit hun zinveld. Dat vind ik een bijzonder geslaagde definitie. De ambivalentie van kunst bestaat erin dat ze tegelijk los staat van en deel uitmaakt van de werkelijkheid. De schok zet aan tot reflectie.

Nadat ik het gehele boek heb uitgelezen, moet ik besluiten dat Gabriel mij toch niet overtuigd heeft. Ik blijf erbij dat het onmogelijk te zeggen is of de werkelijkheid die we waarnemen werkelijk zo is zoals wij die waarnemen. Daarover kan immers nog altijd geen uitsluitsel gegeven worden. Kant heeft overigens nooit gezegd dat de buitenwereld er niet toe doet, hij heeft enkel de stelling verdedigd dat die buitenwereld niet los kan gezien worden van het menselijke vermogen om waar te nemen en dat er daarom op zich niets over kan gezegd worden. Wat we wel kunnen zeggen is dat onze waarneming bijzonder accuraat is omdat we dank zij die waarneming in staat zijn ons op een voortreffelijke manier in leven te houden. Het is niet, zoals Gabriel beweert, dat we ons illusies maken over de werkelijkheid indien die werkelijkheid niet is zoals we die waarnemen, omdat een illusie geen normale waarneming is.

Het is een andere vorm van omgaan met de werkelijkheid dan in ons gewone functioneren. Een illusie brengt geen aarde aan de dijk, een normale waarneming wel. Uiteindelijk maakt het niet uit of we met zekerheid weten dat een appel inderdaad een appel is zoals hij in het echt is. Zolang onze waarneming en onze kennis van de appel ons toelaat om die appel te verorberen en we niet van honger moeten omkomen, volstaat onze kennis. Tot die waarneming behoort dan niet enkel het zien, maar ook de resultaten van alle andere zintuigen, het voelen van het eten van de appel incluis. Al die prikkels komen samen in onze hersenen, wat die hersenen dan ook zouden kunnen zijn. Het maakt ook niet uit wat die hersenen zijn, als ze maar functioneren en als de neurologen maar hun kennis kunnen uitbreiden om waar nodig te kunnen ingrijpen.

Een tegemoetkoming moet wel gedaan worden in de richting van het neorealisme, namelijk dat de buitenwereld, hoe of wat dan ook, er toe doet. Daarom is een appel geen peer, maar weerom wat de appel of de peer echt is, daar kan nog altijd geen uitsluitsel over gegeven worden. De accuraatheid van de menselijke kennis is overigens van dergelijk niveau dat we in staat zijn om de natuur in belangrijke mate naar onze hand te zetten. Indien we werkelijk zouden waarnemen wat er is, zou er geen wetenschap meer nodig zijn. We zouden onmiddellijk weten hoe iets in elkaar steekt en misschien hebben we dan zelfs geen taal meer nodig omdat communicatie overbodig zou worden. Iedereen zou meteen alles door hebben. Omdat we hier te maken hebben met een antinomie, dat wil zeggen dat zowel de these (de buitenwereld is kenbaar) als de antithese (de buitenwereld is niet kenbaar) kan bewezen worden, blijft de kwestie onbeslist.

Het zou een mooie oefening zijn om de redeneringen van Gabriel over te doen met de antinomieoptiek in het achterhoofd, maar dat is niet eens nodig omdat in het algemeen kan gezegd worden dat bij elk van zijn redeneringen de feitelijkheid aan verificatie ontsnapt en de premissen de redenering dus op losse schroeven kunnen zetten. De kenbaarheid van de buitenwereld is dan ook geen onderwerp van de wetenschap, maar filosofie. Antinomieën kunnen niet gefalsifieerd worden. Mijn kritiek op Gabriel neemt echter niet weg dat hij gaandeweg een en ander uit de doeken doet dat bijzonder relevant is. Ik denk dan in het bijzonder aan zijn concept van objecten in zinvelden en aan zijn afwijzing van ‘de’ wereld. Daarin kan ik hem onomwonden volgen, zoals ook in zijn kritiek op het constructivisme voor zover deze het bestaan van een buitenwereld die er toe doet ontkent. Maar zelfs wie het niet met hem eens is, maakt met dit boek kennis van een al bij al niet onbelangrijke stroming in de hedendaagse filosofie.


Recensie door Hendrik Vanmassenhove, PhD

Gabriel Markus, Waarom de wereld niet bestaat, Boom, 2014, 207 p.

Links
mailto:hendrik.vanmassenhove@hotmail.com
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be