The Making Of

boek

Ann Meskens

Wat is kunst? Het blijft een van de moeilijkste vragen over een specifiek menselijk kunnen. Etienne Vermeersch definieert kunst als het beslissende schakelpunt tussen redundantie en innovatie, het moment waarop men via muziek, poëzie, film of schilderkunst algemeen gekende repetities en patronen aanvult met nieuwe en vernieuwende elementen. Een broos en moeilijk te bereiken evenwicht want een teveel aan redundantie leidt tot banaliteit en herhaling, en een teveel aan innovatie leidt tot vervreemding en regelrechte afkeer (denk aan de première van Le Sacre du Printemps van Igor Stravinsky in 1913 in Parijs). Het is een sterke theorie die hedendaagse kunstenaars evenwel voor een dilemma plaatst. Hoeveel mag ik herhalen en hoeveel mag ik vernieuwen, zodat mijn werk als kunst wordt beoordeeld? Maakt mijn werk voldoende deel uit van een bestaande stroming en bevat het tegelijk voldoende eigen accenten om origineel te zijn?

Over de kenmerken, het belang en de betekenis van hedendaagse – vooral plastische – kunst schreef de Vlaamse filosofe en Tati-gepassioneerde Ann Meskens het opmerkelijke boek The making Of. Gedurende twee jaar was ze gastschrijver aan de Amsterdamse Gerrit Rietveld Academie waar ze heer intrek na in ‘The Grey House’ recht tegenover de school en gelegen naast de rooms katholieke begraafplaats Buitenveldert waar Wim Sonneveld en Tonio van der Heyden begraven liggen. De Rietveld Academie is de meest gerenommeerde hogeschool voor beeldende kunst met bijna de helft studenten die uit het buitenland komen die er les krijgen van zowat 200 docenten, kunstenaars, filosofen, kunsthistorici, ontwerpers en andere kunstminnende professionelen. Zij kunnen er twee bacheloropleidingen en vier masteropleidingen volgen, om zich nadien evnetueel toe te leggen op het kunstenaarschap.

Maar dat niet iedereen hoog oploopt met wat er in de school gebeurt, blijkt al uit de eerste ervaringen van Meskens met de taxichauffeur die haar naar Rietvald breng. ‘De kunst van vandaag… is alleen maar larie’ en ‘de musea hangen vol met troep’, zo luidt zijn oordeel. Waarop Meskens filosofeert over wat het betekent om tegenwoordig een kunstenaar te zijn. Sinds pakweg 150 jaar bekritiseerden vooral jonge talenten de kunst ‘die de werkelijkheid zo gelijkend mogelijk weergaf’. Dus niet langer natuurgetrouwe afbeeldingen van mensen en landschappen, maar ook afstand van de goedkeuring van de opdrachtgevers en toeschouwers. Vanaf dan begon het experimenteren met nieuwe productiemethodes, vormen, stijlen en materialen. ‘Dat kan een aap ook’, zo zeggen nogal wat bezoekers van een hedendaags museum, maar toch is er een groot verschil. Dieren maken soms iets (mooi) uit louter nut, niet omdat ze de bedoeling hebben kunst te maken. Blijft dan de vraag voor wie al die nieuwe kunstwerken dan wel bedoeld zijn?

Meskens beantwoordt deze vraag niet rechtstreeks, maar laat het productieproces en het werk zelf langzaam tot zich doordringen. Ze staat stil bij de abstracte kunst die voor de Eerste Wereldoorlog zo’n ophef maakte zoals het Zwart vierkant op een witte achtergrond van Malevitsj en de Roue du bicyclette van Marcel Duchamp die daarmee afscheid nam van de schilderkunst en gewoon objecten als kunstvoorwerp tentoonstelde omdat hijzelf vond dat het ‘kunst’ was. In Tate Modern staat zo zijn beroemde Fontain en in het Gentse SMAK zijn Grande casserole. Ook Kandinsky en Modriaan sloegen die weg in. Maar is dat kunst? ‘Dat kunstenaars een haai pekelen of een strontmachine maken, tot daar aan toe, maar dat ze er geld voor krijgen, dat is wraakroepend. Nog erger is dat wij geld moeten uitgeven om ernaar te kijken,’ dat is zowat de minst negatieve reactie van de burger op zowat alle vormen van de nieuwe kunstvormen. In feite is het een utilitaristische vraag. Wat is het nut van dergelijke ‘kunstwerken’, of concreter nog, wat brengt het ons op?

De tegenvraag is dan natuurlijk of kunst wel een nut of opbrengst moet hebben? Onder de kunstenaarsstudenten merkt Meskens iets wat ze met zijn allen deelden: ‘De overtuiging dat het onverkende beslist te verkiezen viel boven het vertrouwde, het zeldzame boven het bekende, het experimentele boven het routineuze.’ Die overtuiging staat haaks op de visie van ‘ayatollah’ Plato die Meskens in grote letters afdrukt: ‘Wij laten u niet toe in het openbaar te spreken en daarbij over de maatschappij het tegendeel te beweren van wat wij zeggen.’ Hier ligt de essentie van kunst: het bestaande uitdagen, het confronteren met het onvoorstelbare, het in vraag stellen van de bestaande maatschappelijke orde, het tegenspreken, het niet ophemelen van het eigen gelijk, volk of land.’ Meskens wijst erop dat het gemeenschappelijk kenmerk van alle Rietveldstudenten hun relativeren van elk fanatiek nationalisme is. Een gevolg van de fanatieke woede van de nazi’s tegen de Entartete Kunst, en de ijver voor socialistische kunst van de Sovjetleiders, tegen de doorgaans abstracte werken van kunstenaars die zich weigerden te conformeren met de politieke staatsvormen?

Dat kunst vernieuwt gebeurt trouwens vaak uit het beschikbare materiaal. Neem het gebruik van plastic dat men vroeger niet kende, maar dat sinds de Tweede Wereldoorlog in elk leven is doorgedrongen, van Barbie tot Lego. Tegelijk is het zodanig onze wereld binnengedrongen dat het onze wereld in de vorm van zwerfvuil (vooral in de oceanen) bedreigt. Intussen ziet Meskens hoe hard de Rietveld-studenten werken, aan zichzelf en aan de vernieuwing van kunst. ‘Elke dag moeten ze zichzelf en de kunst opnieuw uitvinden,’ zo schrijft ze in haar logboek. En wie wil scoren zal hard zijn best moeten doen wat uit onderzoek blijkt dat ‘de gemiddelde aandacht voor een kunstwerk in musea vandaag op acht seconden staat’. En daarop zal het afgerekend worden. Zoals dat toilet van Duchamps. Is dat kunst? Maar Meskens stelt nog meer moeilijke vragen. ‘Kun je kunst scheppen zonder kunstenaar te zijn?, ‘Wat moet hun (kunstenaars) geleerd worden’ om hen tot kunstenaars te maken, en ‘Kan en mag je kunst maken met dieren’?

In haar essay ‘Dieren in de kunst’ citeert Meskens de Vlaamse kunstenaar Wim Delvoye: ‘Vreemd toch, dat ik geen vier of zes varkens mag tatoeëren, terwijl een vriend van mij in Eeklo er wel regelmatig honderden naar het slachthuis mag brengen.’ De Nederlandse kunstenares Tinkebel bloot toen ze haar eigen kat doodde, vilde en er een handtas van liet maken. En mag je wel konijnen fokken met als doel ze op te dienen met pruimen, maar niet voor visueel genot? Of wat te denken van de kunstenaar Marco Evaristti die goudvissen in een blender stak die de bezoekers konden aanzetten om de vissen te vermalen? Heel wat protest van dierenliefhebbers getuigen van een sentimentele selectieve afkeuring en nadert al snel een vorm van ressentiment, ‘een gif dat de maatschappelijke sfeer verziekt’. Misschien moeten we met zijn allen, bezoekers en kunstenaars, nog eens het Egyptische dodenboek lezen waarin staat dat wie goed gedaan heeft, het vee niet mishandeld heeft.

Waar staan we dan nu met de kunst? Moeten we zo vraagt Meskens zich af, terugkeren naar vroeger zoals velen roepen, of juist nog gehaaster de toekomst instormen. Laat ons blijven bij het hier en nu en de moeilijke problemen van vandaag oplossen. Daarvoor hebben we genoeg brains en guts. En zo eindigt Meskens zoals in het echte leven met de opendeurdagen van Rietvelt na de examens met een publiekstentoonstelling en analyseert ze de reacties. Zoals de vaak gehoorde stelling dat kunst ons zal redden. Waarvan dan wel, vraagt Meskens zich af? Of een ouder die verzucht: ‘Ze is geslaagd, maar waarvan gaat ze leven?’ Het leven van een kunstenaar begint eigenlijk nooit, zoals het ook nooit echt eindigt. Waarom dan hedendaagse kunst promoten en ervoor betalen? Zelf zou ik zeggen dat het een beeld van onze tijd schept en dat we nu veel moeten tonen om er later een restant van terug te vinden als ijkpunt van een tijdsperiode. Zoals Mozart naast duizenden anderen muziek speelde in zijn tijd en hij quasi als enige daarvan overblijft (met Salieri), zo moeten we nu veel mogelijk maken om in de toekomst ‘onze’ Mozart over te houden. Maar dat is mijn conclusie. Zoals ook het feit dat dit boek van hoog niveau is en de lezer tot nadenken stemt: over kunst en over zichzelf.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Ann Meskens, The Making Of, Lemniscaat, 2013

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be