Geschiedenis: gebruik en misbruik

boek vrijdag 02 oktober 2009

Margaret MacMillan

‘Ik ben bang voor die verschrikkelijke kracht in de mens: zijn verlangen en vermogen tot vergeten’, zo schreef de dissidente Sovjet-Russische schrijver Varlam Sjalamov. Het is een belangrijke uitspraak met een hoog waarheidsgehalte. Onwetendheid over het verleden kan immers leiden tot onverschilligheid over hedendaagse gebeurtenissen. Zo is het belangrijk dat scholieren en studenten kennis krijgen over de impact van totalitaire ideeën en regimes en de nefaste gevolgen hiervan op de democratie en de vrijheid. In die zin is het noodzakelijk dat alle onderwijsniveau’s meer uren geschiedenisles wordt gegeven over die vreselijke twintigste eeuw. Dit is nodig om te begrijpen waarom mensen en landen vandaag handelen zoals ze dat doen. Zo kan men ook beter vanuit de geschiedenis van de vorige eeuw uitleggen waarom het Europese project zo zinvol was en nog steeds is. Maar niet alleen onwetendheid over het verleden is gevaarlijk, ook het verdraaien, simplificeren en vervalsen van de geschiedenis kan leiden tot nachtmerries. Dat gebeurt doorgaans door wereldlijke en geestelijke leiders die hun grote gelijk trachten aan te tonen aan de hand van een vermeend gemeenschappelijk verleden en een vermeende collectieve identiteit. Ze proberen de mens te reduceren tot één enkele identiteit die dan een plicht zou hebben ten aanzien van één volk of geloof.

In haar boek Geschiedenis: gebruik en misbruik laat Margaret MacMillan, een Canadese hoogleraar in geschiedenis aan de Universiteit van Toronto, zien hoe geschiedenis ons lessen voor het heden kan leren, maar evenzeer hoe geschiedenis misbruikt wordt als propagandamiddel of rechtvaardiging voor geweld en oorlogen. Nochtans is geschiedenis voor de auteur heel belangrijk. Het ‘heeft de normen en waarden van mensen gevormd, hun angsten, hun aspiraties, hun sympathieën en antipathieën’. Aan de hand van voorbeelden zoals de Balkan, Afghanistan, China, Japan, Israël, Palestina, Irak, de Verenigde Staten, Rusland, enz… toont ze aan dat het verleden in de actuele bewindsvoering trouwens een bijzonder krachtig wapen is dat mensen kan verenigen en aanzetten tot al dan niet redelijke handelingen. Tenminste als dat verleden bruikbaar is. Als dat niet het geval is, schrikken regimes en leiders er niet voor terug die geschiedenis te herschrijven. Dat kent vooral zijn weerklank in de leerboeken geschiedenis die scholieren en studenten moeten aanleren. In dat verband zou het een interessant onderzoek zijn om na te gaan hoe en welke onderwerpen aan kinderen van dezelfde leeftijd in diverse landen en continenten gegeven worden.

Hoe krachtig het verleden is, wordt aangetoond bij zowat elk conflict in de wereld waarbij verschillende landen of volkeren aanspraak maken op een bepaald grondgebied. Of waarbij nationalisten en orthodoxe religieuzen een mythisch verleden voorstellen die bijna steeds wordt voorgesteld als een zuivere eenheid en waarbij men zich kant tegen vreemde invloeden. Het meest gekende voorbeeld is natuurlijk de oprichting van de staat Israël waarbij de stichters zich beriepen op rechten die meer dan 2000 jaar oud waren. Hetzelfde gebeurde in de Balkan tussen katholieken, orthodoxe christenen en moslims, en in India tussen hindoes en andere gelovigen. In extreme vormen kunnen die ‘claims uit het verleden’ genocidaire vormen aannemen zoals in nazi-Duitsland het geval was. In andere gevallen versterken ze de gevoelens van de bevolking. In zijn boek De geopolitiek van emotie heeft de Franse hoogleraar Dominique Moïsi het over de cultuur van vernedering die een belangrijke rol speelt in de meeste islamitische landen. Die vernedering wordt gevoed door het verleden. ‘De kruistochten, de verdrijving van de Moren uit Spanje, het westerse imperialisme in de negentiende eeuw, en de kwaden van de twintigste eeuw vormen samen een somber verhaal over de vernedering en het lijden van de moslims’, schrijft MacMillan.

De gevaarlijkste combinatie blijft evenwel die tussen geschiedenis en nationalisme. Nochtans is het nationalisme een relatief recent verschijnsel. Het is pas sinds het einde van de 18de eeuw dat politieke leiders het begrip ‘natie’ een waarde kreeg en dat burgers ervoor hebben gestreden en anderen gedood. Tot dan zagen mensen zich niet zozeer als onderdaan van een bepaald land maar als lid van een familie, clan of streek. Ook de notie taal als element om een bepaald volk aan te duiden is relatief nieuw. Tot voor de wereldoorlogen waren heel wat Midden en Oost Europese steden veel kosmopolitischer dan vandaag. Macmillan wijst op de Vredesconferentie van Parijs van 1919 toen de winnaars van de Eerste Wereldoorlog naast economische en taalkundige argumenten, gebruik maakten van zogenaamde ‘historische rechten’ om hun aanspraken op stukken land te ondersteunen. En die rechten vonden ze altijd wel door lang genoeg en selectief te zoeken. ‘Historici speurden vlijtig naar oude verhalen en stelden daarmee de geschiedenis samen van wat zij hun natie wensten te noemen, alsof die sinds de oudheid ononderbroken had bestaan’, zo schrijft ze. Nationalisten zijn daar bijzonder bedreven is, desnoods koppelden ze hun aanspraken met religieuze overwegingen. Zo zagen de Serviërs zichzelf als de verdedigers van het christendom tegen de islam en bijgevolg als bevrijders van ondermeer de Slovenen en de Kroaten, maar die laatste zagen dat weer anders.

Dat geschiedenis ook vandaag nog als heel belangrijk wordt beschouwd (en zelfs als steeds belangrijker) vloeit voort uit de onzekerheid die gepaard gaat met de migratiebewegingen. Elk land wil aan de hand van zijn verleden opnieuw een soort eigen identiteit vastleggen. En daar zijn de leerboeken geschiedenis een belangrijk middel toe. MacMillan beschrijft hoeveel invloed sommige regeringen en politieke leiders uitoefenen op de inhoud ervan. Ze verwijst naar Turkije, Rusland en China. In dat laatste land is de naam van het betrokken ministerie trouwens nog steeds ‘het departement van Propaganda en Onderwijs’ waarbij leerlingen alles moeten leren over ‘het lijden van de Chinezen door toedoen van de imperialisten’. Dat het ook anders kan, zowel op het vlak van de inhoud van de leerboeken als op het vlak van omgang met het verleden, bewijst Zuid Afrika. Daar werd na de machtsoverdracht aan Mandela en het ANC een Waarheids- en Verzoeningscommissie opgericht die er mee voor zorgde dat het verleden niet vergeten, maar wel verwerkt werd. ‘Beter dan gerechtigheid in de vorm van vergelding is gerechtigheid die tot verzoening leidt’, zo sprak Desmond Tutu, maar nogmaals het betreft hier een uitzondering.

MacMillan bepleit alvast grondig historisch onderzoek, zelfs al gaat dat in tegen een reeks comfortabele denkbeelden en het algemene verlangen naar eenduidigheid. Ze verwijst daarbij naar de felle reacties van oorlogsveteranen in Canada, maar ook in andere landen, tegen tentoonstellingen waarbij gewezen wordt op de onmenselijke luchtbombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog op de Duitse steden. Deze kwestie mag dan gevoelig liggen voor de gewezen piloten die hun leven riskeerden, dat mag geen reden zijn om geen uitspraken te doen over deze kwestie. In zijn boek De Brand geeft de Duitse historicus Jörg Friedrich een gedetailleerd overzicht van de manier, de functie en de doelmatigheid van de Britse en Amerikaanse bombardementen op Duitse steden. Wetenschapslui en militairen dokterden plannen uit om vuurstormen te ontketenen om zoveel mogelijk burgers te treffen. Met speciale brandbommen die de temperatuur in de schuilkelders hoog deden oplopen zodat de mensen die moesten ontvluchten, met tweede aanvalsgolven om de mensen op straat te raken en met tijdontstekingsbommen die pas uren later ontploften om zoveel mogelijk hulpdiensten uit te schakelen. Natuurlijk waren de nazi’s de oorlog begonnen en hadden zelf eerst steden als Warschau, Londen, Coventry en Rotterdam zwaar gebombardeerd. Dat neemt niet weg dat de grotendeels zinloze vernietiging van honderden Duitse steden, waarbij ongeveer een half miljoen doden vielen, moreel ter discussie moet worden gesteld.

Kennis van de geschiedenis kan zware blunders voorkomen. Dat beseften de Amerikanen goed na de mislukte oorlog in Vietnam, zoals later werd toegegeven door Robert McNamara, de minister van Defensie onder de presidenten Kennedy en Johnson. In het begin van zijn boek Retrospect - The Tragedy and Lessons of Vietnam schreef hij: ‘We waren fout, verschrikkelijk fout. Wij zijn het verplicht aan toekomstige generaties uit te leggen hoe dat heeft kunnen gebeuren’. Hij had het boek liever ‘nooit willen schrijven’, maar deed dat toch omdat hij hoopte dat er lessen uit zijn verhaal konden worden getrokken. Dat belette de regering Bush evenwel niet om opnieuw een blunderoorlog te beginnen in Irak, met alle gevolgen van dien. Het ontbrak de Amerikaanse president nochtans niet aan de nodige informatie – alhoewel hij in het argument van het bestaan van massavernietigingswapens blijkbaar verkeerde informatie had – maar het komt er ook op aan die ten goede te gebruiken. ‘We kunnen van de geschiedenis leren, maar we bedriegen onszelf wanneer we selectief bewijzen uit het verleden opdiepen om te rechtvaardigen wat we toch al van plan waren’, schrijft MacMillan. Dit laatste lijkt me helemaal van toepassing op de oorlog in Irak.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Margaret MacMillan, Geschiedenis: gebruik en misbruik, Mouria, 2009

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be