Het Huis der Wijsheid

boek vrijdag 28 januari 2011

Jonathan Lyons

Had u al ooit van Adelard van Bath gehoord? Ik ook niet, tot ik “Het Huis der Wijsheid” van Jonathan Lyons las. Deze avontuurlijk aangelegde wetenschapper verbleef in het begin van de twaalfde eeuw zeven jaar in het Midden-Oosten om zich de rijke Arabische wetenschappelijke kennis eigen te maken en mee te nemen naar Engeland. Samen met andere voorlopers slaagde hij er niet alleen in om deze kennis wijd en zijd te verspreiden in West-Europa. Finaal kon ook door hun beukwerk de toenmalige dominante christelijke interpretatie, die het niet begrepen had op aardse kennis omdat toch alleen maar het hiernamaals van belang was, uitgebannen worden. Daardoor kon het wetenschappelijk onderzoek de ruimte krijgen om te floreren.

De titel verwijst naar de Bayt al-Hikma, het Huis der Wijsheid, een groot onderzoeksinstituut dat gevestigd was in Bagdad. Bagdad zelf was gesticht in 762 door kalief al-Mansur als zijn nieuwe hoofdstad. Al gauw werd het een intellectueel knooppunt waar de kennis van Arabische, Perzische, Griekse en hindoegeleerden samenkwam. Zo brachten de Perzen een groot inzicht in de sterrenkunde mee, terwijl Indiërs het getallensysteem van negen cijfers en een nul, vrijwel hetzelfde systeem dat we nu gebruiken, aandroegen. Intussen hadden de Arabieren de kennis om papier te maken aan hun contacten met de Chinezen overgehouden. Dit maakte de snelle en efficiënte uitwisseling van ideeën en kennis mogelijk en leidde tot de stichting van grote bibliotheken.

Uit de bibliotheek van de kalief in Bagdad kwam de Bayt al-Hikma, het Huis der Wijsheid, voort. Het omvatte niet alleen een bibliotheek en een boekenmagazijn. Het beschikte eveneens over een vertaalbureau dat de klassieke werken van Perzische, Griekse en hindoegeleerden vertaalde. Daarnaast was er een eigen academie van geleerden en intellectuelen uit het hele Abbasidische rijk. Die breidden de kennis verder uit door eigen wetenschappelijke experimenten. Zo stuurde kalief al-Mamun, die regeerde van 813 tot 833 en die een enthousiaste bevorderaar van wetenschap en filosofie was, op een dag twee teams van astronomen, landmeters en instrumentenmakers op pad. Ze moesten de exacte lengte van één graad van de grootcirkel van de aarde berekenen. De twee teams deden onafhankelijk van elkaar metingen. Vervolgens werden hun resultaten geanalyseerd en vergeleken. Het uiteindelijke eindgetal week nauwelijks af van de feitelijke omtrek zoals we die nu kennen.

In dezelfde periode was het met de kennis in West-Europa zeer bedroevend gesteld. Zo was men daar niet eens in staat om de uren van de dag te meten. Men moest zich bijvoorbeeld behelpen met wassen kaarsen van 30 cm lengte en een bepaalde doorsnede waarvan men wist dat die ongeveer vier uur bleven branden. In andere kloosters maakte men gebruik van de diensten van een significator honorarum, een oudere, gerespecteerde monnik die een vaststaand aantal psalmen zong om de voortgang van de uren mee te bepalen. Zelfs het bepalen van de exacte datum voor het feest van Pasen, de heiligste dag op de christelijke kalender en het uitgangspunt voor het hele kerkelijke jaar, was toen te hoog gegrepen.

Vanaf het begin van de twaalfde eeuw kwam hierin echter verandering. Via het Midden-Oosten, Sicilië en Spanje begon de Arabische wetenschap zich als een lopend vuurtje te verspreiden over West-Europa. Het hele eiland Sicilië was moslimgebied van 902 tot 1061. Daarna bleven moslims belangrijke functies bekleden, onder andere aan het hof van de Normandische graven van Sicilië en van Rogier II, koning van Sicilië omstreeks 1150. Die Rogier II was zeer ontevreden over de toenmalige stand van de aardrijkskunde. Meer zelfs, hij vond ze zelfs nogal onnozel. Daarom gaf hij in 1138 de opdracht aan de Arabische geleerde al-Sharif al-Idrisi om met een team van onderzoekers en geleerden een Wereldkaart in een driehonderd pond zware zilveren schijf te gieten. Deze Wereldkaart, die pas na 15 jaar noeste arbeid werd afgewerkt, werd vergezeld door het Boek van Rogier, een begeleidende tekst met geografische beschrijvingen van over de hele toenmalige bekende wereld. Deze realisaties hielpen om in het Westen het idee ingang te doen vinden dat de wereld het waard was om beschreven, gecatalogiseerd en bestudeerd te worden, kortom in kaart gebracht te worden.

Ondanks de strijd die daar eeuwenlang woedde, waren er regelmatige contacten over en weer tussen het christelijke en islamitische deel van Spanje. Zo konden vanuit Spanje de denkbeelden van Averroës of Abdul-Walid ibn Rushd worden uitgedragen. In 1168 kreeg die van de sultan van al-Andalus, Abu Yaqub Yusuf, de opdracht om alle werken van Aristoteles te vertalen en te verduidelijken. In zijn commentaren op Aristoteles ontpopte Averroës zich als een rigoureuze rationalist. Fundamentele kennis is alleen te verkrijgen via inzicht in causaliteit. Alleen aanvaarding van de filosofische methode van oorzaak en gevolg, zonder een rechtstreeks beroep op God, verschaft de mens een basis om kennis van zijn omgeving te verwerven. Hiermee liep Averroës bijna vijf eeuwen vooruit op René Descartes. Een eeuw later zouden de opvattingen van Averroës zorgen voor een hevige ideeënstrijd aan de universiteit van Parijs die uiteindelijk pas rond 1270 door Thomas van Aquino zou worden beslecht. Die kende aan de rede, dus aan het wetenschappelijk onderzoek, een grote ruimte en een grote vrijheid toe. Voor Thomas van Aquino waren er maar drie dingen verboden terrein voor de filosofie of de rede: Gods schepping van de wereld op een bepaald moment, de Drie-eenheid en Jezus’ rol in de verlossing van de mensheid. Andere zaken die eerder theologisch van aard zijn, zoals de vraag naar het bestaan van God, konden volgens Thomas van Aquino wel degelijk ook door filosofen worden onderzocht.

Door de kruistochten, met onder meer de inname van Jeruzalem in 1099, kwamen de West-Europeanen rechtstreeks in aanraking met de Arabieren en hun geleerdheid. De grote wegbereider hier was Adelard van Bath. Hij werd rond 1080 geboren in het zuidwesten van Engeland en stierf daar rond 1152. Als telg van een adellijk geslacht en onder de bescherming van de bisschop van Bath, John de Villula, kon hij studeren aan de elitaire onderwijsinstellingen van die tijd, de kathedraalscholen in het noorden van Frankrijk. Hij was echter zeer ontgoocheld over de toenmalige westerse kennis en wetenschap, zeker wanneer men die vergeleek met wat in West-Europa nog overgeleverd was van de klassieke Griekse en Latijnse geschriften. Zo luidde de eerste zin van zijn eerste bekende werk, De eodem et diverso (‘Over het gelijke en het verschillende’): “Wanneer ik de beroemde geschriften van de klassieken bestudeer – niet allemaal, maar de meeste – en hun talenten vergelijk met de kennis van de modernen, dan noem ik de klassieken eloquent en de modernen dom.”

Hij moest dan ook niet gepraamd worden om in 1109 naar het Midden-Oosten te trekken, zodat hij daar zelf op zoek kon gaan naar Arabische kunde en wetenschap. Hij wilde de studies van de Arabieren, de studia Arabum, naar zijn beste vermogen onderzoeken in de hoop zich te kunnen onttrekken aan de intellectuele beperkingen van het middeleeuwse Europa. In totaal verbleef hij zeven jaar in het Midden-Oosten. Hij kwam zeker niet van een kale reis thuis. Hij bracht nieuwe revolutionaire Arabische kennis op het gebied van wiskunde, meetkunde, sterrenkunde en het gebruik van het astrolabium, een instrument waarmee plaats en hoogte van een hemellichaam kan worden bepaald als functie van de tijd, terug mee naar Engeland.

Is Adelard van Bath een wetenschapper in de moderne zin van het woord? Neen, omdat hij zich inliet met horoscopen en alchemie, zaken die we nu niet als wetenschappelijk aanzien. In het bewuste tijdsgewricht vormden astrologie en alchemie echter een integraal onderdeel van het wetenschappelijke onderzoek, ook in de Arabische wereld. Ja, omdat hij zich door de rede liet leiden en de kennis wilde vergroten door eigen inzicht en onderzoek, waarbij men niet mocht aarzelen om de traditionele conventies in vraag te stellen. Het volgende citaat uit zijn Quaestiones Naturales (‘Vragen over natuurwetenschap’) illustreert dit treffend: “Want ik heb het ene van mijn Arabische meesters geleerd, met de rede als gids, maar jullie iets anders: jullie volgen een halster, in onderworpenheid aan het beeld van gezag. Er is immers geen beter symbool voor gezag dan de halster. Zoals ruwe dieren zich naar iedere gewenste plaats laten leiden door een halster, maar niet weten waarheen of waarom ze worden vastgehouden, maar slechts het touw volgen waarmee ze worden vastgehouden, zo brengt het gezag van geschreven woorden niet weinigen van jullie in gevaar, daar jullie geboeid en tot slaaf zijn gemaakt door dierlijke goedgelovigheid.”

Adelard van Bath was trouwens niet alleen kritisch over de kwaliteit van het onderwijs en de geleerdheid. De hele samenleving van toen beviel hem niet, zoals een ander citaat uit Vragen over natuurwetenschap aantoont: “Ik vond de vorsten barbaars, bisschoppen drankzuchtig, rechters omkoopbaar, bazen onbetrouwbaar, cliënten kruiperig, zij die iets beloofden leugenaars, vrienden naijverig en bijna iedereen vervuld van eerzucht.” Kennis was de beste remedie tegen de ‘morele verdorvenheid’ die zijn geboorteland Engeland tentoonspreidde. Het bestuur van Engeland zou zich door deze kennis moeten laten leiden, zo hield Adelard van Bath de toekomstige koning Hendrik II (1133-1189) voor in Over het gebruik van het astrolabium. Engeland zou geregeerd moeten worden door een filosoof-koning, want filosofen zeggen de waarheid en laten zich leiden door natuurlijke rechtvaardigheid en de rede. Het zou verdraagzaamheid tegenover alle religies en geloven moeten betrachten. En het zou de autoriteit van de Arabieren moeten erkennen – dit wil zeggen het gezag van de wetenschappers en denkers – in plaats van te buigen voor de rigide kerkvaders. Waarlijk revolutionaire taal voor de twaalfde eeuw!

De ondertitel van het boek van Jonathan Lyons luidt Hoe Arabieren de westerse beschaving hebben beďnvloed. Vanwaar deze ondertitel? Jonathan Lyons heeft het doelbewust over Arabische wetenschap en niet over islamitische wetenschap. De bloei in kennis en wetenschap was immers niet het werk van moslims alleen. Perzen (onder wie zoroasters en christenen), joden, Grieken, Syrische christenen, Turken en anderen speelden eveneens een cruciale rol hierin. Het resultaat van al deze intellectuele arbeid werd vrijwel altijd in het Arabisch gepubliceerd. Middeleeuwse westerlingen die hiervan kennis wilden krijgen moesten bijgevolg Arabisch leren.

In de beschouwde periode droeg de islam wel bij tot de uitbreiding van de Arabische wetenschap. Doordat de islam zich in een mum van tijd kon uitbreiden, kon getapt worden uit de kennis van een groot gebied en kon de verrijkte kennis zich snel in datzelfde gebied verspreiden. Bovendien hingen vele machthebbers, die het wetenschappelijk onderzoek sponsorden, toen een versie van de islam aan die ruimte liet voor vrij onderzoek. Uitspraken die werden toegeschreven aan Mohammed, zoals ‘Ga op zoek naar wetenschap, zelfs in China’, stimuleerden de dorst naar kennis. Men baseerde zich eveneens op koranverzen die verwezen naar de inherente orde in Gods universum en naar het vermogen van de mens om deze orde te herkennen en te gebruiken voor zijn eigen behoeften, zoals het vaststellen van de tijd: “Hij [God] is het, die de zon tot een stralend licht maakt en de maan tot een helder licht en er stadia voor verordende, zodat gij het getal der jaren en het berekenen [van de tijd] mocht kennen. […] Hij zet de openbaringen uiteen voor mensen die kennis hebben” (10:6).

In dezelfde periode kantte de dominante christelijke interpretatie zich juist tegen een vergroting van kennis door eigen inzicht en onderzoek, wat mede de gigantische impasse in West-Europa tijdens de vroege Middeleeuwen verklaart. De kerkvader Augustinus (van Hippo) was hier voor een groot stuk voor verantwoordelijk. Bij zijn bekering tot het christendom zwoer hij kunst en wetenschap af: “De theaters kunnen mij bepaald niet meer boeien, noch is mij iets gelegen aan de loop van de sterren”. God was de enige bepalende kracht in het dagelijks leven. Er was geen enkele reden om de ‘natuur der dingen’ te onderzoeken, en dus was er ook geen wetenschap. Dergelijke sceptische of negatieve houding tegenover ‘aardse’ kennis was al te ontwaren bij de apostel Paulus die in zijn brief aan de Galaten, in tegenstelling tot Mohammed, het meten van de tijd van de hand wees als te werelds voor ware gelovigen: “Nu dat gij God hebt leren kennen, of liever door God gekend wordt, waarom dan keert gij weer terug naar de zwakke en ellendige elementaire principes, waaraan gij u weer helemaal wilt onderwerpen? Gij observeert dagen, maanden, seizoenen en jaren” (Galaten 4: 9-10).

Weliswaar waren er al voor Adelard van Bath enkelingen die van het rechte christelijke pad durfden af te wijken. Zo poneerde Gerbert van Aurillac, die een deel van zijn opleiding in Spanje had genoten en zo in contact was gekomen met de Arabische kennis, in 978 in een brief dat volgens hem de aarde een bol was. Daarmee zette hij zich af tegen de toenmalige gangbare visie dat de aarde plat was. Hoewel hij het later in 999 zelfs schopte tot paus Silvester II, bleef Gerbert van Aurillac lang van een verdachte reputatie ‘genieten’. Zo schreef Willem van Malmesbury, een kloosterbibliothecaris en historicus die 140 jaar later overleed, dat Gerbert van Aurillac in Spanje de kunst van het oproepen van geesten uit de hel had geleerd en dat zijn uitverkiezing tot paus het resultaat was van een pact met de duivel. Het middeleeuwse intellectuele leven hield zich liever bezig met vragen zoals hoeveel engelen op een speldenknop kunnen dansen. Of nog: kan een kannibaal verrijzen op de Dag des Oordeels als hij zo veel menselijke lichaamsdelen heeft gegeten dat hij niet meer zichzelf is, maar samengesteld is uit zijn slachtoffers, die eveneens zouden verrijzen? Pas door het werk van pioniers zoals Adelard van Bath kon dit verstikkende intellectuele klimaat finaal doorbroken worden. Al in de twaalfde eeuw betoogde Adelard van Bath dat geloof niet in de weg hoeft te staan van kennis en wetenschappelijk onderzoek. Getuige hiervan het volgende citaat uit Quaestiones Naturales: “Uiteraard bestuurt God het universum. Maar wij mogen en moeten onderzoek verrichten naar de natuurlijke wereld. Dat leren ons de Arabieren.”

Ik moet eerlijk bekennen dat dit boek voor me een oogopener was. Ik wist wel dat de Arabische wetenschap belangrijk was om het Westen uit de eeuwenlange winterslaap van de vroege Middeleeuwen te doen ontwaken, maar ik besefte niet dat die invloed zo ver strekte. Door het geven van talrijke voorbeelden op velerlei terreinen is de auteur dan ook zeker geslaagd in zijn opzet om aan te tonen dat de Arabische geleerden meer deden dan alleen maar de Griekse filosofie en wetenschap te bewaren en over te dragen. Ze verrijkten die met de resultaten van eigen onderzoeken en denkwerk en met kennis uit Perzië en India. Het Huis der Wijsheid toont eveneens aan dat grote doorbraken vaak het werk zijn van enkelingen zoals Adelard van Bath die het aandurven om de platgetreden paden niet langer te bewandelen en hun eigen weg te gaan. In plaats van hen tegen te werken, zoals de Kerk nog lang zou doen met andere doordrijvers zoals Galilei, zouden dergelijke dwarse en vrije denkers beter gekoesterd en aangehoord worden.


Recensie door Lieven Monserez


Jonathan Lyons, Het Huis der Wijsheid. Hoe Arabieren de westerse beschaving hebben beďnvloed, vertaald door Ruud van de Plassche en Jan van de Westelaken, Uitgeverij EPO, Antwerpen en Uitgeverij Bulaaq, Amsterdam, 2010, 335 blz.

Links
mailto:lieven.monserez@telenet.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be