Les Bienveillantes

boek vrijdag 02 februari 2007

Jonathan Littell

Les Bienveillantes is een boek van superlatieven. De roman is meer dan 900 bladzijden groot. De schrijver, een 39-jarige Amerikaan, schreef zijn boek in het Frans. Het is zijn debuut, waarmee hij meteen de twee grootste Franse literaire prijzen in de wacht sleepte: de Prix Goncourt en de Grand Prix du Roman de l’Académie française. En vooral: de inhoud is uiterst controversieel. In Les Bienveillantes wordt de holocaust getoond vanuit het perspectief van een dader, de SS-officier Maximiliaan Aue.

Aue vertelt in zijn mémoires hoe hij in de zomer van 1940 als luitenant van de SS in Polen wordt ingezet bij de zuivering van gevaarlijke elementen: misdadigers, politieke tegenstanders, saboteurs, joden. Via Lublin en Warschau trekt hij de Kaukasus in. Hij is aanwezig bij razzia’s in de omgeving van Charkow en later bij de executie van joden in en nabij Kiev, culminerend in de massamoord van Babi Yar. Aue kan het moeilijk verwerken. Hij wordt op verlof gestuurd naar Jalta en krijgt daar als opdracht om inlichtingen te verzamelen over de veiligheidssituatie in het Krimgebied. Na een conflict met zijn superieuren wordt hij overgeplaatst naar Stalingrad. Het is inmiddels eind 1941. De Russen hebben de stad omsingeld. Aue rapporteert over de hel die hij aantreft. Begin januari wordt hij door een sluipschutter door het hoofd geschoten. Wonder boven wonder blijft hij in leven. Hij wordt geëvacueerd naar Berlijn, onderscheiden, en bevorderd tot majoor. Tijdens zijn revalidatie reist naar Antibes, waar zijn Franse moeder en haar echtgenoot wonen. Ze hebben een tweeling in huis. Kinderen van vrienden zegt zijn moeder. Aue vermoedt dat het joodse kinderen zijn, maar hij maakt het ze niet lastig. Tot zijn verbijstering worden zijn moeder en haar vriend tijdens zijn verblijf vermoord. Aue vertrekt in grote verwarring.

Terug in Berlijn wordt hij ingedeeld bij de persoonlijke staf van Himmler. Reden: zijn voortreffelijke rapporten. Hij krijgt opdracht om na te gaan hoe de Arbeitseinsatz kan worden verbeterd door doelmatiger inzet van gevangenen. Aue inspecteert de Poolse concentratiekampen, met name Auschwitz-Birkenau, constateert de ten hemel schreiende omstandigheden van de gevangenen en merkt dat de leidinggevenden geen gehoor geven de herbestemming van gevangen. Aue’s protesten tegen de selectieprocedures en de behandeling zijn vergeefs. Zijn eigen chef, Himmler, zegt wel mee te willen werken aan de Arbeitseinsatz, maar geeft in feite uitvoering aan de Endlösung. Tijdens een tweede en derde opdracht dringt het steeds duidelijker tot Aue door dat hij gebruikt wordt als zoethoudertje. Uitgeput en gedemoraliseerd keert hij naar Berlijn terug. Het is inmiddels najaar 1944. Massale geallieerde bombardementen teisteren de stad. Aue loopt een hersenschudding op. Hij trekt zich terug op het landgoed van zijn tweelingzuster Una in Pommeren, maar de oprukkende Russen dwingen hem terug te keren naar Berlijn. Daar maakt hij de ondergang van Berlijn mee, en ontkomt op het laatste moment naar Frankrijk.

De holocaust beschrijven vanuit het perspectief van een dader is een hachelijke onderneming. Over de jodenvervolging, de concentratiekampen, de ondergang van Stalingrad en van Berlijn zijn bibliotheken volgeschreven. Het onderwerp lijkt volstrekt misplaatst voor een Amerikaanse debutant. De roman riekt naar sensatiezucht. Wat vinden de overlevenden van de concentratiekampen van dit boek? En de Duitsers? En de Fransen? Wat een pretentie en wansmaak van deze jonge Amerikaan om een roman te wijden aan de visie van een SS-officier op de holocaust. Wat voegt dit boek in vredesnaam toe?

Veel, beste lezer. Het verbluffende van dit boek is dat het veel toevoegt aan een onderwerp waarvan we dachten alles te weten. Om de beginnen put Littell uit een ongeëvenaarde detailkennis. ‘De stad kwam langzaam weer tot leven’, schrijft Aue als hij naar Kiev terugkeert. ‘Nadat de belangrijkste straten waren omgedoopt – de Khrechtchanik was Eichhornstrasse geworden, ter ere van de Duitse generaal die in 1918 Kiev was binnengevallen, de Chewtchenko-boulevard Rovnoverstrasse, de Artyoma Lembergstrasse, en mijn lievelingsstraat, de Tchekistowa, een vulgaire Göthenstrasse - had de Ortskommandatur een paar privé-restaurants toegestaan hun deuren te openen. Het beste daarvan werd, naar men zei, gedreven door een Volksdeutscher uit Odessa die voor eigen rekening de kantine voor hoge functionarissen van de Communistische Partij waar hij als kok werkte, had overgenomen. Thomas had daar een tafel laten reserveren. Alle klanten waren Duitse officieren, afgezien van twee Oekraïense leidinggevenden die met officieren van het AOK in discussie waren. Ik herkende Bahazy, de ‘burgemeester’ van Kiev die daar door Eberhard was neergezet. De SD verdacht hem van grootschalige corruptie, maar hij steunde Melny; Reichenau had zijn akkoord gegeven, uiteindelijk hadden wij onze bezwaren ingetrokken.’

Zo gaat het negenhonderd bladzijden lang. En denkt u niet dat Littell dergelijke details verzint. Duizenden onwelwillende lezers (historici, overlevenden, zowel slachtoffers als daders) spitten op dit moment door het boek op zoek naar fouten of verzinsels en ze zullen Littell met de grond gelijk maken als ze iets vinden. Nee, deze man beschikt over een documentatie waar mijn verstand stil bij staat. En die betreft niet alleen de detailkennis. Littell neemt ruim de tijd om achtergrondinformatie toe te voegen over de meest uiteenlopende gebieden, zoals daar zijn: militaire en strategische ontwikkelingen, politieke en ideologische beschouwingen; internationaal recht (Aue is op dat gebied gepromoveerd); diepgaande discussies over etnologie (Aue moet op zeker moment nagaan of het klopt dat de Kaukasische Bergjoden alleen wat hun geloof, maar niet wat hun ras betreft joods zijn); taalkunde (tientallen bladzijden fascinerende discussie tussen Aue en zijn vriend Voss over de verschillen tussen taalgroepen, hun historische oorsprong, hun verwantschappen en verschillen en vooral: de consequenties die je uit deze taalgroepen mag trekken wat betreft de constitutie van een Volk, de ideologische basis immers van het nationaal-socialisme); muziek: discussies met, of naar aanleiding van Aue’s zwager, een uiterst getalenteerde componist en volgeling van Schönberg; literatuur: door het hele boek heen speelse verwijzingen naar de wereldliteratuur, met name de Grieken en de Franse XVIIe en XIXe-eeuwse klassieken, enzovoorts, enzovoorts.

Deze achtergronden worden allemaal gepresenteerd met inachtneming van het moment waarop er over wordt gediscussieerd. We hebben het dus over het internationale recht, de filosofie, de taalkunde, de muziek, de literatuurwetenschap van het begin van de jaren ’40, waarvan niet alleen adembenemende tableaus worden geschetst met verwijzing naar alle internationale autoriteiten die op dat moment het gezicht van deze gebieden bepaalden, maar die er op hun beurt aan meewerken om de oorlogsgebeurtenissen op een indirecte manier te dateren. Het is, beste lezer, verpletterend. Maar Littells waagstuk kent een tweede, veel riskanter onderdeel, en dat is de schuldvraag. Aue toont geen berouw over de genocide. Hij schrijft zijn mémoires om duidelijk te maken dat wij net zo gehandeld zouden hebben als hij, als we in zijn schoenen hadden gestaan. Deze schuldvraag, of liever het ontwijken ervan, vormt de kern van het boek. Aue is niet aansprakelijk. Om de lezer van dit zeer omstreden punt te overtuigen, koppelt Littell de macro-geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog aan de micro-geschiedenis van Maximilaan Aue.

Les Bienveillantes is namelijk niet alleen de geschiedenis van de jodenvernietiging tijdens WOII, maar ook nog eens de geschiedenis van Aue’s familie. In de eerste honderden bladzijden wordt daar nauwelijks aandacht aan besteed, maar als we ongeveer op een derde zijn, krijgen we de eerste inkijkjes in Aue’s familieachtergrond, en het belang ervan neemt gaandeweg toe, totdat ze in het voorlaatste deel (Air) het gehele toneel beheerst. Aue (geboren in 1913) heeft een Duitse vader en een Franse moeder. Zijn vader verdwijnt in 1918. Zijn wacht een tijdje op hem, maar ontmoet dan een Franse ondernemer met wie ze gaat samenwonen. Het gezin (moeder, vriend Moreau, Max en Una) verhuist naar Antibes. Max vervreemdt van zijn moeder, hij idealiseert zijn verdwenen vader en haat zijn stiefvader. Hij zondert zich meer en meer af met zijn zus Una. Hun relatie aan de zonnige zuidkust van Antibes krijgt, achteraf gezien, de glans van een paradijselijke idylle. Daaraan komt een eind als ze worden betrapt. Una trouwt met een Junker uit Pommeren. Max vlucht naar Duitsland, maar Una blijft zijn grote onbeantwoorde liefde. Als Max in het voorjaar van ’42 naar Antibes gaat, is het de lezer al snel duidelijk dat hij het is die zijn moeder en stiefvader daar vermoordt.

Aue zelf is zich van zijn daad niet bewust. Zelfs als hij met bewijzen wordt geconfronteerd, blijft hij van zijn onschuld overtuigd. En waarom heeft zijn zuster de tweeling in huis genomen? Aue probeert het raadsel van moordenaar en tweeling op te lossen, maar slaagt daar niet in. Littell trekt parallellen met de tragedies van Oedipus en Orestes. Hij suggereert een parallel tussen het lot van de familie der Atriden, zoals door Aischylos beschreven in de Oresteia-cyclus, en de familie Aue. Orestes’ vader wordt vermoord door Orestes’ moeder Klytaimnestra en haar vriend. Orestes krijgt opdracht van de goden om de moord te wreken. Met hulp van zijn geliefde zuster Elektra vermoordt hij moeder en vriend. Na zijn daad verlaat hij de stad en wordt voor de rest van zijn leven achtervolgd door de wraakgodinnen. Eumenides (wraakgodinnen) is de titel van een van de drie stukken waaruit de Oresteia bestaat. Letterlijk vertaald betekent Eumenides: de Welwillenden, Les Bienveillantes.

De parallel tussen Les Bienveillantes en de Oresteia wordt pas gaandeweg onthuld. Het is een machtig procédé, omdat de lezer er heel geleidelijk achterkomt dat zich achter de welwillende Aue een sinistere dubbelganger verbergt. Aue weigert niet alleen om in te zien dat hij zijn moeder en haar vriend heeft vermoord, maar ook dat hij de vader is van de tweeling die hij bij Una heeft verwekt. Bovendien negeert hij de spaarzame informatie die hij over zijn vader ontdekt. Die is in 1918 naar Koerland (Letland) getrokken, waar hij zich als lid van het Freikorps te buiten is gegaan aan opgehoorde wreedheden. Aue’s gedrag lijkt, net als dat van Oedipus en Orestes, gedicteerd te worden door een noodlot waarbij een patroon van ouder- (of kinder-) moord en incest van generatie op generatie wordt herhaald. Maar de kracht van de parallel met de Griekse tragedie ligt vooral in de vervlechting van het persoonlijk en het collectieve noodlot. Zoals de pest in Thebe een straf is voor het onvergeeflijke vergrijp van koning Oedipus, zo tekent het oorlogsgeweld van WOII zich af als een eigentijdse pest die nauw verband houdt met Aue’s wandaden. De Geschiedenis van Duistland en de geschiedenis van Aue groeien langzaam naar elkaar toe, en waar ze elkaar raken, aan het eind van de roman, tekent zich het grote probleem af dat de roman zijn laatste verbijsterende wending geeft.

In een briljante bespiegeling legt Aue uit dat het onjuist is om de schuldvraag te herleiden tot een vraag naar de intentie of de wil van de daders. De Grieken redeneerden wat dat betreft veel zuiverder. Zij vonden dat er rekening moest worden gehouden met de gevolgen, niet met de intentie. Neem Oedipus. Als hij op weg naar Thebe een vreemdeling vermoordt die hem heeft beledigd, doet hij volgens de Griekse wet niets ongeoorloofds. Als hij vervolgens tot koning wordt gekroond en met de koningin trouwt, lijkt alles koek en ei. Maar dan wordt Thebe getroffen door de pest. Koning Oedipus gaat op onderzoek uit. Hij ontdekt dat de vermeende vreemdeling zijn vader moet zijn geweest en de koningin zijn moeder. Dat de daden die hij te goeder trouw heeft bedreven, halsmisdaden zijn. Geen denken aan dat de Grieken Oedipus vrijspreken met een beroep op zijn goede intenties. Hij moet boeten voor het onvergeeflijke vergrijp tegen de goden. De gruwelijkheid van zijn misdaad wordt afgemeten aan de ernst van de gevolgen (de pest). En aan die gevolgen wordt ook de boete afgemeten die hij moet doen. Oedipus accepteert dat. Hij steekt zich de ogen uit, verlaat de stad, en slijt de rest van zijn leven als eenzame en blinde zwerver.

En precies hier, in deze passage, wringt de schoen, beste lezer. Als Aue op pagina 442-446 het probleem van schuld en onschuld herleidt tot het Griekse recht, zoals dat zijn uitdrukking vindt in de tragedie van Oedipus, bouwt hij een verwachtingshorizon in voor het verdere verloop van de roman. Aue speurt steeds hardnekkiger naar de oorzaak van de catastrofe, en als het laatste bedrijf is aangebroken, en hij in het landhuis van zijn zuster op de papieren stuit waarin hij de waarheid omtrent de moord op zijn moeder en het vaderschap van de tweeling kan vinden, is het moment aangebroken waarop Aue tot inzicht zal komen, zijn mateloze schuld zal erkennen en het lijden zal aanvaarden dat, volgens de Grieken, het besluit vormt van elke Griekse tragedie. Het punt is nu dat Aue deze beslissende stap niet zet. Hij weigert tot inzicht te komen en in plaats van de ogen te openen en het boetekleed aan te trekken pleegt hij tijdens de laatste dagen van Berlijn een aantal weerzinwekkende misdagen. Hij vermoordt eerst zijn minnaar, vervolgens de boezemvriend die hem meerdere malen van de dood heeft gered. Nadat we vier bedrijven lang hebben toegeleefd naar het verlossende vijfde bedrijf (het inzicht van de held en diens aanvaarding van schuld en lijden), blijft dit bedrijf uit, en daarmee ook de catharsis van de lezer. De Welwillenden is een onvoltooide eigentijdse tragedie, een briljante Unvollendete.


Recensie door Maarten van Buuren



Deze recensie verscheen eerst in De Groene Amsterdammer van 19 januari 2007



De Nederlandse vertaling door Jeanne Holierhoek en Janneke van der Meulen zal naar verwachting in juni 2008 worden uitgebracht door De Arbeiderspers.

Jonathan Littell, Les Bienveillantes, Gallimard. Parijs, 907 pagina’s. Prix Goncourt, Grand Prix du Roman de l’Académie française.

Links
mailto:egbert@liberales.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be