Lang leve de Linkse Kerk

boek vrijdag 24 december 2010

Rob Hartmans

Sinds een aantal jaren is het bon ton om de hele beweging rond mei ’68 af te doen als de oorzaak van alle maatschappelijke ellende die we vandaag kennen. Opiniemakers als Bart Jan Spruyt en Andreas Kinneging, maar ook tal van politici zoals Pim Fortuyn, Frits Bolkestein, Rita Verdonk en Geert Wilders keerden (en keren) zich tegen deze beweging waarin tal van gezagsstructuren, traditionele omgangsvormen en paternalistische gedragingen aan de kaak werden gesteld, en verschillende taboes sneuvelden. Ze verweten (en verwijten) de leiders en volgelingen van deze linkse en progressieve omwenteling dat ze verantwoordelijk zijn voor de hedendaagse permissiviteit, een moreel relativisme, de seksuele ontaarding, het hedonisme en de toenemende secularisering van de samenleving. Terwijl vroeger ‘rechts’ en ‘conservatief’ als scheldwoorden werden gebruikt, wordt nu neergekeken op de zogenaamde ‘Linkse Kerk’. Met die term bedoelt men een min of meer georganiseerde groep van progressieve politici, journalisten, schrijvers en zelfs wetenschappers die tegen beter weten in een aantal linkse ideeën zouden verdedigen die vandaag helemaal fout lijken te zijn. Tegelijk zouden ze er ook voor verantwoordelijk zijn dat een aantal heikele onderwerpen, bijvoorbeeld de negatieve impact van de multiculturele samenleving, uit de weg worden gegaan.

Dit conservatief réveil uit zich op tal van vlakken. Zo bestaat er grote kritiek op de veel te grote overheid, de bureaucratisering en regelneverij. Op economisch vlak bepleiten ze verregaande deregulering en privatisering, en op sociaal vlak een afbouw van het stelsel van de sociale zekerheid. Op maatschappelijk vlak bepleiten ze een terugkeer naar normen en waarden, eerbied voor traditie en geloof, en de bescherming en versterking van de eigen (Nederlandse) identiteit. Uiteraard waren er tal van zaken die in de jaren 70 en 80 misliepen. Maar de kritiek blijft niet alleen beperkt tot die periode, ook de twee paarse regeringen zouden volgens Pim Fortuyn geleid hebben tot een eindeloze reeks puinhopen waarop tot de dag van vandaag gekankerd wordt. En wat doen intussen diegenen die beschouwd worden als de vertegenwoordigers van de ‘Linkse Kerk’? Die houden zich opvallend gedeisd, al begint daar stilaan verandering in te komen. Zo haalde opiniemaker Maarten Van Rossem in zijn laatste boek Waarom is de burger boos? fel uit naar het populisme. Professor emeritus Hans Achterhuis toonde in zijn boek De Utopie van de vrije markt goed aan dat het absolute vrije marktdenken bijzonder gevaarlijk is. En nu is er de recensent Rob Hartmans die in zijn boek Lang Leve de Linkse Kerk sterk weerwerk biedt tegen de nieuwe conservatieven.

Hartmans geeft toe dat hij lang heel gevoelig was voor het modieuze linkse discours waarbij hij ‘het zicht op de werkelijkheid enigszins kwijt’ was. Hij schaamt zich dan ook voor zijn nogal eenzijdige visie tegenover het kapitalisme en het consumentisme en geeft toe dat er in de jaren zestig zoiets bestond als een ‘linkse consensus’ waarvan niet mocht worden afgeweken, op straffe van ‘uitgesloten’ te worden. Die bekentenis zegt al veel. Het betekent dat er in die jaren onder ‘linkse’ mensen een soort conformisme bestond om alles wat nieuw en kritisch was ten aanzien van het gezag te bejubelen. Kritiek op ‘links’ was toen ‘not done’. Zo werd elke vorm van kwaad in de jaren 60, 70 en 80 vereenzelvigd met het ‘imperialistische kapitalisme’. In tegenstelling tot wat de leiders van mei ’68 verkondigden, verlangden de arbeiders, voor wie ze beweerden op te komen, al datgene wat hen door links werd afgeraden. Zoals meer luxe, een auto, een kleurentelevisie, een stuk vlees op hun bord. In die zin verdween al snel het ideaal van een wereldrevolutie onder de Nederlandse arbeiders en nam het gevoel van ‘houden wat we hebben’ juist sterk toe. Natuurlijk keerden de ‘linksen’ zich toen nog met succes tegen de oorlog in Vietnam en kwamen ze op voor landen als Cuba die onderdrukt werden door ‘imperialistische VS’. Maar verder ging het niet. De finale klap voor links kwam er met de val van de Berlijnse Muur in 1989.

Sindsdien voert men in tal van landen een steeds liberalere koers, scheert het populisme hoge toppen (denk aan het verzet tegen de Europese Unie in landen als Frankrijk en Nederland) en groeide de kritiek op het cultuurrelativisme dat binnen linkse kringen mainstream was. Zo verweten ze de Linkse Kerk ‘dat ze decennialang heeft ontkend dat de massale instroom van islamitische immigranten gepaard ging met een groeiend aantal problemen en dat dit alles werd toegedekt met de stinkende dweil van het multiculturalisme’ maar ook dat ze Nederland hadden opgezadeld met een onbeheersbaar sociaal systeem. Die kritiek ten aanzien van links is niet helemaal terecht. Hartmans repliceert dat de sociaal-democratische PVDA na 1958 vaker niet dan wel in de regering zetelden. De instroom van migranten is er gekomen omdat de industrie ze nodig hadden in de jaren 60 en 70, een politiek die door alle partijen ondersteund werd. Het cultuurrelativisme dat inderdaad heel wat schade heeft toegebracht werd tot het einde van de 20ste eeuw door zowat iedereen gepredikt. De enige uitzonderingen waren toen Paul Scheffer en Frits Bolkestein. Maar alle andere liberale en christen-democratische leiders hebben toen net zoals de sociaal-democraten de andere kant opgekeken. Vandaar ook het succes van populisten zoals Fortuyn, zeker na de aanslagen van 9/11, in hun aanvallen op de gevestigde partijen.

Hartmans heeft het ook niet begrepen op de populistische kritiek op het politieke bestel zelf en hun voortdurende verwijzing naar de beruchte ‘kloof tussen de politiek en de burger’. Die kloof is voor de auteur niet alleen onvermijdelijk maar ook noodzakelijk. In die zin zet hij zich ook af tegen de ogenschijnlijke ‘kloofdichtsystemen’ als de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester en het referendum. Dergelijke systemen brengen de burger niet dichter bij de politiek maar levert de politiek over aan ‘de waan van de dag’ en aan populisten die enkel oog hebben voor de korte termijn. Populisten beweren dat ze heel eenvoudige oplossingen hebben voor bijzonder complexe problemen, dat ze in naam van ‘het volk’ spreken en perfect weten wat ‘het volk’ wil. Hartmans gaat nog een stap verder en trekt een treffende gelijkenis tussen populisten en fascisten. Zo worden populistische partijen bijna altijd geleid door een ‘charismatische leider’, ze hebben geen leden en kennen dan ook geen interne democratische besluitvorming, ze keren zich tegen de vermeende elites, ze minachten beroepspolitici, intellectuelen en journalisten, en ze zijn vaak sterk nationalistisch waarbij ze ‘het eigen volk uitzonderlijke eigenschappen en prestaties toedichten’. Ten slotte staan ze beide afkerig tegenover de liberale democratie.

Deze vergelijking komt hard over maar men kan terecht verwijzen naar het Front National in Frankrijk, de Freiheitliche Partei Österreichs van wijlen Jörg Haider, en de PVV van Geert Wilders in Nederland. Hartmans wist op het ogenblik dat hij zijn boek afsloot nog niet dat er in Nederland een rechtse coalitie zou komen met gedoogsteun van Wilders – zelf verafschuwt hij het – maar het is een feit dat in veel landen ook meer traditionele partijen het discours van de populisten beginnen over te nemen. Denk aan de Franse president Sarkozy en zijn totaal misplaatste houding tegenover de Roma-zigeuners die hij massaal uit zijn land liet afvoeren, alsof die mensen geen deel uitmaken van de Europese Unie. De vrees van de auteur dat ‘fatsoenlijke’ partijen ook de kant van de demagogie opgaan, is al lang realiteit. Misschien ligt de grootste uitdaging er nu in om binnen de meer traditionele partijen een tegenbeweging tot stand te brengen die de onredelijkheid en het inherente conservatisme van de populistische stellingen aan de kaak stelt. Daarbij dragen ook de media een grote verantwoordelijkheid. In veel gevallen hebben zij populisten juist het podium gegeven om hun simplistische ideeën te verkondigen. Het waren diezelfde zogenaamde ‘kritische’ kranten die met zijn allen de ‘at your service’ saluerende Pim Fortuyn op hun voorpagina plaatsten en daarmee vrij baan gaven aan een man die het talent had om de onderbuikgevoelens van de bevolking te ventileren.

Wat betekent dat conservatief réveil in de praktijk en wie zit er achter? Hartmans wijst op de schimmige Edmund Burke Stichting die in 2001 van start ging onder de slogan ‘Het conservatieve moment is gekomen’ met als gangmakers Joshua Livestro en Bart Jan Spruyt. De denktank wierp zich op als een tegenstander van het doorgeschoten individualisme, het hedonisme en de seksualisering van de samenleving, maar liet zich tegelijk wel royaal subsidiëren door het farmaceutische concern Pfizer dat veel geld verdient met de verkoop van het erectiebevorderende middel Viagra. De auteur verwijst ook naar Paul Cliteur maar daar vergist hij zich. Alhoewel de Leidense hoogleraar het woord conservatief lange tijd als een geuzennaam gebruikte, weet intussen iedereen dat dit een van de meest progressieve geesten is in Nederland. Zijn oeuvre is één groot pleidooi voor het recht op zelfbeschikking van elk individu en staat derhalve mijlenver af van het communautarisme en andere vormen van groepsdenken. Een andere persoon is Andreas Kinneging die inderdaad een paleo-conservatief discours voert en flirt met tal van libertarische ideeën. Kinneging ziet ‘de Verlichting niet als fundament van onze moderne beschaving, maar juist als het begin van de ondergang van de beschaving an sich’, aldus Hartmans. Maar het echte gevaar komt van Geert Wilders die met zijn islamofoob discours elke nuance opzij zet en het principe ‘eigen volk eerst’ propageert.

Wilders is voor velen een politicus als een ander en de verkiezingsuitslag heeft aangetoond dat veel Nederlanders inderdaad alle heil van hem verwachten. Het zou goed zijn om hem eens van antwoord te dienen en te wijzen op een aantal van zijn stupide uitspraken. Denk aan zijn verbod van de Koran, zijn ‘kopvoddentaks’, en tegelijk aan zijn antiliberale en behoudsgezinde opvattingen op sociaal en economisch vlak. Intussen raakte ook bekend dat hij de Vlaming Paul Beliën als persoonlijke raadgever heeft aangeworven, iemand die verbonden is met het extreemrechtse en racistische Vlaams Blok, die homoseksualiteit pervers noemt en zich keert tegen elke vorm abortus, zelfs als het leven van de vrouw in gevaar is. Weten de kiezers van Wilders dat? Zo neen, dan hebben de vertegenwoordigers van de traditionele partijen, maar ook andere opiniemakers die het goed menen met de democratie en de mensenrechten, niet alleen de taak maar ook de plicht om dit duidelijk bekend te maken. Zeker nu de Nederlandse regering zowat onder curatele staat van een volksverlakker als Wilders is het noodzakelijk zijn politieke doen en laten van nabij te volgen en indien nodig hard te bestrijden.

Lang leve de Linkse Kerk is een interessante tekst, al zet de titel de lezer wel op het verkeerde been. Hartmans erkent immers dat er destijds fouten werden gemaakt en levert ook kritiek op hedendaagse apologeten van het marxisme zoals Slavoj Zizek. Toch had hij gerust de erfenis van mei 68 die door Wilders en consoorten zo fel wordt bekritiseerd, met meer verve mogen verdedigen. Want wie terugkijkt op die opstandige periode ziet dat dit niet alleen een laatste opstoot was van een achterhaald collectivistisch denken, maar ook en vooral een belangrijke doorbraak van het liberale denken, in het bijzonder het individualisme of het recht op zelfbeschikking. Het is door die beweging dat het verstikkende paternalisme een halt werd toegeroepen, dat de verzuiling werd afgebroken, dat de strijd voor de burgerrechten in de VS met succes werd gevoerd, dat de Apartheid in Zuid-Afrika werd afgeschaft, dat de tweede feministische golf een einde maakte aan tal van achterstanden voor vrouwen, en later de gelijkberechtiging van homoseksuelen, de wetgeving op abortus en euthanasie, enz. In die periode werden tal van rechten en vrijheden verworven die we vandaag allemaal evident vinden. Juist daarom moeten we in het verzet gaan tegen populisten, religieus-conservatieven en extreemrechts die dit allemaal zouden willen terugdraaien. Daar moet opnieuw een krachtig ‘No pasarán’ tegenover weerklinken.


Recensie door Dirk Verhofstadt


Rob Hartmans, Lang leve de Linkse Kerk, Aspekt, 2010

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be