De crisis van de islam

boek

Bernard Lewis

Het boek De crisis van de islam van Bernard Lewis, emeritus hoogleraar Midden-Oosten Studies aan de Princeton University, is een historische analyse van de conflicten tussen de islam en het Westen. Lewis schreef dit boek ondermeer vanuit het besef dat de historische kennis van zowel moslims over het Westen en van de gemiddelde Amerikaan over de Arabische wereld abominabel laag is. Een essentieel verschil is alvast het staatsoverschrijdende karakter van de islam. Inwoners van Irak, Egypte of Turkije zien zichzelf niet zozeer als Arabieren, Perzen en Turken maar als moslims. Dit verklaart de betrokkenheid van de inwoners van bijvoorbeeld Pakistan met de gebeurtenissen in Afghanistan. Wie raakt aan één van de moslimlanden raakt daarmee aan de ganse moslimwereld. En dat geldt vooral voor de drie meest ‘heilige’ plaatsen: Saoedi-Arabië waar Mekka en Medina zich bevinden, Irak dat jarenlang het centrum van de moslimwereld was en Israël omwille van de islamitische aanspraken op de stad Jeruzalem. Overeenkomstig de uitspraak van de Profeet dat er ‘geen twee geloven mogen bestaan in Arabië’ volgt de door radicalen ingenomen positie dat deze tot op vandaag verboden terrein zijn voor niet-moslims. Hiermee komen we volgens Lewis meteen in de kern van het conflict tussen de (radicale) islam en het Westen. Want juist tijdens de eerste Golfoorlog gaven diverse islamitische landen, waaronder Saoedi-Arabië toelating aan Westerse troepen om zich op hun grondgebied te stationeren en van daaruit hun ‘broeders’ in Irak aan te vallen.

Een belangrijk verschil tussen het Westen en de islam is het feit dat het principe van de scheiding van kerk en staat, dat een essentieel kenmerk is in het Westen, geen gelijke kent in de islam. Moslimlanden kennen geen keizers maar enkel God als heerser en bron van recht. Het centrale dogma is dat de koran eeuwig en onveranderlijk is. Het geloof blijft in moslimlanden onbekritiseerd en zelfs onder moslimgemeenschappen in westerse landen is kritiek hoogst uitzonderlijk. “Het islamitische geloof en de islamitische cultuur wordt daar een mate van onaantastbaarheid verleend die de christelijke meerderheid kwijt is geraakt en de joodse minderheid nooit gekend heeft”, aldus Lewis. Deze vaststelling klopt met de realiteit. Zo is het pas sinds de opkomst van Pim Fortuyn en de kritiek van Ayaan Hirsi Ali en Afshin Ellian dat kritiek op het moslimgeloof, zij het met veel weerstand vanuit de wereld van het politiek correcte denken, enigszins mogelijk is.

Bernard Lewis maakt ook duidelijk wat in de loop van de geschiedenis de betekenis en de gevolgen van de jihad is geweest. De jihad is een belangrijke opdracht die door de Profeet is opgedragen aan de moslims. Zo is het volgens de islamitische wet toegestaan oorlog te voeren tegen vier soorten vijanden: ongelovigen, afvalligen, opstandelingen en bandieten. Wel krijgen de ‘islamitische strijders’ de opdracht om geen vrouwen, kinderen en bejaarden te doden. En wie ingevolge deze strijd gedood wordt verdient het martelaarschap van de eeuwige zaligheid. Lewis legt dit alles omstandig uit om aan te tonen dat zelfmoord een binnen de islam onaanvaardbare daad is die juist leidt naar eeuwige verdoemenis en dat nergens in de koran wordt aangespoord tot terrorisme en moord waarbij onschuldigen zouden vallen. Dit gegeven is belangrijk. De zelfmoordcommando’s van de Palestijnse Hamas en van Al Quada handel(d)en in feite tegen de islamitische voorschriften. Islamitische rechtsgeleerden beklemtonen dat de belangrijkste vijanden de eigen afvalligen zijn. Voor die zonde bestaat geen genade: mannelijke afvalligen moeten gedood worden (zie Salman Rushdie), voor vrouwen volstaat opsluiting. Hier schuilt een enorm gevaar. Voor heel wat radicale moslims zijn de eigen islamitische heersers die wij in het westen als onze bondgenoten zien immers de grootste verraders en vaak zelfs afvalligen. Dit was dan ook de ‘reden’ waarom radicale moslims de Egyptische predident Sadat hebben vermoord.

Heel wat westerlingen zien de islam als een achterlijke godsdienst en cultuur, vooral inzake technologische, economische en politieke ontwikkeling. Nochtans lag de islam eeuwenlang voorop op het ‘barbaarse’ Westen. Volgens Lewis keerde het tij op het einde van de 16de en in de 17de eeuw. Hij citeert een Ottomaanse regeringsfunctionaris die in 1593 onder indruk was van een enorm schip dat 3.700 zeemijlen had afgelegd en 83 kanonnen aan boord had. Maar belangrijker was het feit dat het schip niet door een westers staatshoofd was betaald maar door een private handelsonderneming. Juist het mercantilisme zorgde voor een versnelde economische en technologische ontwikkeling. Met de Franse Revolutie en later de bezetting door Napoleon van Egypte kwam dat verschil ook op militair en politiek vlak tot uiting. De latere kolonialisering van de meeste islamitische landen zorgde daar wel voor vooruitgang zoals infrastructuur, onderwijs, sociale veranderingen, de afschaffing van de slavernij en in grote mate van de polygamie. Maar in landen die hun onafhankelijk bewaarden, bleven dergelijke ‘moderniseringen’ uit. Zo werd de slavernij in Saoudi-Arabië pas wettelijk verboden in 1962 en hebben vrouwen er zo goed als geen rechten. Intussen is de afkeuring, zelfs haat van veel moslims vooral gericht tegen de Verenigde Staten. Niet alleen omwille van de steun van de VS aan Israël maar vanuit religieus standpunt nog meer omwille van de 'decadente' levenswijze van de Amerikanen. (Lewis verwijst hierbij naar de walging van de Egyptenaar Sayyid Qutb, de ideoloog van het moslimfundamentalisme, voor de dans. Hij ziet hier dan ook een verklaring voor het feit dat tal van aanslagen gebeuren tegen dancings en nachtclubs als gerechtvaardigde doelen). In 1979 leidde dit tijdens de Iraanse Revolutie tot de bestorming van de Amerikaanse ambassade in Teheran waarbij 62 Amerikanen werden gegijzeld.

In het hoofdstuk ‘Meten met twee maten’ is Lewis vernietigend voor de dubbelzinnige houding van heel wat westerse landen tegenover de schending van de meest essentiële grondrechten van de mens in landen waar ze goede relaties mee onderhouden zoals Saoudi-Arabië, Soedan en Libië. Hij klaagt de Amerikaanse buitenlandse politiek aan die in het verleden meer rekening hield met de eigenbelangen dan met de belangen van de lokale bevolking. Zo bijvoorbeeld bij hun steun aan de sjah van Iran, de steun aan Saddam Hoessein in de oorlog tegen Iran, de steun aan de Mudjahedien in hun strijd tegen de Sovjet-Unie en zelfs de steun van de CIA aan een zekere Osama Bin Laden eind jaren ’70. En wat de islamitische bevolking van die landen ook onthouden is het ‘verraad’ van diezelfde Amerikanen die na de eerste Golfoorlog de Koerden en de sjiieten opriepen om Sadam Hoessein van de troon te stoten, maar niets deden toen ze door de Iraakse dictator in de pan werden gehakt. In de ogen van heel wat moslims misbruiken de westerse landen hun macht om dictators aan de macht te houden zoals in Pakistan en Egypte waar, moesten er vrije verkiezingen zijn, de islamisten een overwinning zouden behalen zoals het ook het geval was in Algerije (daar werd na de eerste ronde van de perlementsverkiezingen in 1991 de verkiezingen stilgelegd uit vrees voor een grote overwinning van het FIS).

Lewis blijft niet steken in veralgemeningen. Hij wijst erop dat de meeste moslims geen fundamentalisten zijn. Maar het fundamentalisme wint veld. Zij zien de moderniteit als de oorzaak van de achterstand van de moslimwereld. Het fundamentalisme kreeg vooral vorm in Arabië bij de wahhabieten (volgelingen van Abd al-Wahhab die in 1744 een campagne opstartte met als doel terug te keren naar de authentieke islam). Daarbij gingen ze vooral te keer tegen de zogenaamde ‘afvalligen’. Intussen is het ‘wahhabisme’ de officiële godsdienst in Saoedi-Arabië. Een land met de meest heilige islamitische plaatsen en enorme financiële middelen (waarmee ze vooral scholen en universiteiten steunen die de zuivere islam propageren). Soortgelijke bewegingen zijn de Egyptische Moslimbroederschap en de Afghaanse Taliban. Hun doelstelling is eenvoudig: de modernisering terugdraaien en de sjariah als enig geldende wet erkennen en toepassen. In een land als Saoedi-Arabië is dat laatste wel van kracht, maar groeit het ongenoegen over de samenwerking van de Saoedische heersers met de Amerikaanse ‘ongelovigen’. De verjaging van de ongelovigen van de Arabische heilige grond is dan ook de hoofdinzet van Osama Bin Laden. De groeiende aanhang van de moslimfundamentalisten is voor Lewis een gevaarlijke trend die ook de bestaande spanningen met moslimgemeenschappen in westerse landen kan aanwakkeren.

Het boek van Lewis is een heldere en kritische beschouwing over de relatie tussen de islam en het Westen. Hij maakt duidelijk dat we dringend steun moeten verlenen aan de democratische oppositiebewegingen die in sterk anti-Amerikaanse landen als Irak en Iran bestaan. Waarschijnlijk zal nog meer nodig zijn en zullen de westerse landen ook hun relaties met dictaturen als Saoudi-Arabië en andere Arabische landen in vraag moeten stellen. Het wordt in elk geval een enorme opgave maar die ons niet onverschillig mag laten. Lewis weet waarom. “Als de fundamentalisten hun kansen goed hebben ingeschat en hun oorlog winnen, dan ligt er voor de wereld een donkere toekomst in het verschiet, vooral in dat deel van de wereld dat de islam in zijn armen heeft gesloten.” Dit boek is een must voor al wie de wortels van de woede onder radicale moslims wil begrijpen.


Recensie door Dirk Verhofstadt (verhofstadt.dirk@pandora.be)

Bernard Lewis, De crisis van de islam, Het Spectrum, 2003

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be