Het lange lied

boek vrijdag 28 mei 2010

Andrea Levy

Dat de Britse overheid besliste om op 1 augustus 1834 de slavernij in het Britse Rijk af te schaffen had meerdere oorzaken, waarvan het toenemende moreel bewustzijn van de bevolking er maar een was. Een andere was een gebeurtenis die drie jaar eerder op Jamaica had plaatsgevonden en die aantoonde dat het zo niet langer verder kon. Eind december 1831 brak op dit eiland dat bekend stond voor zijn suikerplantages die van de negerslaven een bijzonder hard labeur eisten een staking uit. Geleid door de baptistische priester Samuel Sharpe legden 60.000 van de 300.000 op Jamaica werkzaam zijnde slaven het werk neer. Ze eisten voortaan betaald te worden voor hun werk en vonden dat de helft van een normaal dagloon niet meer dan passend zou zijn.

Omdat de plantage-eigenaars dit eerder een onsmakelijke grap dan een gewettigd voorstel vonden, gingen zij niet in op de eisen, waardoor de staking in een regelrechte rebellie uitmondde en de slaven overgingen tot het in brand steken van de plantages, waarbij het voortbestaan van de hele suikerindustrie op de helling kwam te staan Bij het herstellen van de orde, zoals de eigenaars hun wraakacties noemden, werden vijfhonderd zwarten vermoord, waarvan een minderheid tijdens de strijd zelf. De meesten werden nadien gewoonweg geëxecuteerd. Toen dit Londen ter ore kwam beseften de gezagdragers dat alleen de totale afschaffing van de slavernij een herhaling van zo’n bloedbad met verstrekkende economische gevolgen kon voorkomen.

Andrea Levy, zelf geboren uit naar Groot-Brittannië geëmigreerde Jamaicanen, schreef een roman geplaatst tegen de achtergrond van de rebellie en de daarop volgende moorden die laat zien dat de afschaffing van de slavernij niet meteen de hemel op aarde bracht voor de zwarte plantage-arbeiders. Nee, zo lezen we in de ondertitel van Het lange lied, het was een bevrijding die geen vrijheid bracht, en dit niet alleen omdat de voormalige slaven verplicht werden om nog zes jaar gratis voor hun oude meesters te werken, maar ook omdat ze nadien arbeiders werden die zich naar de eisen van de werkgevers dienden te plooien of op straat werden gegooid. Ze maakten niet langer deel uit van het kapitaal van de plantage-eigenaars, maar waren goedkope werkkrachten geworden die naar behoeven konden worden ingezet. “De vlijtigen en welwillenden zullen het goed hebben,” laat Levy een opzichter tegen de gloednieuwe zwarte arbeiders zeggen, “De mensen die lui, ordeloos en traag zijn en zich liederlijk gedragen, zullen geen voorspoed kennen en niet kunnen blijven.” Hen wachtte de bedelstaf, want de Indiase koelies stonden te dringen om hun plaats in te nemen, zoals Amitav Ghosh ook al beschreef in zijn recente roman Zee van papaver.

Het lange lied begint met een verkrachting. Kitty, een door haar meester eerder in termen van vee dan van mensen beschreven slaaf - “kijk naar de spieren in die kuiten, als boomstammen, het komt door het werk op de suikerrietvelden, ze zijn ervoor gemaakt” - wordt door opzichter Tam Dewar besprongen, wat leidt tot een zwangerschap. Kitty is zulk een verwoede werkster dat ze pas heel laat merkt dat ze een baby verwacht, zo laat zelfs dat het kind al geboren is en tussen de suikerrietbladeren ligt te huilen voor ze het goed en wel beseft. Ze neemt het uk aan de borst en de melk begint al in de mond van het gulzig drinkende meisje te spuiten. Ziet u het voor zich, dit koloniale plaatje van de hard werkende slaaf, in bruin en groene tinten gekleurd en met een felle zon op de achtergrond? Natuurlijk, u herkent het, en Andrea Levy ook, vandaar dat ze haar verhaal meteen onderbreekt en een beter betrouwbare vertelster invoert, een oude vrouw, de moeder van Thomas Kinsman, een drukker-uitgever die eind negentiende eeuw op Jamaica werkzaam was.

Je ziet ze zo voor je zitten, die ietwat gezette mama die door het leven gepokt en gemazeld is en goedlachs iedere twist met een kwinkslag opzij ruimt. Om de haverklap begint ze te bekvechten met haar zoon, over details die ‘historisch’ zijn, maar die zij zich niet herinnert, en dan dreigt ze ermee het boek achter te laten zoals het is, tot ze inziet welk plezier ze aan het schrijven beleeft en toch maar weer doorgaat met haar verhaal. Vergeet al die praatjes, bezweert ze de lezer, we zijn niet op de wereld om de waarheid in clichébeelden te verpakken, maar om die onverbloemd mee te delen en die luidt dat Kitty in de hut waar ze woonde een lange en pijnlijke bevalling kende waarna ze een dochter op de wereld zette die ze July noemde, de enige maand van het jaar waarvan ze uit de paar lessen die ze ooit had gekregen onthouden had hoe ze die moest schrijven, ook al was haar baby in december geboren.

July was de trots van haar moeder tot ze op haar negende werd opgemerkt door Caroline Mortimer, de zus van plantage-eigenaar John Howarth en, omdat zij weduwe was en haar broer weduwnaar, ook een beetje de meesteres van de plantage. July leek haar de ideale dienstmeid en daarom nam ze het kind mee naar het grote huis, trok het een jurkje en een schort aan en noemde het Marguerite, omdat zo’n Franse naam toch veel beter stond dan een zomermaand. Een jaar of tien gaat alles goed, tot op kerstavond 1831 het nieuws binnenloopt dat de slaven van een naburige plantage in opstand zijn gekomen en de blanke mannen halsoverkop ter hulp schieten. Caroline blijft alleen achter op de plantage, geholpen door de brute opzichter Tam Dewar die zijn dochter niet eens erkent en Godfrey, de leider van de slaven. Tot deze twee beslissen dat het misschien een beetje te warm onder de voeten van hun meesteres zou kunnen worden en zij haar naar de nabijgelegen stad afvoeren, waar zij zich veilig kan voelen in het gezelschap van andere blanken. Wat volgt is een kortstondige periode van idyllisch geluk, waarbij July verliefd wordt op de vrijgekochte ex-slaaf Nimrod, zij de liefde bedrijven in het bed van de meester en daar ’s ochtends betrapt worden door de onaangekondigd teruggekeerde John en Caroline. Alhoewel, betrapt is een groot woord, want net op tijd kunnen ze zich onder het bed verstoppen.

We vermeldden het al, de vertelster van Het lange lied beleeft duidelijk plezier aan het neerschrijven van haar verhaal, en dat plezier straalt rechtstreeks af op de lezers. Levy, bij ons vooral bekend omwille van haar vorige roman, Klein eiland, winnaar van de Orange Prize en onlangs nog als reeks te zien op de Vlaamse tv, weet immers hoe ze de aandacht van de lezer scherp moet houden. Wanneer je een boek schrijft over de slavernij moet je vooral maken dat je je publiek niet wegjaagt weet ze, en dat kun je doen door de clichés van het genre te vermijden en er geen loodzwaar kijk-eens-hoe-wij-afgezien-hebbenboek van te maken. En dat doet Levy voortreffelijk. Ze is bijzonder origineel in de beelden die ze kiest en haar vertelster blijkt oog te hebben voor de humor in de miserie, wat het leven er voor de slaven - en uiteindelijk ook voor ons - een stuk lichter op maakt. Godfrey beschrijft ze bijvoorbeeld als een voormalige dekhengst met een versleten lul: “In vroeger tijden kon de straal een kampvuur doven, maar nu ontbrak het Godfrey aan kracht om rechtopstaand te wachten tot zijn plas de weg naar buiten vond; hij moest geduldig op zijn po zitten, want zijn dorre geslachtsorgaan gaf zijn vocht prijs als een kwijlende peuter die zijn eerste tandje krijgt”. Willen of niet, dit zie je zo voor je.

Maar dit betekent niet dat Het lange lied oppervlakkig is. Levy is niet te beroerd om ook de onrechtvaardigheid en de dramatiek van het plantagebestaan te tonen. Vanonder het bed zien July en Nimrod bijvoorbeeld hoe meester John zich een kogel door het hoofd jaagt, waarna het stel gevonden wordt en Caroline Nimrod beschuldigt van moord. De man vlucht, Dewar gaat hem achterna, schiet hem dood en staat net op het punt hetzelfde te doen met zijn dochter July wanneer Kitty tussenbeide komt en haar vroegere verkrachter half dood slaat, een daad waarvoor ze niet veel later opgehangen wordt. Dit had een Griekse tragedie kunnen zijn, besef je op zo’n moment, een verhaal dat aan de basis ligt van een hele cultuur, en misschien heeft Andrea Levy met Het lange lied inderdaad wel zo’n epos geschreven.


Recensie door Marnix Verplancke

Deze tekst verscheen eerst in ‘Uitgelezen’, de boekenbijlage van De Morgen


Andrea Levy, Het lange lied, vertaald door Otto Biersma, Mouria, 335 p., 22,95 euro.

Links
mailto:marnixverplancke@skynet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be