Legaliteit en legitimiteit

boek

Paul Cliteur en Afshin Ellian

Wat zijn de kernwaarden van onze samenleving? Hoe is onze democratische rechtsstaat tot stand gekomen? En wat zijn de grondslagen van het moderne recht? Deze vragen zijn de voorbije decennia erg belangrijk geworden in de wetenschap dat onze samenleving steeds meer multicultureel en multireligieus wordt. Er is dringend behoefte aan een eenduidig kader dat ervoor zorgt dat de inwoners ondanks hun maatschappelijke, culturele en religieuze verschilpunten, toch harmonisch kunnen samenleven. Op deze prangende vragen proberen de Nederlandse rechtsgeleerden Paul Cliteur en Afshin Ellian een antwoord te bieden in hun nieuw boek Legaliteit en legitimiteit. De grondlagen van het recht waarin ze de lezer confronteren met de grondslagen, uitgangspunten en technieken van de rechtswetenschap. Op het eerste zicht lijkt het een louter academisch boek ten bate van rechtenstudenten, maar al snel blijkt dat de onderwerpen die ze behandelen interessant zijn voor zowat alle burgers.

In een eerste hoofdstuk buigen de auteurs zich over de vraag of een legale rechtsorde, die dus in overeenstemming is met de wet, ook legitiem is, dat wil zeggen dat ze in overeenstemming is met de rechtvaardigheid. Men kan hier denken aan de nazi-periode waarin wel wetten bestonden maar die van de burgers soms zaken verlangden die niet strookten met wat zij op morele gronden juist vonden. Dit leidt op zich tot een andere vraag: bestaat er zoiets als een hoger recht? Volgens aanhangers van het natuurrecht bestaat er een hoger recht dat onveranderlijk is en overal van toepassing. ‘Doe het goede en laat het kwade’. Dit standpunt werd verdedigd door Thomas Van Aquino en tal van andere katholieke auteurs. Volgens Thomas betreft het natuurrecht een goddelijk recht, namelijk ‘de wil van God zoals die is neergelegd en is af te leiden uit de natuur’ en dat derhalve absoluut geldig is. Overheidswetten die ingaan tegen dat natuurrecht zijn in dat opzicht geen echt recht en de burger mag er zich dan ook tegen verzetten. Hieruit blijkt dat de aanhangers van het natuurrecht vooral gericht waren op de legitimiteit van het recht.

Tegenover de natuurrechtsleer ontwikkelde zich het rechtspositivisme. Dat ziet het geldend recht als veranderlijke wet- en regelgeving uitgaande van overheid en dat niet gebaseerd is op fundamentele waarden en normen. Rechtspositivisten zijn eerder gefixeerd op de legaliteit van het recht, wat evenwel kan leiden tot willekeurige en zelfs misdadige wetten. Hier kwam vooral na de Tweede Wereldoorlog kritiek op. Volgens onder meer Chaďm Perelman en Friedrich von Hayek bestaan er wel gemeenschappelijke rechtsbeginselen, grondrechten en mensenrechten, zonder dat men het moet hebben over ‘goddelijk recht’. De auteurs spreken in dit verband van een ‘cultuurrecht’, namelijk ‘het geheel van rechtsbeginselen, grondrechten en mensenrechten waarover wij in de westerse samenlevingen een zekere mate van consensus hebben kunnen bereiken.’ Niet God ligt hier aan de oorspong van, maar wel ‘juridische constructies die door mensen (door de tijd heen) zijn uitgedacht’, aldus Cliteur en Ellian.

In een tweede hoofdstuk onderzoeken Cliteur en Ellian ‘de democratische rechtsstaat als legitiem staatsmodel’. De discussie daartoe werd aangezwengeld door Francis Fukuyama die in 1989 een tekst over het einde van de geschiedenis schreef en betoogde dat de liberale democratie finaal de strijd tussen de ideologieën had gewonnen. Intussen kreeg Fukuyama ongelijk, maar dat is een andere kwestie. Wat Fukuyama juist beschreef is dat democratie en liberalisme niet hetzelfde zijn, waarvoor hij verwees naar Iran waar regelmatig verkiezingen worden gehouden maar dat allesbehalve een rechtsstaat is. Kenmerkend voor een rechtsstaat zijn het legaliteitsbeginsel, het bestaan van grondrechten (opgetekend in een grondwet of in internationale verdragen), constitutionalisme (dat de macht van de staat bindt aan het recht), verschansing (hoger recht dat niet of moeilijk kan gewijzigd worden) en rechterlijke controle. Wel moet men, aldus de auteurs, opletten dat men het begrip mensenrechten niet te breed interpreteert omdat ze anders hun geloofwaardigheid dreigen te verliezen.

Cliteur en Ellian blijven in het derde hoofdstuk uitvoerig stilstaan bij het principe van de scheiding van kerk en staat dat doorgaans wordt vermeld als een Verlichtingsideaal. Dat principe staat onder druk, zeker in landen met een religieus radicale achtergrond, maar ook in het Westen, denk aan de discussies over kruisbeelden in Italiaanse scholen, het verbod op opvallende religieuze symbolen in Franse publieke diensten, en religieuze praktijken die haaks staan op het zelfbeschikkingsrecht. De auteurs bespreken vijf mogelijke opties in de relatie tussen staat en religie: (i) de atheďstische staat, (ii) de theocratische staat, (iii) de staat met een staatskerk, (iv) de multiculturele staat en (v) de agnostische staat. Een atheďstische staat, zoals destijds in de Sovjet-Unie en Albanië, probeert religie te vernietigen. Dit strookt niet met een democratische rechtsstaat waarin elke burger zijn geloof vrij mag belijden. De theocratische staat, zoals Saoedi-Arabië en Iran, dwingt elke burger tot een bepaald geloof. Ook dit staat haaks op een rechtsstaat want er bestaat geen onafhankelijke rechterlijke macht, geen vrijheid van meningsuiting, geen gelijkwaardigheid van man en vrouw, en dergelijke.

In landen met een staatsgodsdienst, zoals Engeland en Denemarken, worden andere religies wel toegestaan maar tegelijk ook gediscrimineerd. In Noorwegen worden religies dan weer bevoordeeld ten opzichte van niet-geloof. In de praktijk zien we dat steeds meer landen die een christelijke staatsgodsdienst hadden, dit in min of meerdere mate hebben afgebouwd omwille van het gelijkheidsprincipe. In de multiculturele staat worden alle religies in gelijke mate ondersteund maar gaat men er ook van uit dat culturele waarden en normen van de ene cultuur gelijk behandeld moeten worden als die van een andere cultuur. Dit leidt bijvoorbeeld tot het toelaten van speciale joodse en islamitische rechtbanken, zoals in Engeland het geval is, maar ook het vergoelijken van culturele praktijken die haaks staan op de mensenrechten. Voorbeelden daarvan zijn gedwongen huwelijken, polygamie en verstotingen. Ook dit past niet in een democratische rechtsstaat omdat de belangen en tradities van de groep hier belangrijker worden geacht dan de belangen van het individu.

Zo komen de auteurs bij het vijfde model, de agnostische staat, die ze met vuur verdedigen. ‘De agnostische of seculiere staat bestrijdt de religieuze overtuigingen van zijn burgers niet, maar verdedigt zelf ook geen enkele religieuze positie’, aldus Cliteur en Ellian. De staat is in dat geval zelf religieus neutraal. Een voorbeeld daarvan is Frankrijk waar staatsambtenaren hun eigen religieuze overtuiging op geen enkele manier zichtbaar laten blijken. Hier wordt de scheiding van kerk (of geloof) en staat rigoureus doorgetrokken. Gelovigen en ongelovigen staan op gelijke voet. Een logisch gevolg van deze positie is dat de staat religies en levensbeschouwingen niet langer financiert, dus ook geen organisaties of instellingen die op basis van een religie of levensbeschouwing functioneren. Verder ook dat overheden, zowel nationaal, regionaal als lokaal geen initiatieven nemen of ondersteunen die een religieus of levenbeschouwelijk karakter hebben. En tenslotte is het in een seculiere staat uitgesloten dat er parallelle rechtssystemen zouden bestaan. De regel is hier: ‘One law for all’.

In hun vierde hoofdstuk behandelen Cliteur en Ellian de vraag naar de universaliteit van waarden en beginselen. Vanuit cultuurrelativistische hoek wordt vaak gewezen op het ‘westerse’ karakter van de mensenrechten en dat die in andere landen maar een relatieve betekenis hebben. Neem vrouwenbesnijdenis. Volgens de Nederlandse Grondwet bestaat er het recht op de onaantastbaarheid van het lichaam. Maar in andere landen zoals Egypte, Somalië en Burkina Faso wordt het massaal toegepast. Is dit laatste aanvaardbaar? Vanuit een cultuurrelativistisch standpunt eigenlijk wel omdat het de moraal ziet als een onderdeel en afhankelijk van cultuur, en dat men zich niet kan bevrijden van zijn cultuur. De auteurs verwijzen naar Dworkin dat dit fout is. ‘Moraal in de zin van kritische moraal is niet het volgen van de “folkways”, maar het bepalen van een eigen kritische attitude daartegenover’. Soms moet men de eigen cultuur opzij schuiven en een universeel standpunt innemen. Anders zou bijvoorbeeld de slavernij nooit afgeschaft geworden zijn. En dan hadden de Britten nooit de weduweverbrandingen in India kunnen afschaffen.

Cliteur en Ellian verwijzen naar het eerste artikel van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, namelijk dat alle mensen vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren worden. In hun zoektocht naar de klassieke grondslagen van het moderne recht komen de auteurs tot het besluit dat de liberaal democratische rechtsstaat ‘de enige samenlevingsvorm is waarin ook de mensenrechten gerespecteerd kunnen worden’. Dit boek vormt alvast een helder betoog over de filosofische grondslagen van het recht en over de beste manier om te komen tot een echte scheiding van geloof en staat.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Paul Cliteur en Afshin Ellian, Legaliteit en legitimiteit, Leiden University Press, 2016

Links
mailto:verhofstadt.dirk@telelenet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be