Meer LEF in het onderwijs

boek

Patrick Loobuyck

Meer LEF in het onderwijs van Patrick Loobuyck handelt over een vernieuwde kijk op de levensbeschouwelijke opvoeding in onze scholen. LEF staat voor Levensbeschouwing, Ethiek en Filosofie. Laat ik beginnen met wat informatie over de auteur. Wat kan ik van Patrick Loobuyck verwachten? Loobuyck is hoofddocent Levensbeschouwing aan het Centrum Pieter Gillis van de Universiteit Antwerpen. Volgens de website van het Centrum is het een reflectiecentrum voor actief pluralisme. Onder actief pluralisme wordt een wederzijdse belangstelling tussen leden van verschillende levensbeschouwingen verstaan. Dat staat in schril contrast met een passieve houding waarbij die levensbeschouwingen naast elkaar bestaan en zonder onderlinge contacten, althans wat hun inhoud betreft. Aan de Universiteit Antwerpen werd tevens een verplicht levensbeschouwelijke vak voor alle studenten van het 3e bachelorjaar ontwikkeld.

Hij is de auteur van De seculiere samenleving: Over religie, atheïsme en democratie (2013). Daarin schetst hij de historische opkomst, filosofische verantwoording en huidige betekenis van de seculiere samenleving. En reeds in dit boek verdedigt hij het invoeren van een levensbeschouwelijk eenheidsvak dat het individu in staat moet stellen om zijn eigen levensbeschouwelijke keuze te maken. Hij is medeoprichter van de vzw LEF (2011), dat ijvert voor de invoering van een eenheidsvak Levensbeschouwingen. Dat zijn allemaal aanwijzingen dat Loobuyck van de introductie voor een levensbeschouwelijk vak in het onderwijs zowat zijn levensdoel gemaakt heeft. Bovendien moet hij in de loop der jaren een niet onaanzienlijke expertise hebben opgebouwd. Voor de beoordeling van Meer LEF in het onderwijs is mijn eigen ervaring als leraar Niet-confessionele zedenleer in het secundair onderwijs niet onbelangrijk. Enkele gebeurtenissen uit deze praktijk zijn sprekend voor het behandelde onderwerp en ik wil ze de lezer dan ook niet onthouden, temeer omdat ze hem met de realiteit confronteren.

Ieder jaar breng ik mijn leerlingen in contact met de Holocaust, uiteraard aangepast aan de leeftijd. Gedurende één van die lessen kreeg ik te maken met de hevige reactie van een leerling van Arabische origine, die mij in vrij agressieve bewoordingen duidelijk maakte dat alleen maar over de Holocaust gesproken wordt en niet over de vernederingen die de Palestijnse in Gaza moeten ondergaan. Ik maakte duidelijk dat het mij in de eerste plaats te doen is om de menselijkheid te verdedigen, ongeacht of het gaat om joodse dan wel Palestijnse mensen en dat de Holocaust een historische gebeurtenis is die diepe wonden in onze beschaving heeft geslagen en niet meer mag vergeten worden. Bovendien nodigde ik de leerling uit om zelf het leed dat de Palestijnen wordt aangedaan voor de klas duidelijk te maken, maar dat het niet de bedoeling mocht zijn om er een meting van internationale politiek van te maken, maar enkel een aanklacht tegen onmenselijkheid. Ik maakte ook duidelijk dat ook niet alle joden zomaar alles goedkeuren wat daar in Gaza gebeurt en dat sommige Palestijnen niet bepaald doetjes zijn. Ik hoop dat ik de leerling en ook alle leerlingen van de klas heb kunnen aanzetten over dat alles na te denken.

Een ander voorval dat ik de lezer niet wil onthouden situeert zich in de leraarskamer. Aan mijn collega-islam vroeg ik op de man af wat hij denkt over de evolutieleer. Tot mijn verbazing kreeg ik als antwoord dat het scheppingsverhaal letterlijk moet genomen worden en dat de Koran geen vodje papier is. Ik was stomverbaasd, maar men blijft natuurlijk beleefd, hoewel ik mij afvroeg of een dergelijke houding in het gesubsidieerd onderwijs past. Buiten het onderwijs mag eenieder denken wat hij wil. Een andere collega, namelijk van godsdienst in een katholieke school, wist mij te vertellen dat zijn lessen in klassen die voor de overgrote meerderheid uit Brusselse moslimjongeren bestond, ongetwijfeld niet zo veel afweken van de mijne.

Ik heb ook de gewoonte om mijn leerlingen kennis te laten nemen met diverse religies, maar dan beoordeeld vanuit het vrijzinnig humanistische standpunt. Ik ben immers leraar Niet-confessionele zedenleer. Een van mijn leerlingen catalogeerde enkele dogma’s en mysteries uit de katholieke leer als ‘bullshit’ vooraleer ik met mijn godsdienstkritiek opdaagde. Als er over de islam gesproken wordt doemen dan weer onmiddellijk de clichés op, zodat de leraar niet enkel moet optornen tegen wat heel wat leerlingen van huis uit meekregen, maar ook tegen het eenzijdige beeld dat door de op sensatie beluste media voorgeschoteld wordt. Dan is een shocktherapie het enig mogelijke tegengewicht, maar dat nadert al wat de indoctrinatie. Ik probeer dat op te vangen met beelden, filmpjes en getuigenissen die de andere kant van het verhaal laten zien. Woorden staan dan immers machteloos. Uiteraard gaat het om onmisbare waarden, zeg maar fundamentele mensenrechten of om zaken recht te zetten die wetenschappelijk fout zijn. Het is vanzelfsprekend niet de bedoeling om de eigen rechtmatige mening van de leerlingen te fnuiken.

Meestal geef ik les in wat nog steeds het BSO genoemd wordt, maar ik heb ook in het ASO les gegeven. De kloof is enorm en niet enkel te herleiden tot motivatie. Je moet echter niet slim zijn om een goede mens te worden, zodat ik pleit om de doelstellingen nog meer naar de specifieke doelgroep te oriënteren, zeker wat de presentatie betreft, maar ook de inhoud. De ervaring leert mij dat een goede levensbeschouwelijke les niet gerealiseerd wordt door een (administratieve) controle op de leraar en een uitgebreide lijst van doelstellingen, maar door een goede lerarenopleiding (met doelstellingen) en de gemotiveerdheid van de leraar. Als de leraar zijn les voorbereidt moet hij zich niet afvragen welke doelstelling uit zijn doelstellingenlijstje hij die dag zal realiseren, maar wel, waaraan hebben de leerlingen van die bepaalde klas in al hun verscheidenheid behoefte. Alle collega’s die ik ken leveren prachtig werk, maar heel wat van hen worden ontmoedigd door formalistische beslommeringen. Het is helemaal niet moeilijk om formeel in orde te zijn maar in de praktijk geen meerwaarde te realiseren.

Het is niet de bedoeling dat ik hier een boek schrijf over mijn wedervarens als leraar of een pleidooi houd voor een hervorming van de kijk op les geven, maar deze markante gebeurtenissen kunnen als inleiding toch tellen. Verder ben ik de mening toegedaan dat de normale, moderne mens geen nood heeft aan religieuze verhaaltjes, aan een god of ietsisme, maar, gezien nog zoveel mensen wel in één of andere transcendentie geloven en het onwaarschijnlijk is dat daar vlug verandering in zal komen, is het maar beter om hen in hun wijsheid te laten. Hoewel ik niet begrijp dat een ontwikkelde mens nog een tweede religieuze naïviteit kan ontwikkelen, ben ik niet behept met een atheïstische bekeringsijver. Het valt mij overigens telkens op hoe selectief gelovige (en ontwikkelde) mensen omgaan met informatie in dat verband. Op één van de eerste pagina’s van het boek vermeldt Loobuyck een citaat van Robert Jackson, hoogleraar Religion and Education aan de University of Warwick in het Verenigd Koninkrijk: ‘All schools should promote social justice (including religious tolerance), knowledge about religions, the development of the pupils’ skills of criticism and independent thinking, and also the dialogue and interaction between pupils of different backgrounds.’ Dat citaat kan doorgaan als een samenvatting van het LEF-programma dat Loobuyck zich gesteld heeft en is dus als opener uitstekend gekozen.

Loobuyck valt in de inleiding al meteen met de deur in huis door er op te wijzen dat er een zorgwekkende contradictie bestaat tussen wat beleidsverantwoordelijken zeggen over de noodzaak aan kennis en vaardigheden op levensbeschouwelijk gebied voor de jeugd, terwijl er weinig terecht komt van de vorming in levensbeschouwelijke geletterdheid, morele vorming, burgerschapseducatie, filosofie en kritisch denken en wel in een context van verplichtheid, los van specifieke levensbeschouwingen, en voor alle leerlingen samen, van het lager tot het hoger onderwijs. LEF is niet tegen een specifieke levensbeschouwing maar vormt juist de voedingsboden voor een eigen hedendaagse, volwassen levenshouding. Het gaat dus geenszins om het veralgemenen van Niet-confessionele zedenleer tot alle onderwijsnetten, maar om een vorming sui generis dat voor alle redelijke confessies aannemelijk is en dat maatschappelijk noodzakelijk is. Volgens Loobuyck is het perfect mogelijk dat bijvoorbeeld in het katholiek onderwijs daar bovenop nog godsdienst gegeven wordt.

Om advocaat van de duivel te spelen zou ik daarop willen inbrengen dat men in bijvoorbeeld het katholiek onderwijs, voor zover ik daarvan op de hoogte ben, de mening toegedaan is dat er ook zoiets bestaat als een religieus aspect in alle andere vakken. Andere vakken kunnen niet geïsoleerd worden van een algemene christelijke houding. Maar, om mijn rol van advocaat van de duivel terug te verlaten, het zou de moeite waard zijn om dan heel concreet na te gaan waarin die verschillen dan wel bestaan. Ik vermoed dat een dergelijk onderzoek zeer relevant zou kunnen zijn als pleidooi voor een neutraal levensbeschouwelijk vak. Bovendien heeft er zich, sinds een aantal decennia, een verschuiving voorgedaan in de vraag vanwege de leerlingen en hun ouders. De schoolpopulatie vertoont niet meer dezelfde karakteristieken als pakweg vijftig jaar geleden, toen de kerktoren letterlijk en figuurlijk nog midden in het dorp stond. Het katholieke geloof is verwaterd en de islam is in optocht. Het aanbod is daarentegen nog steeds overwegend katholiek en beantwoordt dus niet meer aan de realiteit. Het katholiek onderwijs worstelt zelf met dat probleem en er heerst op de verschillende niveaus verdeeldheid over de aanpak.

Ik zou zeggen dat dit onderwijs teert op haar glorierijk verleden, dat haar achterhaalde (religieuze) levensbeschouwing profiteert van gesubsidieerde instituties en dat haar al of niet terechte pedagogische (over)waardering niets meer met godsdienst te maken heeft. De Verlichtingsideeën overwegen er op de godsdienst, al laat men het voorkomen alsof dat ook van oorsprong religieuze ideeën waren. Bij Loobuyck zal de lezer dergelijke veroordeling van het katholiek onderwijs niet vinden. Strategisch zou dat overigens een niet zo gelukkig keuze zijn. Ik verdenk hem er zelfs van dat hij oprecht een veel genuanceerder houding aanneemt en de neutraliteit van het LEF verder doortrekt. Hij wijst bijvoorbeeld naar talrijke voorbeelden uit het buitenland waar varianten van het LEF reeds officieel bestaan en geen of weinig religieuze tegenkanting kennen. Daar vindt men het normaal dat de overheid een opvoedkundig vak lanceert, los van godsdienst. Te schokkende feiten worden door Loobuyck vermeden. Dat behoort ook tot het tactische aspect, maar kan ook een meer fundamentele reden hebben, namelijk dat de nadruk gelegd wordt op kennismateriaal dat de grote principes beschrijft. Overigens, als Loobuyck het over het LEF heeft, sluit hij niet uit dat in het beroepsonderwijs niet noodzakelijk aan een apart vak moet gedacht worden, maar stelt hij voor om eventueel de doelstellingen in de gewone opleiding te integreren.

Omdat de huidige situatie het resultaat is van een pacificering van de onderwijsoorlog uit het verleden en een betonnering van de zuilenaanpak, achtte Loobuyck het terecht noodzakelijk om een schets te geven van de historische achtergrond. Daarbij vermijdt hij nutteloze uitweidingen en presenteert hij wat nodig is om de uiteenzetting consistent te houden en om de problematiek te begrijpen. Daartoe diende hij terug te gaan tot het ontstaan van België en de politieke machtsverhoudingen die nog steeds van tel zijn. Daarop logisch aansluitend geeft hij dan een situatieschets over de levensbeschouwelijke vakken in de context van een ontzuilde en geseculariseerde maatschappij waarin diversiteit troef is. De levensbeschouwelijke aanpak in het onderwijs is uiteindelijk vrij duur geworden en bovendien niet meer aangepast aan de hedendaagse noden. Daarbij komt nog dat de leerkrachten levensbeschouwing zich aan de controle van de schooldirecties onttrekken omdat zij inhoudelijk enkel verantwoording verschuldigd zijn aan de corresponderende levensbeschouwelijke instituties. Een onderdirecteur heeft mij ooit gezegd dat het vak beter kon afgeschaft worden. En dat was niet ideologisch bedoeld.

Maar ideologisch is er wel degelijk een probleem. Wat er gezegd wordt over de evolutieleer, over homofilie, democratie, verdraagzaamheid en gelijkwaardigheid, om maar enkele hete hangijzers te noemen, ontsnapt volledig aan de seculiere controle van de maatschappij, om nog maar te zwijgen over de degelijkheid van de opleiding van sommige levensbeschouwelijke (en dan bedoel ik sommige religieuze) leerkrachten. Loobuyck pleit dan ook voor een verplicht vak voor iedereen, waarin democratische basiswaarden overgebracht worden, waarin ook kennis gemaakt wordt met andere levensbeschouwingen en morele vraagstukken, waarin de leerlingen leren nadenken waardoor zij vrij hun levensbeschouwing kunnen kiezen en beleven, waarin zij vorming krijgen om later een volwassen participant in de maatschappij te worden. Loobuyck schrijft: ‘Scholen worden niet door de overheid betaald om goede katholieken, vrijzinnigen of moslims te vormen, maar om jongeren te informeren en in staat te stellen om op een reflexieve en redelijke manier hun leven op levensbeschouwelijk vlak vorm te geven.’ Hij geeft ook een aanzet van hoe een dergelijk algemeen levensbeschouwelijk vak er moet uitzien en geïmplementeerd worden, van welke doelstellingen er moeten behaald worden; maar ook van wat de vereisten zijn voor een degelijke opleiding voor de leerkrachten, met in acht name van een overgangsregeling. Spijtig genoeg dient er ook een grondwetswijziging te komen, omdat een aantal zaken ten onrecht in de grondwet terecht zijn gekomen.

Teaching into religion kan blijven bestaan, naast het teaching about religion, maar dan is het niet aan de overheid om dat te subsidiëren. Wegens de scheiding van Kerk en Staat heeft de overheid overigens toch geen zeggingskracht in die materie. Zij moet er zich dan ook volledig aan onttrekken. De beleidsmensen uit het onderwijs, directeurs en leerkrachten levensbeschouwelijk vak zouden allen dit boekje, dat ondanks zijn volledigheid en kwaliteit slechts 120 pagina’s telt, moeten lezen. Ik zou het ook aanraden aan de ouders opdat zij als burgers en kiezers druk zouden kunnen uitoefenen op het beleid en opdat ze voor hun kinderen het beste onderwijs voor een hedendaagse wereld zouden kunnen kiezen. Mij heeft Loobuyck in elk geval overtuigd.


Recensie door Hendrik Vanmassenhove, PhD

Loobuyck, Patrick (2014) Meer LEF in het onderwijs: Levensbeschouwing, Ethiek en Filosofie voor iedereen. Brussel, VUBPRESS, 120 p.

Links
hendrik.vanmassenhove@hotmail.com
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be