Een leeuw in een kooi

boek vrijdag 16 oktober 2009

Karel Arnaut en anderen

Een multicultureel Vlaanderen is geen optie maar een realiteit. Dit is het uitgangspunt van het boek Een leeuw in een kooi waarin twaalf auteurs op zoek gaan naar ‘de grenzen van het multiculturele Vlaanderen’. Dat uitgangspunt is natuurlijk juist. Het is onzinnig om zich uit te spreken tegen de multiculturaliteit, de aanwezigheid van mensen met verschillende culturele achtergronden in ons land, omdat die nu eenmaal een feit is. Of we het graag hebben of niet, de voorbije 50 jaar zijn steeds meer vreemdelingen met een andere cultuur en religie naar onze contreien gekomen, ze zijn hier aan de slag gegaan, hebben een gezin gesticht en hebben kinderen gekregen die hier op hun beurt opgroeien en hun leven uitbouwen. Het is een proces dat niet zal stoppen, maar onherroepelijk zal doorzetten, en waar we in elke politieke en maatschappelijke keuze rekening mee moeten houden. De vraag is dus niet of we voor of tegen de multiculturele samenleving zijn, maar wel hoe we mensen met uiteenlopende, soms tegengestelde politieke, culturele, religieuze en maatschappelijke opvattingen, harmonieus met elkaar kunnen laten samenleven. En op dat vlak zijn er in essentie drie verschillende houdingen die men kan aannemen: een cultuurrelativistische, een monoculturele of een seculier universalistische.

De eerste houding, het cultuurrelativisme, was gedurende decennialang het leidmotief van de meeste westerse intellectuelen. Cultuurrelativisten accepteren de vele tradities, waarden en omgangsvormen die in een specifieke cultuur gebruikelijk zijn en worden toegepast. Ze stellen dat wij, vanuit onze westerse cultuur, geen waardeoordeel over andere culturen en gebruiken mogen uitspreken. Het is een houding die wordt verdedigd door zichzelf progressief noemende organisaties en woordvoerders. Monoculturalisten vinden dan weer dat nieuwkomers zich volledig moeten assimileren, dat ze hun eigen gebruiken en tradities moeten afwerpen en zich moeten schikken naar de Vlaamse of Nederlandse cultuur. Deze houding wordt verdedigd door religieus conservatieve, nationalistische en extreemrechtse partijen. Maar er is nog een derde weg. De laatste jaren gaan steeds meer stemmen op voor een seculier universalisme dat opkomt voor fundamentele grondwaarden zoals de vrije meningsuiting, de scheiding van kerk en staat, het recht op zelfbeschikking en de gelijkwaardigheid van alle mensen. De acceptatie van deze grondwaarden, als zijnde universeel, laat enerzijds ruimte voor diversiteit waarbij mensen eigen religieuze en culturele waarden kunnen beleven, maar brengt anderzijds duidelijke grenzen aan die niet overschreden mogen worden.

De twaalf auteurs – Karel Arnaut, Abdou Bouzerda, Sarah Bracke, Bambi Ceuppens, Ida Dequeecker, Nadia Fadil, Paul Goossens, Meryem Kanmaz, Ico Maly, Sarah De Mul, Elke Vandeperre en Olivia Rutazibwa – gooien de monoculturalisten en universalisten op één enkele hoop en verdedigen voluit een vorm van cultuurrelativisme. Daarbij trekken ze niet alleen van leer tegen ronduit xenofobe extremisten als Filip Dewinter en Geert Wilders, maar ook tegen al wie vanuit een bekommernis voor de rechten van elk individu, in het bijzonder voor vrouwen, kritiek durft te uiten op manifeste wanpraktijken die voortvloeien uit culturele en religieuze gewoontes, tradities en groepsrechten. In die zin verketteren ze mensen van uiteenlopende strekkingen zoals Paul Scheffer, Marion Van San, Ayaan Hirsi Ali, Jean-Marie Dedecker, Patrick Dewael, Robert Voorhamme, Wim Van Rooy, Geert Van Istendael, Benno Barnard, Kathleen Van Brempt, Bart De Wever, Paul Cliteur, Bart Somers, Marino Keulen, Patrick Janssens, Caroline Gennez, Jan Leyers en mijzelf (Dirk Verhofstadt). Hun lichtende en dus na te volgen voorbeelden zijn het VOK (Vrouwen Overleg Komitee), BOEH (Baas Over Eigen Hoofd) en het AEL (Arabisch-Europese Liga) van Abou Jahjah.

De auteurs zien 1989 als een scharniermoment. In dat jaar werd de Berlijnse Muur neergehaald, voorspelde Francis Fukuyama het einde van de geschiedenis, kreeg Salman Rushdie een fatwa over zich heen, sloten de Vlaamse democratische partijen een cordon-sanitaire rondom het Vlaams Blok, richtte de toenmalige premier Martens het Koninklijk Commissariaat voor het Migrantenbeileid op, en weigerden enkele moslimmeisjes in Frankrijk om hun hoofddoek af te zetten op school. Enkele jaren later sloegen de liberaal Frits Bolkestein en de socialist Paul Scheffer alarm over de mislukking van de integratiepolitiek die tot dan toe algemeen aanvaard werd. Volgens de auteurs markeerde dit het doorbreken van het ‘politiek correcte denken’ en de omslag van een tolerant migratiepleidooi naar een westers superioriteitsdenken, zeg maar een nieuwe variant op het ‘eigen volk eerst’-principe. Daarmee stellen ze de verdedigers van liberale grondwaarden als de scheiding van kerk en staat, de vrijheid van meningsuiting en de seksegelijkheid op éénzelfde lijn als de bekrompen nationalisten die elke diversiteit afwijzen. Het is een kapitale fout waardoor de auteurs zichzelf in de voet schieten. Want door het amalgaam dat ze maken, plaatsen ze zichzelf in de hoek waar juist extreem rechts hen zo graag heeft, namelijk als de verdedigers van praktijken die geen enkele weldenkende burger kan accepteren.

Neem het pleidooi van Sarah Bracke en Sarah De Mul over het feminisme onder de titel ‘Beschaving, multiculturaliteit en vrouwenemancipatie’. Ze kanten zich tegen al die westerse mannen die zich nu plots inzetten voor allochtone vrouwen terwijl die zich nooit zouden hebben ingespannen voor de vrouwonvriendelijke praktijken die in de eigen kringen gangbaar zijn: de loonsongelijkheid, het huiselijk geweld en het feit dat vrouwen in de politiek moeilijk aan de bak komen. In feite zeggen ze: waar moeien jullie ‘witte’ mannen zich mee? En die enkele kritische vrouw van allochtone afkomst – in casu Ayaan Hirsi Ali – is volgens hen een uitzondering. Dit houdt natuurlijk geen steek. Niet de boodschap maar de boodschappers moeten het in hun ogen ontgelden. Daarbij blijven de twee autochtone auteurs stekeblind voor de vele misstanden die voortvloeien uit islamitische tradities en die door steeds meer allochtone vrouwen aan de kaak worden gesteld. Denk aan Naema Tahir, Naima El Bezaz, Mimount Bousakla, Yasmine Allas, Chadort Djavann, Fadela Amara, Nahed Selim, Irshad Manji en wijlen Samira Bellil, om er maar enkele te noemen. Al die vrouwen hebben persoonlijk en aan den lijve ondervonden wat achterstelling in naam van de orthodoxe islam betekent: verplichte kledij, gedwongen huwelijken, verstotingen, minder erfrechten, genitale verminkingen, eremoorden. Maar daarover spreken de twaalf auteurs met geen woord.

De twee (witte) auteurs gaan daar echter met een onvoorstelbaar gemak aan voorbij en bejubelen organisaties zoals het Vrouwen Overleg Komitee en Baas Over Eigen Hoofd als ‘inspirerende voorbeelden’ omdat die hun tanden durven zetten in ‘het hete hangijzer van de hoofddoek’. In éénzelfde beweging omarmen ze dan ook religie (de islam) als een middel tot emancipatie. De bepalingen in de islam zijn in hun optiek blijkbaar een adequaat middel om de rechten van de vrouw te bevechten. Hoe naïef dit is, blijkt uit enkele voorbeelden die in het boek zelf worden aangehaald. Zo getuigt Hind Fraihi, na een onderzoek in de gemeente Molenbeek, hoe moslimextremisten steeds meer invloed krijgen. “Ik voel hoe ze hun visie ook aan gematigde moslims proberen op te dringen. In sommige buurten word je als ongesluierde moslima bespuwd en uitgescholden” (p. 96). En wat verder komt Karin Heremans, de directrice van het Atheneum in Antwerpen, aan bod die stelt dat er steeds meer sociale druk wordt uitgeoefend op meisjes die geen hoofddoek dragen (p. 97). Maar dat weerhoudt de twee auteurs er niet van om dit te situeren in een groot complot tegen de islam op zich. Zo vinden ze het oneerlijk dat er geen kritiek wordt geleverd op het christendom, maar dan kennen ze hun geschiedenis niet, want die strijd werd al decennia geleden gevoerd, en met succes.

Twee ander auteurs, Nadia Fadil en Meryem Kanmaz, supporteren dan weer voor de acties van de Arabisch-Europese Liga omwille van hun ‘offensieve houding ten aanzien van de integratie-industrie en de sterke nadruk op zelfredzaamheid’. Wat ze blijkbaar niet beseffen is dat ze als vrouwen hiermee capituleren voor het patriarchale discours van het AEL. ‘Onze meisjes zijn niet gecomplexeerd door het feminisme, hè. Bij ons is het geen schande om te zeggen: ik ben een moeder en wil mijn leven wijden aan de opvoeding van mijn kinderen. Met dat conservatisme is toch niets mis? Het wérkt’, zo verklaarde Abou Jahjah. De AEL vindt de sharia, die vrouwen minderwaardig acht dan mannen, een na te streven ideaal. ‘Wij wijzen de sharia niet af. Een moslim kan niet tegen de sharia zijn, want het is zijn plicht om hiernaar te streven’, aldus Jahjah. Even erg zijn de denigrerende uitspraken van het AEL over homoseksuelen. De auteurs keren zich (terecht) af van het rechtse discours van partijen als Vlaams Belang en N-VA die pleiten voor een versterking van de eigen, nationale identiteit, maar ze vergeten dat ze zelf medeplichtig zijn aan een politieke strategie die gebaseerd is op een door orthodoxe moslims gedicteerde visie die volkomen misogyn en homofoob is.

Beide dames keren zich tegen de universalistische aanspraken van de liberale grondwaarden. ‘De “universele” waarden die naar voor worden geschoven zijn immers niet zo universeel als men doet uitschijnen’, zo schrijven ze. Wat bedoelen ze daar echter mee? Dat man en vrouw niet gelijkwaardig zijn? Dat er terechte redenen zijn om vrouwen minder rechten te geven? Dat mensen geen recht op zelfbeschikking hebben? Dat de vrije meningsuiting moet ingeperkt worden? Of dat de scheiding van kerk en staat moet worden opgeheven? Hiermee verraden de auteurs alvast hun talloze zusters die elke dag vechten tegen de door mannen opgestelde barrières. Ze schrijven dat heel wat allochtonen het moeilijk hebben op de arbeidsmarkt, en dat is inderdaad een groot probleem. Maar vaak zijn juist culturele en religieuze tradities die maken dat moslimmeisjes op vroege leeftijd worden voorbestemd voor de haard en dat ze niet verder mogen studeren. Ida Dequeecker stelt in haar bijdrage dat ‘de kwestie van emancipatie van moslimvrouwen en -meisjes herleid (wordt) tot simplistische uiterlijkheden als hoofddoek en kleding’. Dat klopt niet. Het is zijzelf en haar organisatie Baas Over Eigen Hoofd die de discussie daartoe herleidt. Over het feit dat tal van moslimmeisjes worden uitgehuwelijkt, die genitaal verminkt worden of verstoten horen we haar niet.

De auteurs weigeren het te erkennen, maar de kern van het probleem zit in de religie zelf. Naema Tahir en Nahed Selim wijzen in hun teksten regelmatig op het feit dat de Koran vrouwen minderwaardig acht dan mannen. Ze geven het voorbeeld van moslimmannen die wel mogen huwen met een niet-moslimvrouw, maar moslimvrouwen mogen niet huwen met een niet-moslimman. Naima El Bezaz, die een roman schreef waarin enkele kritische opmerkingen over de islam voorkomen, wordt bedreigd en kan zich nauwelijks in het openbaar bewegen. Ehsan Jami die in 2007 uit zijn moslimgeloof stapte, werd intussen al twee keer in elkaar geslagen door moslims en met de dood bedreigd. Omar B. is een homoseksuele moslim die onder een schuilnaam moet schrijven omdat hij bedreigd wordt door moslims vanwege zijn seksuele geaardheid. Irshad Manji krijgt dan weer doodsbedreigingen omdat ze lesbisch is en haar kritiek op de islam niet spaart. Samira Bellil werd het slachtoffer van een groepsverkrachting omdat ze geen hoofddoek wilde dragen. En Fadela Amara was als voorzitster van Ni Putes, Ni Soumises de spreekbuis van duizenden moslima’s die niet langer accepteren dat mannen hen verplichten om de hoofddoek te dragen. Maar daarover kraait Dequeecker met geen woord.

Olivia Umurerwa Rutazibwa schrijft dat ze het tragisch vindt ‘als religieuze kwesties besproken en beslecht (worden) door ongelovigen’. Wij moeten volgens haar dus onze mond houden. Blijkbaar zijn imams als Nordin Taouil beter geplaatst om te oordelen of vrouwen en meisjes wel heus behandeld worden. Maar ik ben niet van plan om te zwijgen over de misstanden die in naam van een vermeende Allah gebeuren en die de auteurs steevast negeren. Dan volg ik liever de raad van moslima Irshad Manji die ons juist oproept om te blijven spreken. “Zolang jullie weigeren te stoppen met vragen stellen over wat radicale moslims doen, worden moslims gedwongen om na te denken over een aantal zaken. Jullie moeten aan niemand toestemming vragen om kritische vragen te stellen over misstanden binnen de islam. De mullahs en imams kunnen de discussie niet stoppen en steeds meer moslims zelf zullen mee in discussie gaan en zich vragen stellen. Dat is waarom jullie zo belangrijk zijn. We hebben jullie nodig”, aldus Manji, en ze heeft gelijk want anders blijft er alleen een oorverdovende stilte. Over de vele wanpraktijken die in naam van religies gebeuren, reppen de auteurs met geen woord. Hun probleem is dus niet zozeer de hoofddoek maar wel hun blinddoek.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Karel Arnaut en anderen, Een leeuw in een kooi, Meulenhoff/Manteau, 2009, ISBN 9789085421894

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be