Links-liberalisme. Niemand is burger zonder land

boek vrijdag 12 oktober 2012

Herman Lauwers

Ruim 200 jaar geleden, in 1809 werd in de Spaanse havenstad Cadiz de eerste liberale partij opgericht onder de benaming Liberales. De leden ervan baseerden zich op de basisideeën van de Verlichting en de Franse Revolutie, en stonden daarmee aan de wieg van de liberale grondwet die in 1812 werd aangenomen door de Cortes, het Spaanse parlement. Centraal daarin stonden de vrijheid van het individu, de soevereiniteit van het volk, het algemeen stemrecht voor mannen, de afschaffing van allerlei aristocratische voorrechten, het opdoeken van de inquisitie en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. In feite vormde Liberales de eerste politieke vereniging die zich vormde op basis van een ideologie, een begrip dat voor het eerst werd gebruikt door de Franse verlichtingsfilosoof Destutt de Tracy in zijn boek Eléments d’Idéologie, dat verscheen in 1801. Met het woord ideologie verwees hij naar een redelijk eenduidig geheel van ideeën over de politieke, sociale en maatschappelijke inrichting van de samenleving, waar een groot aantal mensen zich konden rond verzamelen.

In de loop van de voorbije twee eeuwen kwamen er naast de liberale partijen verschillende andere bij die zich elk op zich baseerden op een min of meer coherente ideologie zoals het conservatisme, het socialisme, het communisme, het anarchisme, het nationalisme, het fascisme (en zijn bijzondere variant het nationaalsocialisme), de christendemocratie, het ecologisme, het communautarisme en het libertarisme. Minder eenduidig is het populisme, dat niet zozeer een ideologie is, meer eerder een manier van politiek bedrijven waarbij men beweert dat men in naam van het volk spreekt en die volkswil ook naleeft. Nu bestaan er binnen al die ismen ook nog eens diverse stromingen, vleugels en vertakkingen zodat het niet eenvoudig is om exact duidelijk te maken waar een bepaalde partij die zich bijvoorbeeld liberaal, sociaal- of christendemocratisch noemt, juist voor staat. Dat hangt in belangrijke mate af van de historische ontwikkeling en stellingname van een partij en zijn partijleiders.

Toch zijn er een aantal visies die grosso modo kenmerkend zijn voor een bepaalde ideologie. Zo stelt het liberalisme de vrijheid en het recht op zelfbeschikking van het individu centraal, het socialisme de gemeenschap, het nationalisme het volk, het communisme de partij, de christendemocratie de (geloofs)gemeenschap, enzovoort. Daarbinnen zijn variaties mogelijk zodat men al vaak zegt dat deze of gene ideologie ‘een huis met vele kamers is’. Dat klopt niet helemaal, want neem één van de kernpunten van een ideologie weg en men kan niet langer het overeenstemmende etiket gebruiken. Dat is zeker het geval met het liberalisme, de oudste ideologische beweging die ontstond in de Verlichting, zich kantte tegen het Ancien Régime en opkwam voor de emancipatie van de mens. Als grondlegger verwijst men vaak naar John Locke, alhoewel ook Adam Smith, Immanuel Kant, Thomas Paine en John Stuart Mill belangrijke bijdragen hebben geleverd. Op Wikipedia staat dat het liberalisme een heterogene stroming is met daarbinnen drie substromingen: het klassiek-liberalisme, het sociaal-liberalisme en het conservatief-liberalisme, maar deze indeling is sterk betwistbaar.

Over een van deze vermeende substromingen schreef gewezen Vlaams parlementslid Herman Lauwers die lid was van achtereenvolgens de Volksunie, Spirit en de Sociaal-Liberale partij, het boek Links-liberalisme. Niemand is burger zonder land. Zijn stelling is dat het links-liberalisme een volwaardige en coherente ideologische stroming is die een plaats verdient naast de hiervoor beschreven ismen. Het is een – zeker voor liberalen – bijzonder interessant boek maar het overtuigt op tal van vlakken niet. Zo start hij met de opmerking dat het liberalisme beschouwd wordt als het tegendeel van links, rechts dus. Dit klopt historisch niet. In heel wat hoofden is het hardnekkige vooroordeel gegroeid dat het liberalisme een asociale, rechtse of conservatieve beweging zou zijn. Niets is echter minder waar. De begrippen ‘links’ en ‘rechts’ staan voor de twee grote rivaliserende krachten in de 18de en 19de-eeuw. Die tussen ‘rive gauche’ (de Verlichting) en ‘rive droite’ (de Romantiek). In die zin staat het liberalisme duidelijk aan de linkerkant. En op de as ‘progressief’ tegen ‘conservatief’ kan het liberalisme alleen maar bij de eerste term gerekend worden. Liberalen zijn steeds opgekomen voor progressie of vooruitgang, tegen alle behoudsgezinde krachten in.

Daarmee wordt niet beweerd dat het begrip liberalisme altijd juist gebruikt werd. Politici als Pat Buchanan, Margareth Thatcher, Jorg Haïder, Vladimir Zjirinofsky, Slavoj Zizek, Geert Wilders en vandaag Bart De Wever traden en treden op in naam van het liberalisme maar hebben er weinig of niets mee te maken. Dit zijn géén liberalen, dit is géén liberalisme. Hooguit gebruik(t)en of misbruik(t)en ze elementen uit het liberalisme om hun eigen conservatisme, nationalisme, etnicisme, elitarisme, racisme, marxisme of egocentrisme een geur van waardigheid en beschaafdheid te geven. Het liberalisme is reeds talloze malen verkracht omwille van zelfzucht en machtsmisbruik. Vooral het losgeslagen kapitalisme heeft het liberalisme als alibi misbruikt voor onrechtvaardigheid, gewelddadigheid en immoraliteit. Neoliberalisme past niet omdat het de banden met het historisch humanisme negeert en aldus onvoldoende de humanistische grondslag van het liberalisme beklemtoont. Maar ook de begrippen sociaal-liberalisme of links-liberalisme zijn dubbelzinnig omdat liberalisme in haar kern sociaal is en deze begrippen de sociale kracht ervan miskennen.

Ook Herman Lauwers erkent die sociale kracht of dimensie van het liberalisme niet helemaal. Zo stelt hij dat ‘tot de eerste helft van de 19de-eeuw de liberalen de vooruitstrevende krachten (waren)’. Dat schept de indruk dat ze dat nadien niet meer waren en dat klopt niet. John Stuart Mill was een belangrijke liberale filosoof die in 1867 als eerste het stemrecht voor vrouwen en onderwijs voor de armen voorstelde. De Belgische liberaal Paul Janson kwam al in 1887 op voor het algemeen kiesrecht en de schoolplicht. De liberaal Louis Varlez introduceerde in 1900 de werklozenvergoeding, begon met een eerste vorm de arbeidsbemiddeling en stond aan de wieg van de Internationale Arbeidsorganisatie. De Britse liberaal William Beveridge wordt algemeen beschouwd als de vader van de moderne sociale zekerheid dat hij in 1942 introduceerde in Engeland en dat later werd overgenomen in de meeste Europese landen. En in de voorbije decennia waren het liberalen, zeker in België en Nederland, die het voortouw namen in tal van progressieve ethische kwesties zoals abortus (denk aan Lucienne Herman-Michielsens), euthanasie en het homohuwelijk.

Herman Lauwers wijst op het bestaan van ‘spontane sociale bewegingen’ die ‘ijverden voor minder arbeidsuren en hogere lonen’, die ‘solidariteitskassen (organiseerden) voor zieken, weduwen en wezen’, die ‘ijverden voor werkloosheidspremies, wettelijke pensioenen en onderwijs voor arbeiderskinderen’. Wie het Liberaal Archief in Gent bezoekt zal vaststellen dat tal van liberale organisaties hier mee aan de basis van lagen en dat ook vandaag nog steeds blauwe groeperingen zich hiervoor inzetten zoals de liberale vakbond, de liberale mutualiteit en Solidariteit voor het Gezin. Die organisaties zijn er niet vanzelf gekomen maar liggen volkomen in de lijn van wat klassiek-liberale denkers ooit hebben voorgesteld. Wie de sociale dimensie van het liberalisme wil kennen moet de werken lezen van Adam Smith, Immanuel Kant, Thomas Paine en John Stuart Mill. Elk op zich ijverden ze voor een overheid die zich zou inzetten voor het lot van de zwaksten in de samenleving. Van wie komt het idee van de progressieve belastingen, een taks op erfenissen en een basisinkomen? Thomas Paine deed het in zijn werk Agrarian Justice, ruim 60 jaar voor Karl Marx erover sprak.

Al die klassiek-liberale denkers deden voorstellen die vandaag behoren tot de canon van het liberalisme. Alleen daarom is het al onrechtvaardig om het liberalisme in te delen bij een conservatief, asociaal en rechts gedachtegoed. Het liberalisme is dé progressieve beweging bij uitstek en dat geldt ook vandaag nog, denk aan de strijd voor de individuele rechten van moslimmeisjes. Dat neemt niet weg dat Lauwers gelijk heeft dat er in de loop van de 19de en zeker in de 20ste-eeuw mensen zijn opgestaan die zich de benaming liberalisme eigen hebben gemaakt om hun eigen privilegies en machtsposities veilig te stellen. Dat er mensen waren die het liberalisme zodanig interpreteerden alsof men de vrijheid had om medemensen uit te buiten en de natuur te vernietigen, en dit allemaal voor hun eigen winstmaximalisatie, een houding waarmee ze regelrecht ingingen tegen Kants categorische imperatief dat men een mens niet mag gebruiken als middel, maar alleen als een doel. Ook vandaag zijn er mensen die het begrip liberaal foutief gelijkstellen met absolute vrijheid en een absolute vrije markt en die zich inspireerden op de ideeën van de school van Chicago, Von Mises, Hayek, Nozick, Friedman, Tatcher en Reagan. Zij noem(d)en zichzelf neoliberalen of, correcter, libertariërs.

Daar heeft het liberalisme niets mee te maken. Het liberalisme verenigt in zich de vrijheid van het individu met rechtvaardigheid. Een van de belangrijkste maar vaak miskende vertegenwoordiger van het 20ste-eeuwse liberalisme, is de filosoof Karl Popper die door Herman Lauwers wordt aangeduid als ‘een sociaaldemocraat’. Dat laatste is fout. ‘I’am a liberal’, zo verklaarde hij in een van zijn laatste interviews (Karl Popper, The Lesson of This Century, Routledge, 1997), en diverse keren keerde hij zich tegen het socialisme als ideologie. Popper was ook lid van de liberale Mont Pelerin Stichting maar erkende dat een sterke overheid nodig is om de vrije markt te behoeden voor monopolies, oligopolies, trusts en prijsafspraken. Een sterke overheid is nodig om de rechtstaat te verdedigen en de veiligheid en dus de vrijheid van de burgers te waarborgen. Een sterke overheid is nodig om te zorgen voor een systeem van herverdeling zodat zieken, senioren en gehandicapten geholpen worden en kinderen alle onderwijskansen krijgen om hun talenten te ontwikkelen. Een sterke overheid is nodig om de (ecologische) belangen van de toekomstige generaties te beschermen.

Armoede, werkloosheid en andere vormen van sociale onzekerheid waren voor hem de belangrijkste uitdagingen die liberalen moesten aangaan. ‘We must construct social institutions, enforced by the power of the state, for the protection of the economically weak from the economically strong’, schreef Popper. Daarmee gaf hij duidelijk aan dat de basis van een liberale rechtstaat zowel vrijheid als rechtvaardigheid inhoudt, een stelling die later werd uitgewerkt door liberale denkers als John Rawls, Amartya Sen en Martha Nussbaum. Herman Lauwers probeert de capability approach van Martha Nussbaum (en Sen) onder te brengen in ‘zijn’ aparte links-liberale ideologie, maar haar ideeën maken onverbrekelijk deel uit van het liberalisme zelf. Daarvoor is geen adjectief nodig. De auteur geeft zich bloot als hij schrijft: ‘Niet het terugdringen van de overheid, zoals in het klassieke liberalisme, creëert vrijheid, maar juist haar sterkere aanwezigheid’. Dit is al te ongenuanceerd. Zoals gezegd waren klassiek liberale denkers juist voorstanders van een sterke overheid. Maar als die op bepaalde terreinen niet nodig is en een goede dienstverlening in de weg staat, dan moet ze wijken voor de vrije markt. Denk aan de Telecom en Sabena die plaats maakten voor private organisaties. Er is geen enkele reden om dergelijke sectoren in handen van de overheid te houden.

En zo komen we tot de kern van Lauwers gedachtegoed. Hij verbindt de capability approach van Nussbaum met het communitarisme van Charles Taylor en plaatst dit onder de noemer ‘liefdevol patriotisme’. Dat strookt niet met het liberalisme. Wat betekent trouwens ‘liefdevol’ in relatie met ‘patriotisme’? In essentie stelt Taylor dat het individu ondergeschikt is aan een land, een volk, een natie. Lauwers minimaliseert dat laatste, alsof de mens in dat geval maar ‘een beetje’ ondergeschikt wordt, maar hier is het alles of niets. Je kan ook niet een beetje zwanger zijn. Taylor wil dat we een gezamenlijke opvatting van ‘het goede leven’ zouden volgen, maar wie bepaalt dat? De volonté générale van Jean-Jacques Rousseau? De Partij zoals onder Stalin? De Führer? De theocraat? De auteur probeert hier twee zaken met elkaar te verzoenen die niet verzoenbaar zijn. Je kan individuele vrijheid niet verzoenen met groepsrechten zoals Taylor dat ziet. In die zin is de capability apporach onverenigbaar met het communitarisme (zie hiervoor Identity and Violence van Amartya Sen). Individuele rechten kunnen nooit ondergeschikt worden gemaakt aan groepsrechten zoals Lauwers suggereert. In elk geval staat het liberalisme haaks op elke vorm van groepsdenken, en dat geldt niet alleen tegenover een culturele entiteit maar ook tegenover religieuze tradities.

Een ander argument van Lauwers dat er wel degelijk iets is als een links-liberale ideologie, is het bestaan van links-liberale partijen in Europa. Hij vernoemt onder meer Radikale Venstre, D66 en de LibDems die op Europees vlak deel uitmaken van de liberale ALDE-groep. Maar volgens de auteur zijn ze ook actief in andere partijen zoals GroenLinks in Nederland waarvan de socioloog Dick Pels de directeur van het wetenschappelijk bureau is. Die spreekt steeds van het ‘sociaal-individualisme’ als grondtoon voor de groene beweging in Nederland. Maar ook hier is het adjectief ‘sociaal’ niet nodig en miskent het op die manier de inherente sociale dimensie van het individualisme, zeg maar het recht op zelfbeschikking. Het valt op hoe moeilijk Pels en Lauwers het hebben om het individualisme voluit te omarmen, terwijl het nochtans de meest progressieve beweging is in de geschiedenis. Het recht van elke mens om zelf de belangrijke keuzes te maken in zijn of haar leven is bij uitstek liberaal en progressief. Het betekent dat men zelf beslist of men huwt en met wie men huwt, of men kinderen krijgt, welk beroep men gaat uitoefenen, waar men gaat wonen, met wie men relaties aangaat, enz. In plaats van individualisme te verwerpen zou men het moeten omarmen en mogelijk maken voor de miljoenen, zelfs miljarden mensen die enkel kunnen dromen van zelfbeschikking.

Lauwers ziet duidelijk een plaats voor het links-liberalisme in het politieke spectrum. Maar in zijn nawoord is Jos Geysels daar – naar mijn oordeel terecht – niet zo van overtuigd. Zowel het socialisme als bepaalde aspecten van de bestaande groene partijen staan te veraf om daar een fundament te vinden voor een stabiele partij, dat hebben de verkiezingen ook aangetoond. Maar dit boek is wel belangrijk voor de strijd die binnen het liberale kamp zelf gevoerd wordt tussen de zogenaamde ontplooiingsliberalen en de marktfundamentalisten. Onder impuls van het populisme, het nationalisme en extreemrechts bestaat immers het risico dat mensen die het etiket liberaal gebruiken, een andere weg zouden inslaan. Die van het neoliberalisme en het libertarisme die de rol van de overheid zoveel mogelijk willen inperken en geen oog hebben voor de noden van hun medemensen. Maar dat heeft niets te maken met het liberalisme. In die zin zou het ook nuttiger zijn dat Herman Lauwers binnen de onafhankelijke liberale denktank Liberales mee zijn schouders zou zetten om het liberalisme op de juiste koers te houden.

Het liberalisme staat voor een vrije markt die fungeert binnen een ethisch kader want aan zichzelf overgelaten, is de vrije markt alleen een karikatuur van het liberalisme. We hebben geen nood aan adjectieven of subvormen van een ideologie die doordesemd is van een sociaal en humanistisch gedachtegoed. Hooguit zou men het tautologisch kunnen hebben over het menselijk liberalisme omdat in het liberalisme de mens centraal staat. Dus niet een partij, een volk, een ras, een land, een geloof, een groep, de economie, het geld, de winst of wat dan ook, maar alleen de mens.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Herman Lauwers, Links-liberalisme. Niemand is burger zonder land, Pelckmans, 2012

Links
Mailto:verhofstadt.dirk@telenet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be