La Belgique, Etat laïque… ou presque

boek

Jean-Philippe Schreiber

Op 7 februari 1831 keurt het Nationaal Congres de Belgische grondwet goed. Deze grondwet is allicht één van de meest ‘liberale’ constituties die in die tijd tot stand zijn gekomen: zo worden onder meer de vrijheid van mening, persvrijheid, vrijheid van onderwijs, vrijheid van eredienst en vrijheid van vereniging expliciet vastgelegd. Bovendien is deze grondwet principieel ook verregaand in de scheiding tussen kerk en staat: waar er anno 1831 in heel wat landen nog een concordaat bestaat tussen de Heilige Stoel en de seculiere wetgever, breekt de Belgische staat met deze traditie en wordt er geopteerd voor een strikte scheiding tussen kerk en staat, zoals aangegeven in artikel 16 (huidige art. 21). België is hierdoor volgens Schreiber, principieel een ‘seculiere’ (laïque) staat, net zoals Frankrijk en de VS.

Op deze strikte scheiding zijn echter (net zoals in Frankrijk overigens) een aantal belangrijke uitzonderingen, waarvan er een aantal constitutioneel zijn vastgelegd. Zo bepaalt het huidige grondwetsartikel 181 dat de bedienaars van de eredienst en de afgevaardigden van de niet-confessionele gemeenschap door de Belgische staat worden bezoldigd en dat publieke scholen verplicht zijn om levensbeschouwelijke vakken in de erkende erediensten en de niet-confessionele zedenleer aan te bieden, en dit alles ten laste van de gemeenschap. Daarnaast werd ook de vrijheid van onderwijs in art.17 (huidige art.24) vastgelegd, wat heeft geleid tot een monopoliepositie van vrije – katholieke – scholen, die eveneens door de overheid worden gesubsidieerd.

Nemen we daar nog bij dat de overheid voorziet in uitzendtijd op de openbare omroep voor (sommige) erkende levensbeschouwingen, dat aalmoezeniers en morele consulenten door de overheid worden bezoldigd, dat heel wat religieuze gebouwen door de overheid worden gefinancierd en dat de overheid ook voorziet in huisvesting en gezondheidszorg van de afgevaardigden van (sommige) erkende levensbeschouwingen, dan kunnen we besluiten dat de overheid in België, ondanks de principiële scheiding tussen kerk en staat, op sommige punten wel erg nauw samenwerkt met de erkende levensbeschouwingen.

Hoe het tot zo een ambiguïteit is kunnen komen verduidelijkt Schreiber vooral aan de hand van de Belgische geschiedenis, die van meet af aan gekenmerkt wordt door uiteenlopende interpretaties van een aantal constitutionele rechten en vrijheden (i.h.b. de vrijheid van onderwijs). De gevolgen hiervan hebben niet lang op zich laten wachten: België kent tot op heden een ongelukkig en onevenwichtig financieringssysteem van levensbeschouwingen met de katholieke kerk als primus inter pares; de Belgische samenleving is lange tijd sterk gepolariseerd geweest – met een absoluut hoogtepunt in de eerste en tweede schoolstrijd –, en ook vandaag kent België een verzuild landschap dat nog steeds haar stempel drukt op de Belgische samenleving en in het bijzonder op het onderwijslandschap.

De Belgische samenleving is echter grondig veranderd anno 2014: net als in de rest van Europa is het levensbeschouwelijke landschap in België erg gediversifieerd en de Belgische bevolking is lang niet meer zo katholiek als vroeger. Meer zelfs: ondanks de loyale en onevenredige subsidiëring van de katholieke kerk en ondanks haar monopoliepositie inzake onderwijs, is België één van de meest vooruitstrevende landen inzake wetgeving rond ethisch geladen kwesties zoals IVF, abortus, euthanasie en stamcelonderzoek. Het morele pad dat de Belgische staat de laatste decennia bewandelt, is hiermee verre van katholiek. Het is vandaag de dag dan ook alles behalve evident om ‘erkende erediensten’ (waaronder de facto vooral de katholieke kerk) als overheid nog langer te financieren en Schreiber stelt zich terecht de vraag of we dit als overheid nog wel moeten doen. Opmerkelijk is dat voor Schreiber ook de vrijzinnigen niet vrijuit gaan: door hun erkenning als eredienst in 1993 (en door hun bevoegdheid van het vak NC Zedenleer in de Vlaamse Gemeenschap) houden ze het Belgische financieringssysteem van erkende levensbeschouwingen immers mee in stand – en dit ondanks hun lang gevoerde strijd tegen dit systeem.

Naast de genoemde maatschappelijke verschuivingen zijn er ook een aantal inconsequenties, contradicties, absurditeiten en ongelijkheden binnen het systeem van financiering, waardoor het niet langer houdbaar is. Een aantal van deze problemen werden enkele jaren geleden reeds aangekaart door twee commissies (Commissie Mortier & Rigaux, 2005; Werkgroep Magits-Christians, 2011), maar het systeem zelf werd door de bevoegde commissies niet in vraag gesteld. Bovendien zijn er, sinds het verschijnen van de rapporten van deze commissies, nog geen noemenswaardige inspanningen geleverd om iets te doen aan de vele problemen die het huidige Belgische financieringssysteem van levensbeschouwingen rijk is.

Allicht zal ook Schreibers boek de Belgische wetgever niet meteen aanzetten tot een grondige hervorming of zelfs afschaffing van het systeem, te meer omdat een aantal zaken constitutioneel of quasi-constitutioneel zijn verankerd en vaak erg ideologisch geladen zijn. Wie echter de realiteit onder ogen kijkt, kan niet anders dan besluiten dat het Belgische financieringssysteem van levensbeschouwingen archaïsch, onrechtvaardig en overbodig is. Willen we iedereen gelijk behandelen, dan moeten we als neutrale overheid geen onderscheid maken tussen levensbeschouwelijke organisaties (en hun werknemers) en niet-levensbeschouwelijke organisaties (en hun werknemers), laat staan dat we een verschil zouden moeten maken tussen ‘erkende’ en ‘niet-erkende’ levensbeschouwingen.

Bovendien dringt ook een grondige bezinning op het Belgische onderwijssysteem, waarin het katholieke onderwijsnet een monopoliepositie heeft die niet langer representatief is voor onze samenleving, zich op. Uit angst voor een nieuwe schoolstrijd gaat men dit debat al te vaak uit de weg, maar Schreiber kaart deze problematiek terecht aan. Een concreet alternatief voor deze onevenwichtige situatie blijft echter achterwege. Zo stelt Schreiber dat “une première évolution serait dès lors de lui imposer des obligations équivalent à celle de secteur public”, maar wat dit concreet betekent blijft vaag. Mogelijks zou men, zoals in Frankrijk en de UK, religieuze activiteiten en godsdienstlessen optioneel kunnen maken in substantieel gesubsidieerde vrije scholen, waardoor katholieke scholen in België op korte termijn niet alleen de iure, maar ook de facto toegankelijk zouden zijn voor alle leerlingen, zonder het vrije net – en de vrijheid van onderwijs – zomaar van de kaart te vegen. Vermoedelijk zal Schreiber zich, omwille van pragmatische redenen wel kunnen vinden in deze voorlopige oplossing, maar allicht zal hij zich principieel nog meer kunnen vinden in een groter (en dus evenwichtiger) aanbod van officiële scholen.

Aangaande publieke scholen is Schreiber duidelijker: willen zij daadwerkelijk ‘neutraal’ zijn, dan is onderwijs in de erkende levensbeschouwingen er niet langer op z’n plaats. En ook voor de subsidiëring van levensbeschouwingen wijst Schreiber duidelijker op een mogelijk alternatief: zo heeft Nederland in 1983 z’n financieringssysteem van levensbeschouwingen grondig herzien en moeten levensbeschouwingen sindsdien zelf voorzien in hun middelen. Dat dit zou leiden tot een inperking van de godsdienstvrijheid, een gebrek aan overheidscontrole of een vermindering van sociale cohesie (argumenten die vaak worden aangehaald om levensbeschouwingen als overheid te financieren) ontkent Schreiber terecht: zo is vrijwel elke vorm van overheidsfinanciering voor levensbeschouwingen uitgesloten in de VS, maar levensbeschouwingen zijn hierdoor niet minder prominent aanwezig in de samenleving – integendeel.

In 2000 is de Zweedse staatskerk afgeschaft en ook in Noorwegen heeft de Lutheraanse staatskerk de laatste jaren veel van haar privileges verloren; in Nederland werden directe subsidies voor levensbeschouwingen in 1983 afgeschaft en is er zowel in officiële (openbare) als vrije (bijzondere) scholen een tendens om levensbeschouwelijke vakken niet langer overal verplicht op het curriculum te plaatsen; ook in Luxemburg lijkt men stilaan te evolueren naar een striktere scheiding tussen kerk en staat; en Frankrijk kent al veel langer een ‘seculier’ model. Blijven we in België achterop hinken? Of durven we eindelijk de problemen inzake financiering van levensbeschouwing, de organisatie van levensbeschouwelijke vakken en de onevenredige balans tussen vrije en officiële scholen onder ogen zien? En durven we hieruit als wetgever de nodige gevolgen trekken? Ik opteer alvast, zoals Schreiber, voor deze laatste optie.


Recensie door Leni Franken

De recensente is doctor-assistente Centrum Pieter Gillis, Universiteit Antwerpen

Jean-Philippe Schreiber, La Belgique, Etat laïque… ou presque. Du principe à la réalité. Bruxelles: Espace de Libertés, Editions du CAL (2014), 152pp.

Links
mailto:leni.franken@uantwerpen.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be