Het is maar om te lachen

boek

Roel Daenen

Zowat elke krant en tijdschrift heeft een of meerdere cartoonisten in dienst. Zij verzorgen spotprenten of humoristische tekeningen die vaak de draak steken met bekende personen of gebeurtenissen. Tot een goede tien jaar geleden beschouwde men cartoons vaak als een leuke afleiding tussen de doorgaans meer ernstige teksten. Maar sinds de rellen rond de Deense cartoons in het dagblad Jyllands-Posten in 2005, die geleid hebben tot woede en geweld in de moslimwereld, beseft men steeds beter dat cartoons méér zijn dan loutere ontspanning. Ze kunnen blijkbaar mensen dieper treffen dan ooit gedacht. Heel wat cartoonisten zijn sindsdien op hun hoede over wat ze al dan niet op papier zetten. Dat is nog meer het geval sinds de moordaanslagen op de redactieleden van Charlie Hebdo in januari 2015. Daarbij werden vooral de cartoonisten geviseerd. Over het vak van cartoonist en de impact van de aanslagen op hun werk en leven verscheen het boek Het is maar om te lachen onder redactie van journalist Roel Daenen waarin twaalf Belgische cartoonisten aan het woord komen.

In zijn Woord Vooraf stelt Roel Daenen dat cartoons destijds ‘een strijdmiddel (waren), een manier om de gevestigde orde ter discussie te stellen en kritiek te geven op de maatschappij en degenen die haar bestuurden’. En dat was niet altijd een veilige job. Al voor de affaire rond de Deense cartoons en Charlie Hebdo werden critici van de gevestigde orde scherp in de gaten gehouden en soms met geweld het zwijgen opgelegd. Daenen verwijst hierbij naar de Siciliaanse satiricus en activist Peppino Impastato die regelmatig spotte met de maffia in zijn land, maar dit met zijn leven moest bekopen in mei 1978. Blijkbaar komt humor, onder meer via cartoons, dermate dicht bij de waarheid dat ze een gevaar betekenen voor wie door hen publiekelijk te kijk wordt gesteld. Dat uitdagen van de gevestigde orde is evenwel vaak de drijfveer van de cartoonisten. Zo wilde tekenaar Gal (die wekelijks tekent voor het weekblad Knack) als kind van de jaren zestig al vroeg de conflicten in de wereld bestrijden met zijn scherpe en kunstige tekenpen. Dat is ook de drijfveer van veel van zijn collega’s.

Toch blijft voor de meeste cartoonisten een geslaagde grap de essentie van hun werk. Al voegt Lectrr er aan toe dat hij zijn lezers niet alleen aan het lachen wil brengen maar ze ook aan het denken wil zetten. En zo komen de diverse gesprekken al snel op de problematiek van de Deense cartoons en het moorddadig geweld tegen Charlie Hebdo. In zijn inleiding schrijft Daenen dat de tekenaars de Deense cartoons unisono onnodig kwetsend vonden en al evenmin grappig. Het geeft de indruk dat de protagonisten in het boek zich van hun collega’s zouden afkeren, maar dat blijkt niet uit de diverse interviews. Gal heeft het inderdaad over ‘gratuite tekeningen’ die geen enkele band hadden met de actualiteit, en Steve spreekt van tekeningen die niet ‘getuigden van veel inlevingsvermogen’, maar daartegenover plaatsen zowat alle tekenaars het belang van de vrijheid van meningsuiting. Het is trouwens goed om weten dat het doel van Jyllands-Posten niet zozeer was om de profeet te beledigen, maar wel om na te gaan of cartoonisten aan zelfcensuur doen en of ze het aandurfden om van hun vrijheid van meningsuiting gebruik te maken rond een gevoelig thema als de islam.

Nu geven zowat alle geïnterviewden toe dat ze op een of andere manier, vaak onbewust, aan zelfcensuur doen en zich niet willen lenen tot goedkoop kwetsen of domweg choqueren van medemensen. Aan de andere kant vinden ze zowat allemaal dat lachen met religie moet kunnen, voor zover de grap goed is, en dat het feit dat men daardoor iemand beledigt geen beletsel mag zijn. In die zin stelt Zaza heel duidelijk dat ‘niemand het recht heeft om niet beledigd te worden’. Deze uitspraak is belangrijk in het licht van de moordaanslagen op de cartoonisten van Charlie Hebdo. Die worden unisono afgekeurd, al hebben sommigen ook wel vragen bij het niveau van sommige cartoons die het satirische weekblad publiceerde. In elk geval heeft die aanslag een zware indruk nagelaten op de cartoonisten. ‘We zijn extreem voorzichtig geworden’, zegt Zaza, ‘je moet iedereen durven aanpakken’, bevestigt Pirana, ‘wat zullen cartoons nog betekenen als je ze moet tekenen met een wetboek naast je waarin staat wat er allemaal kan en wat niet’, aldus Marec, en ‘het kruipt onder je vel’, besluit Kim.

Nogal wat mensen uit de moslimwereld, zoals Tariq Ramadan, spraken over Charlie Hebdo als een islamofoob blad met laffe cartoonisten. In brede kringen wordt trouwens gedacht dat het Franse weekblad met haar spot uitsluitend de islam viseerde. Niets is minder waar. In realiteit hadden bijvoorbeeld maar 7 van de 523 covers van het weekblad iets te maken met de islam, zoals Willy Laes duidelijk maakt in zijn pamflet Een jaar na Charlie Hebdo. Het gros van de covers ging over Franse politici zoals Nicolas Sarkozy en François Hollande, maar die bleven het blad en hun recht op meningsuiting door dik en dun verdedigen. Wel kwamen er protest en processen van Jean-Marie en Marine Le Pen van het Front National die meermaals op de voorpagina stonden. Net als veel moslimorganisaties heeft extreem rechts het blijkbaar niet echt begrepen op de vrijheid van meningsuiting. Nu mag die meningsuiting ook geen vrijgeleide zijn voor ‘onbeleefde, domme of kwetsende dingen’, zoals Kim stelt, maar het zou als verworvenheid van de Verlichting toch breed mogen geïnterpreteerd worden.

Opmerkelijk is dat vooral de gewezen godsdienstleraar Zaza hier de vinger op de wonde legt. Hij vindt dat elke krant ter wereld, na Charlie Hebdo, cartoons over religie had moeten plaatsen, zowel over de islam, over het christendom als over het Jodendom. Religie is niet gevaarlijk, aldus Zaza, maar ‘elke godsdienst heeft als basisstelling: mijn god is beter dan de uwe. En daar begint de miserie’. Steve verhaalt zelfs over een tentoonstelling van zijn werk in Parijs waarbij de organisatoren vooraf stelden dat hij bepaalde cartoons beter niet zou ophangen. ‘Eigenlijk werd ik gecensureerd’, aldus Steve, die daarbij opmerkt dat het over tekeningen ging die handelden over moslims, geloof en seks. ‘Ik heb Mohammed niet afgebeeld en toch een doodbedreiging gekregen. Dus is die grens al opgeschoven, aldus Lectrr. ‘Als je daaraan toegeeft, schuift het op en mag je niet meer met vrouwen met een hoofddoek lachen. En voor je het weet, mag je enkel nog lachen met kale, blanke mannen’. Eigenlijk zou je met iedereen moeten kunnen lachen, zo stelt hij nog.

‘Ik ben voor de totale vrijheid van expressie’, zegt Cécile Bertrand, die aangeeft dat moslims niet gewend zijn aan beelden, maar dat dit geen reden mag zijn op te houden met te tekenen, want ‘bij ons is vrijheid van meningsuiting een recht, zoals ook godslastering dat is’. Maar doorheen de gesprekken valt ook een zeker pessimisme over de toekomst van het cartoon-beroep op. ‘Redacties hebben schrik om lezers te verliezen’, aldus Steve. En de meesten zijn zich bewust dat het niet goed gaat met de gedrukte media. Het draait finaal allemaal om geld, en dat lijkt nog een groter gevaar voor de toekomst van de cartoon dan het extremistisch geweld. In die zin geeft dit boek in meerdere opzichten een uitstekend beeld van de huidige tijdsgeest. We kunnen enkel hopen dat het de lezers zelf zijn die op de bres zullen springen voor hun geliefde cartoonisten en van de hoofdredacties zullen eisen dat ze kunnen blijven tekenen. Want een cartoon zegt nog meer dan een foto datgene wat je met duizend woorden niet kan beschrijven. Dat klinkt als een cliché maar is daarom niet minder waar.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Roel Daenen, Het is maar om te lachen, Polis, 2016

Links
Mailto:verhofstadt.dirk@telenet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be