Tot de laatste man. Duitsland 1944-1945

boek vrijdag 04 mei 2012

Ian Kershaw

Hoewel er over hem hele bibliotheken zijn volgeschreven en tal van films zijn gemaakt, blijft Adolf Hitler een fascinerende figuur. Waar kwam zijn alles verzengende haat, niet alleen tegen de Joden maar uiteindelijk tegen de hele mensheid, toch vandaan? Hoe kon deze talentloze drop-out uitgroeien tot de politicus die als geen ander zijn stempel op de twintigste eeuw heeft gedrukt? Deze vragen hebben niet alleen de speurzin van historici geprikkeld, maar ook de verbeelding van romanschrijvers. Zo publiceerde vorig jaar nog de Franse auteur Eric-Emmanuel Schmitt zijn Adolf H. Twee levens, een niet al te beste roman die echter uitgaat van een interessant gedachte-experiment: wat zou er zijn gebeurd als Hitler op 8 oktober 1908 wél was toegelaten tot de kunstacademie van Wenen?

Het antwoord op de vraag naar de oorsprong van Hitlers succes moet echter niet gezocht worden in zijn persoonlijkheidsstructuur, maar in de omstandigheden waarin hij optrad: waarom liep het Duitse volk massaal achter hem aan? Gezien de uitzichtloze economische crisis en politieke instabliteit van de vroege jaren dertig was het niet vreemd dat veel Duitsers hun hoop vestigden op iemand die een radicaal andere aanpak beloofde. Begin 1933 was de NSDAP weliswaar de grootste partij, maar beschikte zij nog altijd niet over de absolute meerderheid. Nadat Hitler als gevolg van de politieke crisis aan de macht was gekomen, wist hij deze door pure intimidatie in ijltempo te consolideren en een dictatuur te vestigen.

Doordat Hitler het land voorbereidde op een nieuwe oorlog verdween de werkloosheid en dankzij zijn agressieve maar vooralsnog geweldloze buitenlandse politiek wist hij de vernedering van ‘Versailles’ ongedaan te maken en de Duitsers weer te vervullen met trots en zelfbewustzijn. Eind jaren dertig was Hitler ongekend populair en hoewel de meerderheid van de Duitse bevolking absoluut niet zat te wachten op een nieuwe oorlog, stemden de overwinningen uit de jaren 1939-1941 velen euforisch. Omdat opportunisme een zeer menselijke eigenschap is, valt dit allemaal nog best te begrijpen. Maar waarom waren de Duitsers bereid Hitler tot het bittere einde te volgen? Waarom vochten ze door, ook toen allang duidelijk was dat ze de oorlog niet meer konden winnen? Waarom kwam in het laatste oorlogsjaar, toen Duitsland op twee fronten werd teruggedreven en het land dagelijks gebombardeerd werd, het naziregime niet ten val? Het zijn deze vragen die centraal staan in het nieuwste boek van de veelgeprezen Hitler-biograaf Ian Kershaw, Tot de laatste man. Duitsland 1944-1945.

Kershaw begint zijn boek met een gebeurtenis die plaatsvond op 18 april 1945 in het Duitse stadje Ansbach, dat elk moment kon worden ingenomen door de Amerikanen. Een negentienjarige, voor militaire dienst afgekeurde theologiestudent wilde voorkomen dat zijn woonplaats in een zinloze strijd verwoest zou worden en knipte de telefoondraden door waarmee het hoofdkwartier van de stadscommandant verbonden was met de buiten de stad gelegerde eenheid van de Wehrmacht. Het was een zinloze actie, aangezien de soldaten inmiddels elders gelegerd waren, maar de student kon dat niet weten. Nadat hij was betrapt door twee leden van de Hitlerjugend werd hij standrechtelijk ter dood veroordeeld en opgehangen. Omdat het touw brak zag de jongeman kans weg te rennen, maar politiemannen grepen hem in zijn kraag terwijl het toegestroomde publiek werkloos toekeek. Sommige toeschouwers sloegen en schopten de student zelfs. Nadat hij voor de tweede keer was opgehangen gaf de commandant het bevel dat het lijk moest blijven hangen ‘totdat het stinkt’. Hierna stapte deze militair op zijn fietst en vluchtte hij de stad uit. Enkele uren laten namen de Amerikanen de stad in zonder dat er een schot gelost werd.

Dit incident stond niet op zich, maar illustreert hoe het naziregime tot het allerlaatste moment bleef functioneren terwijl het passieve én actieve steun van de meerderheid van de bevolking genoot. Ondanks het opmarcheren van de vijand en de steeds heviger wordende bombardementen deden de Duitsers er alles aan om niet alleen de strijd voort te zetten, maar ook om het ‘alledaagse’ leven op gang te houden. Lokale besturen en allerlei publieke diensten probeerden te blijven functioneren, tot op het laatst werden er films gemaakt, voorstellingen gegeven en kranten gedrukt. Pas toen de vijandelijke troepen binnen schootsafstand waren, maakten de autoriteiten zich uit de voeten.

Kershaw benadrukt dat dit een uitzonderlijke situatie was. In de moderne tijd eindigden oorlogen tussen staten meestal met een soort vergelijk, waarbij de verliezende partij op zeker moment capituleerde voordat de nederlaag totaal was. En autoritaire regimes die geconfronteerd werden met een militaire nederlaag stortten meestal ineen, omdat een deel van de elite eieren voor zijn geld koos en de dictator ten val bracht, zoals in 1943 in Italië het geval was toen de Grote Fascistische Raad Mussolini afzette. Een andere mogelijkheid is het uitbreken van een revolutie, zoals in 1917 in Rusland en in 1918 in Duitsland gebeurde.

De strijd tot het bittere einde die Duitsland in 1945 voerde was uniek. De nederlaag van Japan komt hierbij in de buurt, met dit verschil dat dit land bij de capitulatie in augustus 1945 nog niet veroverd was. En het einde van Sadam Hoessein in 2003 valt slechts zeer in de verte met de ondergang van het Hitlerregime te vergelijken, omdat die oorlog zeer kortstondig en buitengewoon eenzijdig was – een soort militaire walk-over die in niets leek op de verwoestende strijd die in 1945 op Duitse bodem werd gevoerd.

Voor het feit dat de militaire of politieke elite en de Duitse bevolking zich niet tegen Hitler keerden terwijl van diens populariteit weinig meer over was, zijn al veel verklaringen gegeven. Duitse generaals hebben er later op gewezen dat de geallieerden vanaf begin 1943 de ‘onvoorwaardelijke overgave’ van Duitsland eisten, waardoor eventuele vredesonderhandelingen onmogelijk waren geworden en er geen ander optie was dan doorvechten. Hoewel de propagandamachinerie van Goebbels de geallieerde eis zoveel mogelijk uitbuitte, kan dit geen verklaring bieden voor de hardnekkigheid waarmee men bleef doorvechten en er alles aan deed om het regime overeind te houden. Uit opinieonderzoek van de SD bleek immers dat nog slechts weinigen geloof hechtten aan de nazipropaganda. Ook lijkt de eis tot onvoorwaardelijke overgave geen invloed gehad te hebben op het denken van de Duitse legerleiding, al voerde men het later wel als excuus aan.

De meest voor de hand liggende verklaring is uiteraard het repressieve en terroristische karakter van het naziregime, dat vooral na aanslag op Hitler van 20 juli 1944 extreme vormen aannam en waardoor een revolutie van onderop onmogelijk was. Deze terreur verklaarde echter wel waarom het regime tot aan het einde bleef functioneren, maar niet waarom de elites van het regime meewerkten aan Hitlers doemscenario. Anders dan in de Sovjet-Unie onder Stalin waren er geen voortdurende ‘zuiveringen’ van het partij- en bestuursapparaat en van de strijdkrachten. Hoge officieren die het oneens waren met Hitlers beslissingen hoefden – tenzij ze verdacht werden van betrokkenheid bij de samenzwering van 20 juli, en dat was slechts een beperkte groep – niet te vrezen voor hun leven of dat van hun dierbaren.

Ook de opvatting dat het ‘totalitaire’ regime erin geslaagd was een nationalistische, racistische ‘volksgemeenschap’ te smeden, die deels was ‘afgekocht’ met de buit uit de veroverde gebieden en die deels bijeen werd gehouden door een besef van medeplichtigheid, biedt volgens Kershaw geen voldoende verklaring voor het doorvechten ‘tot de laatste man’. Gedurende het laatste jaar van de oorlog brokkelde de steun voor de politiek van Hitler immers in hoog tempo af. Wel was er sprake van een enorme angst voor een overwinning van het Rode Leger, omdat vrijwel iedereen besefte dat de genadeloze vernietigingsoorlog in het oosten een immense wraaklust had ontketend. Hierdoor had men het gevoel dat men geen andere keus had dan tegen de Russen te blijven vechten. Maar dat verklaart weer niet helemaal waarom er ook aan het westelijk front zo verwoed werd gevochten.

Uiteraard ontkent Kershaw niet dat al deze factoren – de terreur, de vereenzelviging met het nationaal-socialisme en de angst voor de rode horden – een rol hebben gespeeld, maar hij voegt hier nog twee, in zijn ogen doorslaggevende, elementen aan toe. De eerste is de specifieke, civiele en militaire, bestuursstructuren van het Derde Rijk, die hij aanduid met het begrip ‘charismatisch bewind’. Dat wil zeggen dat alle leidinggevende nazi’s en militairen in een persoonlijke verhouding tot Hitler stonden. Zij hadden hun positie volledig aan hem te danken en degenen die soortelijke functies hadden waren geen collega’s maar in de eerste plaats concurrenten. Er bestond in Duitsland geen equivalent van de Italiaanse Grote Fascistische Raad of van het Sovjet-Russische Politbureau. Daarbij waren in het Derde Rijk veel verantwoordelijkheden en bevoegdheden verdeeld over verschillende bureaucratieën, die met elkaar wedijverden om de gunst van de Führer en de toewijzing van middelen en macht.

Deze bureaucratische jungle vormt een belangrijke verklaring voor het radicalisme van het regime, aangezien iedereen zijn best deed de ander te overtroeven in fanatisme en zo een wit voetje bij Hitler te halen. Ook maakte die onderlinge strijd het vrijwel onmogelijk om zich op zeker moment tegen Hitler te keren, omdat er altijd wel een andere groepering was die jouw organisatie kon bestrijden. De voortdurende strijd tussen de SS en de Wehrmacht was hiervan het duidelijkste voorbeeld. Zelfs toen Hitlers charisma als gevolg van de eindeloze reeks nederlagen verdwenen was, bleef het charismatisch bewind functioneren.

De tweede factor die Kershaw noemt, is de mentaliteit van het Duitse officierskorps. De jongere officieren waren opgevoed in nationaal-socialistische geest en gehard door jarenlange frontervaring. Velen van hen zagen pas na de nederlaag in dat Hitler niet de onfeilbare, haast bovenmenselijke Führer was. Ook kenden zij nauwelijks een andere realiteit dan die van de oorlog. Voor de oudere, hoge officieren gold dat ze extreem nationalistisch en fel anticommunistisch waren, terwijl ze in Hitler lange tijd de man hadden gezien die de smadelijke nederlaag van 1918 ongedaan had gemaakt.

Dat Kershaws uiterst degelijke boek toch enigszins teleurstelt, heeft te maken met de vorm die hij gekozen heeft. Als hij wilde aantonen hoe groot het verschil met de periode vóór 1933 was, had hij meer aandacht moeten besteden aan de voorafgaande decennia. Zo had een vergelijking tussen het officierskorps van 1918 en dat van 1945 voor de hand gelegen. Dit had betekend dat hij een meer analytisch boek had moeten schrijven, terwijl hij nu juist voor een narratieve benadering heeft gekozen. Maar hoewel Kershaw heel helder en precies schrijft – een kwaliteit die in de stroeve en vaak soms zelfs rammelende vertaling grotendeels verloren gaat – is hij geen groot verteller en kan hij zich niet meten met iemand als Anthony Beevor, die een zeer meeslepend boek over de val van Berlijn heeft geschreven. Bovendien is de nuancering die Kershaw aanbrengt in de verklaring voor het feit dat Duitsland pas capituleerde toen het grotendeels in puin lag nu ook weer niet zo wereldschokkend dat dit een dik boek rechtvaardigt. Met een puntige, sterk analytische publicatie van pakweg tweehonderd bladzijden had hij ook zijn punt kunnen maken.


Recensie door Rob Hartmans

Deze recensie verscheen eerst in De Groene Amsterdammer van 29 september 2011

Ian Kershaw, Tot de laatste man. Duitsland 1944-1945, Vertaald door Ronald Kuil en Tiny Mulder, Spectrum, 2011, 608 blz., € 39,90 (geb.) en € 29,90 (pbk)

Links
mailto:rhhistor@xs4all.nl
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be