Nonviolence

boek vrijdag 18 mei 2007

Mark Kurlansky

Mark Kurlansky is een Amerikaanse journalist bij de New York Times. Als schrijver van non-fictie boeken kaapte hij in zijn land al enkele prijzen weg. Kurlansky staat bekend als een intellectueel die opkomt voor onderdrukte volkeren. Zo schreef hij boeken over de Joden in Europa, over het lot van de inwoners van de CaraÔben onder het imperialistische juk van de Verenigde Staten en over de Basken in Spanje. Kenmerkend voor deze boeken is de boodschap van hoop die iedere keer aanwezig is in het betoog. Telkenmale schrijft hij zijn boek als een triomfverhaal waarbij het onderdrukte volk het uiteindelijk haalt van de machtige onderdrukker. We kunnen stellen dat hij gebruikmaakt van een trope waarbij de onderdrukte groep het via verzet altijd haalt van de boze onderdrukker. Deze trope zorgt er voor dat we de auteur kunnen beschrijven als een idealist in de zin dat hij zelfs in tijden van grote ellende op zoek gaat naar bakens van hoop.

Tussen de lijnen van de paginaís van bloedige periodes uit ons verleden gaat hij op zoek naar personen en ideeŽn die zich hebben ingezet om de wereld te verbeteren. Bovendien stelt hij nadrukkelijk dat de kracht van goede ideeŽn nooit kan worden tenietgedaan door middel van geweld en onderdrukking. Hiermee sluit hij zich aan bij de Britse filosoof John Stuart Mill die tijdens het tweede deel van de negentiende eeuw verklaarde dat niets of niemand er voor kan zorgen dat de kracht van een goed idee kan worden uitgeroeid. Goede ideeŽn halen in de loop van de geschiedenis altijd de bovenhand, soms kan het echter even duren. Kurlansky sluit zich in zijn boek Nonviolence. Twenty-Five Lessons From The History of a Dangerous Idea aan bij dit idee van John Stuart Mill en noemt zich meerdere malen een idealist volgens de definitie die ik net heb gegeven.

Het goede idee waar het in dit boek over gaat is nongeweld, een neologisme dat de auteur gebruikt om ieder pacifistisch en actief verzet tegen geweld te beschrijven. In vogelvlucht, en op selectieve wijze, toont Kurlansky aan dat de geschiedenis van het westen wordt gedomineerd door geweld en brutaliteit. Gelukkig zijn er in onze geschiedenis ook telkens weer personen te vinden die zich hebben ingezet voor het bestrijden er van. Het zijn deze apologeten van nongeweld die het onderwerp vormen van dit boek. Daarnaast gaat de auteur vooral op zoek naar de wortels van het idee en de praktijk van geweld in de westerse wereld. In deze recensie probeer ik allereerst zo goed mogelijk het boek op een neutrale manier weer te geven. Daarna zal ik besluiten met enkele kritieken op de werkwijzen en de conclusie van de auteur. Eerst moet er echter even worden stilgestaan bij het concept nongeweld.

In ons dagelijks taalgebruik bestaat er volgens Kurlansky geen adequaat woord om het vreedzame verzet tegen geweld te beschrijven. Natuurlijk is er het woord pacifisme, maar zoals de auteur terecht opmerkt, is er bij het pacifisme geen sprake van een poging om het geweld een halt toe te roepen. Het pacifisme wordt dan ook vaak in ťťn adem genoemd met passiviteit, gelatenheid en zwakheid. Denken we maar aan de Amerikaanse politieke wetenschapper Robert Kagan die in een befaamd essay in 2003 verklaart dat het gebruik van militaire macht een teken is van sterkte, terwijl diegenen die zich houden aan diplomatie en onderhandelingen dat eigenlijk doen omdat ze te zwak zijn om militaire macht aan te wenden. Het zal weinig verbazing wekken dat Kagan dit essay schreef als een propagandapamflet om de aanstaande Amerikaanse invasie van Irak in 2003 te legitimeren. Om deze negatieve connotaties te vermijden, gebruikt Kurlansky het neologisme nongeweld doorheen zijn boek. Een soort definitie van nongeweld zou dan kunnen zijn: actieve inzet om het ontstaan van geweld te voorkomen of om bestaande conflicten te beŽindigen. Het christendom en religie

Tijdens de maand november in 1095 hield Paus Urbanus de Tweede een toespraak in het Franse Clermont-Ferrant ter gelegenheid van de opening van de Concilie. In deze redevoering sprak hij de beruchte woorden Deus Volt uit. Deze woorden betekenen letterlijk het volgende: God wil het. De Paus oreerde dat het de wil was van God dat de christenen ten strijde zouden trekken tegen de islamieten in Jeruzalem. Islamieten vormden volgens Urbanus een bedreiging voor het voortbestaan van het christendom en moesten daarom worden bestreden. Bovendien ging het volgens de paus om een onmenselijk en gedegenereerd volk dat door de christenen dringend moest worden beschaafd. De uitspraak Deus Volt zou het begin betekenen van de kruistochten. De uitspraak zorgde indirect ook voor het aanhoudende religieuze geweld tussen rivaliserende christelijke groepen binnen het Europese continent zelf. Als god een oorlog kan afkondigen tegen een externe vijand dan kan dat in principe ook tegen interne afvalligen die de orthodoxe interpretatie van de heilige boeken in vraag durven stellen.

Volgens Kurlansky is dit precies wat er gebeurde tijdens de toespraak van Urbanus de Tweede: door te verkondigen dat God een voorstander is van oorlog werd niet alleen het startschot gegeven voor de Kruistochten maar werd de deur ook opengezet voor de liquidatie van medegelovigen die afwijken van de officiŽle mening van het Vaticaan. In het boek beschrijft de auteur onder andere de gewelddadige onderdrukking van religieuze groepen zoals de Albigensers en de Hussenieten door de officiŽle kerk. In beide gevallen gaat het volgens Kurlansky om groepen met een vreedzame interpretatie van het christendom die werden onderdrukt door de centrale kerkelijke autoriteiten. In het vierde hoofdstuk schrijft hij uitvoerig over de kloosters die zich tijdens de Middeleeuwen bleven verzetten tegen oorlogen. Ongeacht het feit of deze oorlogen al dan niet werden gevoerd in naam van God, voor de geestelijken in de kloosters waren ze niet verenigbaar met de leer van Jezus Christus. Deze kloosterorders tijdens de Middeleeuwen worden door Kurlansky beschreven als tegenstanders van de katholieke kerk en beschermers van religie in zijn authentieke vorm.

Kurlansky gaat op zoek naar de oorsprong van het idee dat God een oorlog zou willen en komt uit bij twee belangrijke figuren in de vroege ontwikkelingsgeschiedenis van het christendom. Ten eerste was er de Romeinse keizer Constantinus die tijdens de vierde eeuw het christendom officieel erkende als de religie van het Romeinse Rijk. Hierdoor werd het volgens Kurlansky mogelijk dat de staat religie kon gebruiken als legimitatie voor brute machtspolitiek. Tussen het jaar nul en de vierde eeuw waren de christelijke volgelingen van Jezus tegenstanders van iedere vorm van staatspolitiek. Ze beweerden dat goede christenen zich altijd verzetten tegen het gebruik van geweld. Kurlansky wijst er op dat deze volgelingen van Jezus hun leer vooral baseerden op het Nieuwe Testament. Dit deel van de bijbel besteedt aanzienlijk minder aandacht aan oorlog en geweld dan het Oude Testament, dat doorspekt is met oorlogszuchtige figuren zoals Samson, Gideon, David en Joshua. Het was de dertiende apostel Paulus die de nadruk legde op de vredelievende aard van de boodschap van Jezus en de inhoud van het Nieuwe Testament. Door het christendom uit te roepen tot officiŽle staatsgodsdienst werd deze vreedzame positie van christenen langzaam aan onhoudbaar. Steeds meer werd religie een middel om politieke doeleinden te realiseren. De Paulinistische interpretatie van de leer van Jezus werd vervangen door het oorlogszuchtige christendom zoals we dat terugvinden in het Oude Testament.

Volgens Kurlansky is het niet religie maar de institutionalisering er van die aan de bron ligt van veel ellende. Vooraleer Constantinus het christendom verbond met de politieke macht van het Romeinse Rijk was er sprake van een vredelievende boodschap die werd verkondigd door de volgelingen van de leer van Paulus. Constantinus is niet de enige grote boosdoener volgens Kurlansky, er was ook de kerkvader en filosoof Augustinus die beweerde dat een oorlog die wordt gevoerd om de belangen van God te verdedigen een rechtvaardige oorlog is. Hiermee legde hij de basis voor de latere toespraak van Urbanus de Tweede in Clermont. Volgens Kurlansky was Augustinus de eerste die verkondigde dat het mogelijk is om een oorlog rechtvaardig te verklaren wanneer deze wordt uitgevoerd om het belang van God te verdedigen. Ook dit idee was geheel en al strijdig met de principes van het christendom zoals die werden verkondigd tijdens de eerste drie eeuwen na het overlijden van Jezus.

Een combinatie van de rechtvaardige christelijke oorlog van Augustinus en de erkenning van het christendom als staatsreligie legden de basis voor eeuwenlang bloedvergieten in de westerse wereld en aan de grenzen er van tijdens de kruistochten tegen de Islam. Het is echter niet alleen het christendom, en zijn vele aftakkingen, dat schuldig is voor de geschiedenis van geweld. Een tweede belangrijke gebeurtenis die de geschiedenis van het geweld sterk zou gaan bepalen was de institutionalisering van de territoriale natiestaten.

Territoriale natiestaten

De zeventiende eeuw staat bekend als het tijdperk van de opkomst van de territoriale natiestaten. Deze natiestaten hebben in de loop van de geschiedenis meerdere malen aan de basis gelegen van bloedige oorlogen en interterritoriale conflicten. Bovendien zorgden ze ook voor onderdrukking van minderheden binnen de grenzen van de territoriale natiestaat. Kurlansky spreekt over de vloek van naties (ĎThe curse of Nationsí). Naties spelen volgens hem een hoofdrol in het ontstaan van een cyclus van bloedig geweld en oorlogvoering.

Kurlanksy beschrijft drie figuren die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van het idee van territoriale natiestaten. Ten eerste is er Thomas Hobbes, de bedenker van de term Leviathan om de almachtige en soevereine staat te beschrijven. Ten tweede wijst de auteur met een beschuldigende vinger naar John Locke. Deze zette volgens hem de deur open voor de verfoeilijke praktijken van het kolonialisme door te beweren dat westerse mogendheden de plicht hebben om de onbeschaafde inheemse inwoners uit de nieuwe wereld te civiliseren. Mensen die niet de grond bewerken die hen is toegekend door God, moeten volgens Locke via een harde hand worden aangespoord om alsnog te moderniseren. Ten derde is er de minder bekende Italiaan Alberico Gentile. Hij was aan het begin van de zeventiende eeuw professor burgerlijk recht aan de universiteit van Oxford. Van daaruit legde hij de grondslagen voor moderne theorieŽn van oorlogsvoering. Zo beweert Gentile in een van zijn boeken het volgende: ď(Ö) as long as man are man, the sons of Prometheus and not Epimetheus, and as long as reason is reason, a just fear will be a just cause of a preventive war.Ē Alberico Gentili is met andere woorden de grondlegger van de doctrine van preventieve oorlog.

Zoals Kurlansky terecht beweert, is het verkeerd om deze doctrine alleen te associŽren met het neoconservatisme van de huidige Amerikaanse president G.W. Bush. Het is een basisprincipe diep geworteld in het moderne denken over natiestaten en oorlog. Bijgevolg is het een belangrijke hinderpaal voor het idee en de praktijk van nongeweld. Naast de katholieke kerk zijn het dus vooral de profeten van de moderne staat en bijbehorende rechtvaardigingen van oorlog en kolonialisme die volgens dit boek de grote boosdoeners zijn in de westerse geschiedenis van oorlogvoering en geweldpleging. Op zijn kritiek op de rol van de staat, en politiek en het algemeen, kom ik terug aan het einde van deze bespreking.

Pan-Europeanisme

In zijn achtste hoofdstuk beschrijft Kurlansky de inspanningen van vooraanstaande westerse intellectuelen om de vloek van de naties te doorbreken. Hij beschrijft de Pan-Europese beweging aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw die op sleeptouw werd genomen door de Franse schrijvers Victor Hugo, Alexandre Dumas en Georges Sand. Op de wereldtentoonstelling van Parijs in 1867 hielden zij een vurig pleidooi voor vreedzame samenwerking tussen naties. Indien dit niet zou gebeuren was volgens hen de Europese beschaving in gevaar. Helaas was hun pleidooi een schreeuw in de woestijn. Revolutionairen zoals de Italiaanse vrijheidsstrijder Giuseppe Garibaldi bleven geweld en destructie prediken als positieve deugd. Ook waren er de radicale marxisten die dachten dat ze de wereld konden verbeteren door het laten vloeien van het bloed van de Bourgeoisie. Ten slotte waren er uiteraard de politici en de militaire leiders die er alles aan deden om het paradigma van brutale oorlogvoering in stand te houden.

De Pan-Europese beweging die wordt beschreven door Kurlansky vestigde al zijn hoop paradoxaal genoeg op de Verenigde Staten. Deze nieuwe natie werd door velen aanzien als een baken van vrede en de voorbode van een nieuwe wereldorde die zou afwijken van de traditionele geopolitiek van het Europese continent. De Verenigde Staten konden deze rol echter niet waarmaken, integendeel. Aan het einde van de 19de eeuw werd de VS zelf een kolonialistische mogendheid toen het een oorlog begon tegen Spanje met als inzet het bezit van Cuba. Voor de Pan-Europese en pacifistische intellectuelen was deze evolutie binnen de Amerikaanse politiek niets minder dan een catastrofe. De Franse socialistische politicus Francis de Pressense liet in 1897 de volgende jammerklacht optekenen: >I>ďThe seduction of imperialism are drawing the United States toward the abyss where all the great democracies have found their end.Ē

Verenigde Staten

Een groot deel van het boek besteedt Kurlansky aan de geschiedenis van de Verenigde Staten. Op dit vlak toont hij zich vooral een iconoclast. Hij verzet zich tegen de gangbare interpretaties van de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd en de secessieoorlog zoals deze terug te vinden zijn in de meerderheid van de Amerikaanse en westerse schoolboeken. Ook haalt hij bij wijlen scherp uit naar de Amerikaanse filmindustrie, die volgens hem de Amerikanen opzetelt met een verkeerd beeld van het verleden van hun eigen natie. De geschiedenis van de VS wordt in dit soort boeken en films vaak voorgesteld als een proces van onophoudelijke vooruitgang en civilisatie, een triomfgeschiedenis gekenmerkt door een steeds verdere ontplooiing van de idealen van vrijheid en gelijkheid. In deze boeken zijn het uiteraard de Founding Fathers zoals Thomas Jefferson die aan het begin staan van deze glorierijke Amerikaanse geschiedenis Volgens Kurlansky is de Amerikaanse geschiedenis echter vooral een proces van destructie, geweld en barbarij. De Founding Fathers zijn geen brengers van vrede en vrijheid maar brute machtspolitici die hun land op weg zette naar oorlogvoering en bloedvergieten. De geschiedenis van de Verenigde Staten komt in dit boek naar voren als een negatief proces.

De onafhankelijkheidsoorlog wordt meestal beschreven als een noodzakelijke strijd voor het bekomen van de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten. Volgens Kurlansky is dit onterecht. Ten eerste was de strijd helemaal niet noodzakelijk: onafhankelijkheid had ook kunnen bekomen worden door middel van een efficiŽnt nederzetten van nongeweld. De auteur trekt hard van leer tegen radicale revolutionairen die aan het einde van de achttiende eeuw geweld predikten in tegenstelling tot de pacifistische Amerikanen die de onafhankelijkheid wilden bekomen via vreedzaam verzet. Gewelddadige revolutionairen handelen volgens Kurlansky zelden of nooit in de naam van het algemene belang. Tijdens de Amerikaanse revolutie was dit niet anders. Het gebruik van geweld is voor revolutionairen vaak geen middel meer om een progressief doel te realiseren maar een bruut machtsinstrument dat wordt aangewend voor andere, minder prozaÔsche, doeleinden. Hierover schrijft hij het volgende: ďThe great lesson from the history of revolutions is that a shooting war is not necessary to overthrow the established power but is often deemed necessary to consolidate the revolution itself.Ē

De seccessieoorlog wordt vaak beschreven als noodzakelijk voor de afschaffing van de slavernij. Opnieuw stelt Kurlansky dezelfde vraag als bij de Amerikaanse revolutie: was geweld noodzakelijk om het vooropgestelde doel te realiseren? Opnieuw is het antwoord negatief: neen, dat was het niet. Slavernij had ook afgeschaft kunnen worden zonder een bloedige secessieoorlog. De auteur maakt een onderscheid tussen gewelddadige abolitionisten zoals John Brown en non-gewelddadige abolitionisten zoals William Lloyd Garrison en David Low Dodge. Deze laatste was de oprichter van de New York Peace Society, de allereerste nongewelddadige beweging op grote schaal in de Verenigde Staten. De reden waarom Kurlansky niet akkoord gaat met de denkbeelden en de strategieŽn van John Brown en zijn volgelingen wordt snel duidelijk. Door geweld te gebruiken als middel tegen de eigenaars van de slaven werd een spiraal van geweld en tegengeweld in gang gezet die enkel en alleen in het voordeel was van de slaveneigenaars. Nongeweld is het enige middel om deze vicieuze cirkel van angst, onzekerheid, haat en geweld een halt toe te roepen. Het gebruik van geweld door abolitionisten was contraproductief. In plaats van de afschaffing van het slavendom vond er net een verstrenging van het systeem plaats omdat de slaveneigenaars steeds meer radicale vormen van onderdrukking gingen gebruiken om de slaven onder de knoet te houden.

De bloedige twintigste eeuw

Het behoeft weinig betoog dat de twintigste eeuw er een was van geweld en oorlog. Volgens Kurlansky verloren tijdens deze bloedige honderd jaren niet minder dan 187 miljoen mensen de dood ten gevolge van geweld en oorlog. Toch kruipt de auteur hier opnieuw uitdrukkelijk in de huid van de idealist. Volgens hem is het belangrijk om de bakens van hoop uit de vorige eeuw niet uit het oog te verliezen. Hij schrijft hierover de volgende zin: ďIt is seldom mentioned that the twentieth century was also the greatest century for nonviolent activism: from 1945 until the close of the century the world saw more victories than ever before in history.Ē In het negende, tiende en elfde hoofdstuk van het boek gaat hij op zoek naar verdedigers van het principe van nongeweld tijdens de afgelopen eeuw. Deze vindt hij in de eerste plaats in de persoon van Mahatma Ghandi, de Indische leider die er voor kon zorgen dat de Britten India onafhankelijk verklaarden zonder een voorafgaande onafhankelijkheidsoorlog. Kurlansky besteedt ook ruime aandacht aan Richard Gregg, de grootste intellectuele volgeling van Ghandi in de Verenigde Staten. Martin Luther King was iemand die rechtstreeks werd beÔnvloed door Richard Gregg.

De grootste zege voor nongeweld tijdens de twintigste eeuw vinden we echter in Centraal- en Oost-Europa. Daar verzetten intellectuelen zoals Adam Micknik en GyŲrgy KonrŠd zich jarenlang tegen de onderdrukking van het communisme via nongeweld. Dit deden ze door het schrijven van boeken en het rondspreiden van de idealen van vrede en vrijheid via essays en lezingen. Personen zoals Michnik kozen bewust voor het pad van nongeweld omdat de onderdrukking van de opstand van Boedapest in 1956 en de mislukking van de Praagse lente in 1968 hen er van had overtuigd dat het gebruik van geweld geen goed middel was om de communisten uit Moskou te bestrijden. Alleen via het gebruik van nongeweld zou het volk van centraal en Oost Europa kunnen bevrijd worden. De geschiedenis van de ondergang van de Sovjetunie heeft deze denkers overschot van gelijk gegeven.

Antipolitiek

In het voorgaande heb ik een positief beeld geschetst van het boek van Kurlansky. Het boek geeft een mooie beschrijving van de apologeten van nongeweld doorheen de geschiedenis van het westen. Het is opbeurend om te lezen dat er zelfs tijdens de meest bloedige perioden uit ons verleden mensen aanwezig waren die ingingen tegen de keer, mensen die bleven hameren op het belang van het afwijzen van geweld. De belangrijkste les van het boek is dat het gebruik van geweld om geweld tegen te gaan contraproductief is. Door dezelfde wapens en strategieŽn te gebruiken dan onderdrukkers, tirannen en totalitaristen wordt er een klimaat gecreŽerd van angst en onzekerheid. Dit klimaat leidt op zijn beurt alleen maar tot meer geweld en onderdrukking. Daarom is het goed dat Kurlansky zich ook nadrukkelijk distantieert van de radicale vleugel van de linkse beweging tijdens de jaren zestig en zeventig uit de vorige eeuw. Hij haalt zwaar uit naar de volgelingen van de schrijver Franz Fanon die samen met de Franse filosoof Sarte beweerde dat imperialistische onderdrukking alleen maar kan worden stopgezet via het gebruik van geweld en opstand. Fanon en Sartre hadden een grote invloed op linkse radicalen die het gebruik van geweld vooropstelden in hun strijd tegen het establishment. Deze radicale revolutionairen zijn het equivalent van de gewelddadige abolitionisten die zich tijdens de negentiende eeuw via het gebruik van geweld afzetten tegen slavernij. Net als hun historische equivalenten bereikten de radicale linkse leiders nooit hun doel. Het enige resultaat van hun gewelddadige opstand was het creŽren van meer terreur en repressie van bovenaf.

Toch blijft Kurlansky zelf hangen in het paradigma van de radicale linkse revolutionairen. Dit doet hij door een strikt onderscheid te postuleren tussen de staat en het gebruik van nongeweld. Zoals reeds gezegd zijn moderne natiestaten een belangrijke bron voor het ontstaan van geweld en oorlog in de westerse geschiedenis. Naast het christendom en de katholieke kerk is de staat de belangrijkste oorzaak voor oorlogen en bloedige conflicten. Hierin heeft Kurlansky gelijk. Wat echter opmerkelijk is aan zijn betoog is het feit dat politici, die per definitie werken voor de staat en dus de staat vertegenwoordigen, aanhoudend aanzien worden als de incarnatie van het kwaad zelf. Dit valt duidelijk te zien in zijn beschrijving van de Amerikaanse Founding Fathers.

In navolging van GyŲrgy KonrŠd beschrijft Kurlansky politici als professionelen van de macht (Professionals of Power). Hij suggereert hiermee dat zij per definitie de vijanden zijn van het idee en de praktijk van nongeweld. Iedere keer wanneer een politicus zich met de zaak gaat bemoeien dan loopt het volgens Kurlansky verkeerd af. Dit is een misleidend en zelfs gevaarlijk idee. Het is immers precies deze tweedeling tussen politiek en nongeweld die er voor zorgde dat zoveel linkse radicalen tijdens de afgelopen decennia hebben gegrepen naar bommen, geweren en knuppels om hun doelen te realiseren. Door de staat en politici de facto af te schilderen als gecorrumpeerde machtswellustelingen ontstaat het idee dat linkse en progressieve idealen alleen maar kunnen worden verwezenlijkt via het gebruik van het geweld. De staat en de politiek worden immers niet meer beschreven als instrumenten om politieke doeleinden na te streven maar als vijanden die in de weg staan.

Conclusie

Een paradox overschaduwt dit boek van Kurlansky. Enerzijds benadrukt hij voortdurend dat het gebruik van geweld nooit ofte nimmer efficiŽnt is, anderzijds demoniseert hij de staat en politiek zodanig dat het wel zeer moeilijk wordt om een uitweg te zien voor de almacht van de staat. Dit is een paradox inherent aan de radicale linkse beweging zoals die opkwam tijdens de jaren zestig van de vorige eeuw. We zien het ook terug bij het gewelddadige antiglobalisme dat de kop op stak aan het einde van de jaren negentig van de voorbije eeuw. Hoewel de doeleinden van deze radicale revolutionairen meestal lovenswaardig genoemd kunnen worden, zijn hun methoden laakbaar en contraproductief. Kurlansky heeft deze boodschap goed begrepen en wijst daarom het gebruik van geweld in de naam van revolutionaire en progressieve idealen af. Helaas slaagt hij er niet in om het dichotomische denken dat ten grondslag ligt aan het gewelddadig links radicalisme af te wijzen. Hij blijft de politiek beschrijven als de natuurlijke vijand van het idee en de praktijk van nongeweld, dit is een misleidende dichotomie.

Er is geen enkele reden waarom de politiek en de staat niet zou kunnen meewerken aan een vreedzame wereld waarin het principe van nongeweld hoogtij viert. De Duitse filosofe met Joodse ouders Hannah Arendt toont in haar werken aan dat politiek en progressieve idealen wel degelijk met elkaar kunnen samengaan. Politiek is volgens haar net de institutionalisering van meningsverschillen met als ultieme doel het boeken van progressieve vooruitgang. Een verzoenende visie op de relatie tussen politiek en progressieve idealen is nuttiger dan het poneren van een radicale tegenstelling tussen beiden. Sterker nog, binnen een liberale democratie is het de enige houdbare positie met betrekking tot dit soort kwesties. Kurlansky biedt in zijn boek een mooie geschiedenis van het concept van nongeweld en intellectuelen die het doorheen de geschiedenis hebben verdedigd. Hij toont ook op een mooie manier waar de historische wortels liggen van het geweld in de westerse geschiedenis: het christendom en oorlogzuchtige natiestaten. Helaas slaagt hij er niet in om een theorie naar voren te brengen die ons leert hoe we het concept van nongeweld kunnen implementeren zonder te vervallen in antipolitiek.


Recensie door Christophe Andrades



De recensent is docent politieke filosofie en politieke geschiedenis aan de Universiteit van Maastricht

Mark Kurlansky, Nonviolence. Twenty-Five Lessons From The History of a Dangerous Idea, The Modern Library, 2006

Links
mailto:Chris.Andrades@HISTORY.unimaas.nl
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be