Het dikke schrift. Het bewijs. De derde leugen

boek vrijdag 11 november 2005

Agota Kristof

In de jaren twintig vormde het antisemitisme een wezenlijk onderdeel van het Hongaarse nationalisme. Reeds in 1919 vielen de joden er ten prooi aan pogroms en vanaf 1920 werden specifieke jodenwetten goedgekeurd. In 1937 ging er een golf van antisemitisme door het land. Tal van joodse winkels en synagogen werden toen vernield. Opvallend is dat de latere paus Pius XII op de hoogte was van deze discriminerende wetgeving maar op een internationaal rooms-katholiek congres in Boedapest in datzelfde jaar zweeg hij als vermoord. Door een tweede jodenwet in 1938 werden joden uitgesloten van banen bij de overheid, in het onderwijs, in de redacties van kranten en tijdschriften waardoor duizenden Hongaren naar het buitenland trokken. Onder hen de componist Béla Bartok. Opnieuw bleef het Vaticaan doofstom, meer nog, de wet kreeg zelfs de steun van de leiders van de kerkgenootschappen. De derde jodenwet van 1940 ontnam de joden hun recht op inkomen en bezit. Ze werden vanaf 1942 onteigend en vaak opgeroepen als dwangarbeiders naar de kopermijnen van Bor in Servië. Toch werden de Hongaarse joden lang ontzien voor de Endlösung. Pas na de val van Horthy en Kállay werden ze, onder leiding van Adolf Eichmann, massaal gedeporteerd en vermoord. In haar boek Eichmann in Jeruzalem verhaalt Hannah Arendt hoe in 1944 exact 434.351 joden met 147 treinen naar vernietigingskampen werden gedeporteerd. Toen dat niet langer mogelijk was, werden nog duizenden joden door Pijlkruisers (Hongaarse nazi’s) afgemaakt aan de oevers van de Donau of te voet op weg gestuurd via de dodenmarsen.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog betekende echter nog geen bevrijding voor de Hongaren. Hoewel de communisten bij de verkiezingen van november 1945 slechts 17% van de stemmen haalden, kregen ze met steun van de sovjetbezetters de macht in handen. In 1948 voerden ze het eenpartijstelsel in en een jaar later werd Hongarije een volksrepubliek met een grondwet naar het voorbeeld van de Sovjet-Unie. Dat dit regime nooit populair was, bleek al in 1956 tijdens de Hongaarse opstand. De bevolking eiste het herstel van de persoonlijke vrijheden en de afschaffing van de veiligheidspolitie, maar sovjettroepen maakten met geweld een einde aan de opstand. Pas in 1989 konden de Hongaren het Russische juk afwerpen. Over de verschrikkingen van de shoah, van het fascisme en de communistische dictatuur in hun land schreven vooraanstaande Hongaarse auteurs als Béla Zsolt, Imre Kertész en G˙orgy Konrád diverse meesterwerken. In dat rijtje past ook het oeuvre van Agota Kristof. Zij werd in 1935 geboren en groeide op in het Hongaarse grensstadje Köszeg vlakbij de Oostenrijkse grens, dus pal naast het Derde Rijk. Tijdens de opstand van 1956 week ze met man en kind uit naar het Westen en vestigde zich in Zwitserland. Daar schreef ze haar beroemde trilogie Het dikke schrift, Het bewijs en De derde leugen.

Alhoewel de romantrilogie fictie is, bevat het heel wat autobiografische elementen en geeft het een indringend beeld van het leven in Hongarije tijdens en na de oorlog. Het verhaal begint bij een moeder die in een stad woont die gebombardeerd wordt en haar twee negenjarige kinderen Lucas en Claus, een tweeling, bij hun grootmoeder in een klein grensdorpje in veiligheid brengt. De grootmoeder is daar niet gelukkig mee, ze had haar dochter immers verstoten. De kinderen blijven, worden verwaarloosd en proberen op hun eigen manier te overleven. Ze oefenen zich in het vasten, bedelen en het verdragen van pijn om zich te harden tegen hun wrede grootmoeder, het oorlogsgeweld, onrecht, honger en dorst. Ze vormen hun eigen morele waarden. Soms zijn ze lief en helpen zwakkeren, soms zijn ze kwaadaardig en slaan ze zonder mededogen toe. Ze leren lezen en schrijven aan de hand van de bijbel en een woordenboek. Al hun indrukken schrijven ze neer in een dik schrift. Lucas en Claus staan model voor heel wat kinderen die tijdens de oorlog werden achtergelaten, daarbij trauma’s opliepen en zich moesten aanpassen aan extreme situaties. Het boek eindigt met de terugkeer van hun vader die de grens wil overtrekken. Ze offeren hun vader op – hij stapt op een landmijn – zodat een van hen, Claus, zelf op de vlucht kan slaan.

Het bewijs gaat over het bizarre leven van Lucas die alleen is achtergebleven in Hongarije en de communistische dictatuur ondergaat. Hij mijmert over zijn verdwenen tweelingbroer van wie hij niets meer verneemt. Lucas verzorgt zijn grootmoeder en na haar dood koopt hij een boekhandel. Daar ontmoet hij mensen die elk op hun manier getroffen werden door de oorlog. Zoals Judith, de directrice van een weeshuis over wie Agota Kristof het volgende schrijft. ‘Ze is een zwaarbeproefde vrouw. Haar man is vermist geraakt in de oorlog, zelf is ze gedeporteerd en tot aan de deuren van de hel gegaan. Dat is geen beeldspraak. Er brandde werkelijk vuur achter die deuren, een vuur dat door mensen was aangestoken om er andere mensen door te laten verteren.’ Hier zit de realiteit verweven in het verhaal. Heel wat vrouwen wachtten na de oorlog immers op hun vermiste en dode mannen, en leefden van de herinneringen. Kristof doet geen verslag over de Hongaarse opstand, maar door de mond van haar ‘fictieve’ personages klinkt de roep om vrijheid. Eenmaal valt ze buiten haar rol als vertelster en neemt ze zelf het woord als de revolutie is neergeslagen. ‘Er is nog verzet, gevechten en stakingen. Er zijn ook aanhoudingen, gevangennames, verdwijningen en executies. Door paniek bevangen verlaten tweehonderdduizend inwoners het land.’ Zij was er een van. Wanneer Claus na lange tijd terugkeert, blijkt Lucas sinds zijn dertigste spoorloos verdwenen te zijn. Hij herinnert zich nog maar weinig van zijn jeugd. Alleen zijn achtergelaten schriften vormen het bewijs van zijn bestaan. Als blijkt dat hij ongeneeslijk ziek is, besluit hij op zoek te gaan naar zijn broer Lucas.

De derde leugen beschrijft de zoektocht van Claus naar zijn broer. Uiteindelijk komt hij terecht bij een zekere Klaus die steeds in het land is blijven wonen en die gedichten schrijft onder het pseudoniem Klaus Lucas. Die ontkent echter zijn broer te zijn en ze gaan uiteen. De rest van het verhaal is een intrigerende verantwoording van Klaus waarom hij zijn broer niet wilde herkennen. Daarmee komen de waarheden uit de twee eerdere verhalen in een heel ander daglicht te staan, zodat de lezer zich uiteindelijk afvraagt of de tweeling wel daadwerkelijk bestaan heeft. Kristof ‘speelt’ met haar fantasie en mengt hier opnieuw fictie met realiteit, waarheid met leugen, fantasie met herinnering. Ze beseft heel goed dat die herinnering steeds meer vervaagt en dat indrukken door de omstandigheden vervormd geraken. Een van de protagonisten geeft dit ook aan. ‘Ik probeer ware geschiedenissen te schrijven, maar op een bepaald moment wordt de geschiedenis onverdraaglijk, juist door de waarheid, en dan ben ik gedwongen er iets aan te veranderen’. Hiermee raakt de auteur een menselijke trek aan. Dat men de dingen vaak mooier beschrijft, niet zoals ze gebeurd zijn, maar zoals men zou willen dat ze gebeurd waren.

Ook in dit laatste deel is de maatschappijkritiek niet uit de lucht. Klaus vertelt hoe hij op zijn zeventiende onder het communistische regime als zetter in een drukkerij werkte. ‘Wat wij in de krant drukken, is in volstrekte tegenspraak met de werkelijkheid. We drukken iedere dag honderd keer de zin: “Wij zijn vrij”, maar in de straten zien we overal soldaten van een buitenlands leger, iedereen weet dat er tal van politieke gevangenen zijn, naar het buitenland reizen is verboden, en zelfs binnen ons land kunnen we niet gaan naar welke stad we willen’. Hier klinkt weer duidelijk de stem van Agota Kristof door. Op het einde praat Klaus in zijn hoofd met Lucas en zegt hem dat als hij dood is, hij er het beste van af is gekomen en dat hijzelf als levende de zwaarste last moet dragen. Waarop een zin volgt die de lezer als een klap in het gezicht doet opschrikken. ‘Ik zeg hem dat het leven van een volstrekte nutteloosheid is, het is zinloosheid, waanzin, lijden zonder einde, het bedenksel van een antigod wiens boosaardigheid alle begrip te boven gaat.’

Heel wat lezers zullen het moeilijk hebben met die uitspraak. Wie de getuigenissen van de overlevenden van de Endlösung leest, zal dit evenwel begrijpen. In zijn boek Schemerland geeft de Vlaamse journalist Piet de Moor een gesprek weer met de latere Nobelprijswinnaar voor Literatuur Imre Kertész. Die vertelt hoe hij in 1944 als vijftienjarige jongen uit de bus in de buurt van Boedapest werd getrokken omdat hij door zijn gele ster als jood werd herkend. Hij werd gedeporteerd naar Auschwitz. Zijn vader is in de buurt van de Hongaars Oostenrijkse grens door Hongaren vermoord. De deportatie van de Hongaarse joden was het werk van Hongaarse burgemeesters, ambtenaren en rijkswachters. Het waren Hongaarse Pijlkruisers die de getto’s bewaakten en joden doodschoten tot het water van de Donau in Boedapest rood van het bloed zag. Kertész had steeds problemen met de autoriteiten omdat hij over deze zwarte periode van het land schreef. Zelfs na de val van het communisme wilde men er niet aan herinnerd worden. ‘In Hongarije bestaat geen holocaustbewustzijn,’ zo zegt Imre Kertész. Het is een onthutsende uitspraak. Juist daarom is het werk van Agota Kristof zo belangrijk. Opdat de Hongaren, net als andere volkeren die worstelen met hun antisemitisch verleden, in het reine zouden komen met hun eigen geschiedenis. En vooral opdat de jongeren kennis zouden krijgen over het verleden en beseffen dat dit nooit meer mag gebeuren.

Agota Kristof wordt in oktober zeventig jaar. Onlangs verscheen in Frankrijk haar korte autobiografie onder de merkwaardige titel L’analfabčte. Hieruit blijkt dat het verhaal in haar trilogie sterk verweven is met haar eigen levensloop. Op vierjarige leeftijd breekt de oorlog uit. Dan woont ze in een klein dorpje waar geen station is, geen elektriciteit, lopend water en telefoon bestaat. Haar vader is de enige onderwijzer van het dorp en zo leert ze op vierjarige leeftijd te lezen. Ze heeft twee broers en een grootmoeder aan wie ze met veel fantasie haar eigen verhaaltjes vertelt. Eigenlijk droomt ze ervan om te schrijven. Op negenjarige leeftijd verhuisde ze naar een stadje vlakbij de Oostenrijkse grens, net zoals de hoofdrolspelers van Het dikke schrift. Taal speelt een heel belangrijke rol in haar leven. Tot dan had ze er nog maar één gehoord, het Hongaars, maar in het stadje sprak een kwart van de bevolking Duits en na de ‘bevrijding’ door de Sovjettroepen wordt het Russisch de verplichte taal in de scholen. Duits en Russisch, de taal van de onderdrukkers, zoals Piet de Moor schrijft, en dat ervoer de latere schrijfster aan de lijve. In november 1956 vluchtte ze met haar man en baby naar Oostenrijk en kwam later in Zwitserland terecht waar ze opnieuw geconfronteerd werd met een nieuwe taal, het Frans. Ze had alles in Hongarije achtergelaten, haar gedichten, haar broers en haar ouders, zonder dat ze afscheid had kunnen nemen. Op die dag, zo schrijft ze, verloor ik definitief elke binding met een volk.

Tegenwoordig worden vluchtelingen en asielzoekers geweerd en verwenst. Dat was toen niet het geval voor vluchtelingen uit het Oostblok. Kristof vertelt hoe ze warm werd opgevangen in Wenen, dat ze een gastland kregen toegewezen en hoe ze aan de Zwitserse grens verwelkomd werden door een fanfare en vriendelijke vrouwen die hen warme thee, chocolade en sinaasappelen aanboden. In Lausanne werden ze opgevangen en moesten mannen en vrouwen apart in de douches. Sommige vrouwen kregen toen schrik en dachten aan de gebeurtenissen in de vroegere concentratiekampen. Uiteindelijk komt Kristof terecht in Neuchâtel waar ze werk vindt in een horlogefabriek. Ze voelt zich eenzaam en veel van haar landgenoten kunnen niet aarden, het is het lot van heel wat vluchtelingen, ook vandaag nog. Sommigen keren zelfs terug naar Hongarije in de wetenschap dat ze zullen gestraft worden, anderen trekken verder naar de Verenigde Staten en Canada. Nog anderen plegen zelfmoord. Zelf voelt ze zich opnieuw een analfabete omdat ze de Franse taal niet kent. Op 26 jarige leeftijd begint ze die te leren en kan ze enkele eenvoudige zinnen schrijven. Ze noteert haar jeugdherinneringen en daaruit ontstaat haar eerste roman die drie jaar later vertaald zal worden in achttien talen. Het verhaal van Kristof is aangrijpend en haar boodschap over de gevolgen van een gedwongen ontwrichting uit haar moederland blijft brandend actueel. Wat zou mijn leven geweest zijn mocht ik niet gevlucht zijn, zo vraagt ze zich af. Harder en armer, denkt ze, maar ook minder eenzaam, minder verscheurd, misschien zelfs gelukkig. Maar van één ding is ze zeker, ze zou geschreven hebben, ongeacht in welke taal.


Dirk Verhofstadt

Agota Kristof, Het dikke schrift. Het bewijs. De derde leugen, Van Gennep, 2001

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be