De leraar

boek vrijdag 15 mei 2009

Bart Koubaa

‘Sinds de onderwijsbevoegdheid van de Belgische overheid overgegaan is naar de Vlaamse overheid (1988) is de kwaliteit sterk verbeterd. In internationale vergelijkende studies scoort vooral het secundair onderwijs zeer goed, sinds 2000 herhaaldelijk in de top-10. Dit is één van de redenen waarom aan de grens wonende Nederlanders met duizenden (ruim 18.500 in 2006-2007) in Vlaamse scholen ingeschreven zijn. Ook Franstalige Belgen kiezen steeds vaker voor het Vlaamse onderwijs.’ Deze lovende woorden over ons onderwijssysteem staan ondermeer te lezen op Wikipedia over het onderwijs in Vlaanderen. Dat is een goede zaak en stelt waarschijnlijk heel wat ouders gerust maar toch heb ik mijn twijfels. Zo merk ik dat de taalkennis er de voorbije decennia bijzonder sterk is op achteruit gegaan, en over de kennis van onze hedendaagse geschiedenis kan ik kort zijn: die is lamentabel. Vraag aan laatstejaarsscholieren en zelfs aan studenten aan de universiteit wat bijvoorbeeld Auschwitz en de Goelag betekenen en je krijgt verbijsterend foute antwoorden. Ons onderwijs mag dan al internationaal hoog gewaardeerd worden, ik blijf sceptisch over de echte kwaliteit ervan. De cijfers die ons zo hoog op de internationale ladder duwen zijn daarenboven gemiddelden en maskeren een bijzonder groot probleem dat als een tijdbom onder onze samenleving tikt, namelijk de (gebrekkige) kwaliteit in tal van technische en beroepsscholen.

Over dit thema schreef de Vlaamse auteur Bart Koubaa (een pseudoniem van Bart van den Bossche) de indrukwekkende roman De leraar. Koubaa studeerde film en fotografie aan de KASK en Arabisch aan de Universiteit Gent. Hij woonde in Wenen, Madrid, Jerez de la Frontera en Firenze. Eind 2000 publiceerde hij bij Querido zijn debuut Vuur, gevolgd door Lucht en Het gebied van Nevski die genomineerd werd met de BNG literatuurprijs. Met De leraar zet de jonge auteur evenwel een forse literaire stap voorwaarts. Op 280 bladzijden geeft hij een weinig flatterend beeld van ons beroepsonderwijs, over de donkere kanten van ons integratiebeleid en over de hypocrisie van de Vlaamse goegemeente tegenover vreemdelingen. Soms zegt men dat fictie veel verder gaat dan de realiteit, maar hier vrees ik dat de werkelijkheid de fictie nog overstijgt. Centraal in zijn verhaal staat een leraar Nederlands, de Kraai, in een beroepsschool afdeling automechanica waar vooral allochtone (lees Marokkaanse) leerlingen de lessen volgen, voor zover ze komen opdagen. De Kraai is een uitgebluste 54-jarige onderwijzer die uitkijkt naar zijn pensioen en de hele schijnvertoning die naar buiten wordt getoond met de nodige ironie en cynisme doorziet.

Cruciaal is zijn vaststelling dat schooldirecties de leerlingenaantallen belangrijker vinden dan de opvoeding en opleiding van de jongeren zelf. Die aantallen zijn ‘even belangrijk als kijkcijfers voor een televisiezender’, mijmert de Kraai. Dat wordt heel duidelijk bij de jaarlijkse toespraak van de schooldirecteur tot het personeel die zelfs waarschuwt dat men zo goed mogelijk de aanwezigheidslijsten moet invullen (lees opsmukken) want dat er anders minder lesuren te verdelen vallen. Dat betekent ondermeer dat men het spijbelen door de vingers moet zien. ‘Het eerste uur zijn alle klaslokalen duiventillen’, zo stelt de Kraai vast, ‘tegen het einde van het tweede lesuur is twee derde van het pluimvee geland, de rest zal, ondanks zijn fenomenale oriënteringsvermogen, de weg naar school niet meer vinden vandaag’. Nog erger is de mentaliteit op school zelf waar leerlingen regelmatig betrapt worden met wapens op zak, waarbij de ouderen nieuwkomers letterlijk afpersen en voor het minste met elkaar op de vuist gaan. Het lerarenkorps, dat vaak met idealistische motieven aan de slag ging, staat gewoon machteloos wat leidt tot regelmatig ziekteverzuim. ‘De meeste bellers zijn echt ziek, de rest probeert zoveel mogelijk ziektedagen te verzamelen.’ Blijkbaar kampen steeds meer onderwijzers hierdoor met andere problemen. Zo werden er specifieke diensten opgericht om depressieve of alcoholistische leerkrachten op te vangen.

De leraar confronteert ons met de ronduit belabberde taalkennis en motivatie van de leerlingen in een beroepsschool. Zo geeft de Kraai in de les Nederlands regelmatig de eerste alinea van een krantenartikel dat de scholieren dan moeten vervolledigen met hun eigen woorden, zonder succes evenwel. ‘Sommigen vullen het verhaal aan met één zin die vol fouten staat en belachelijk is, anderen tekenen swastika’s of penissen op het papier’, schrijft Koubaa die weet waarover hij schrijft. Al bijna tien jaar werkt hij als deeltijds administratief bediende in het Gentse avondonderwijs en zijn vrouw Laila heeft in verschillende schooltypes en regio’s les gegeven. Daar werd hij ongetwijfeld geconfronteerd met de enorme taalachterstand bij allochtonen die nauwelijks een deftige zin kunnen uitspreken (laat staan schijven) tenzij ze in groep zijn, want dan zijn ze bijzonder mondig, aldus de Kraai. Het boek is bijzonder hard, maar hier en daar ook ongewild grappig. Zo legt een moegetergde Kraai een straf op aan een van zijn leerlingen. Die moet honderd keer ‘ik ben een aap’ schrijven en dit door zijn vader laten ondertekenen. Het gevolg is een boze vader die niet kan accepteren dat mensen van apen afstammen (heel wat moslims hebben problemen met de evolutietheorie van Darwin), maar ook een reprimande van de directeur die vreest voor heibel en voor een leerling (en dus subsidies) minder voor zijn school.

Niet alleen Darwin moet eraan geloven, ook de Joden zijn kop van jut. Swastika’s en slogans als ‘Joden buiten’ zijn blijkbaar schering en inslag. Deze vaststelling spoort met de problemen die steeds meer geschiedenisleraars ondervinden om moslimjongeren over de Holocaust te onderwijzen. Ook hier lijkt de realiteit nog erger dan de fictie. De kennis van het verleden, in het bijzonder over de 20ste eeuw, is dramatisch. Dat hoeft ook niet te verwonderen want scholieren krijgen daar nauwelijks les over. In de lessen geschiedenis raakt men nauwelijks tot aan de Tweede Wereldoorlog, voor zover het vak trouwens gegeven wordt. In het ASO maar twee uurtjes in de week, in het TSO één uur en in het BSO nul uur. Dat laatste is gewoon onaanvaardbaar. En later maar klagen over de extreemrechtse en populistische tendensen onder heel wat jongeren die uit het TSO en BSO komen. De Kraai is dan ook pessimistisch over de toekomst wat Koubaa trouwens treffend weet te omschrijven: ‘Het zijn ook niet de grootste lichten die op onze school rondlopen, zeker niet de lichten die tot de islamitische Verlichting zullen bijdragen.’ Niet dat de allochtone leerlingen in de greep zijn van een soort religieuze hypnose, het is veeleer hun materialisme en onverschilligheid die zo stuitend zijn. ‘Als leerlingen elkaar de kop inslaan of misbruiken is het niet op basis van afkomst, het heeft bijna altijd met geld te maken, met geld en taal.’

Gaandeweg het boek komt een nog andere dimensie aan bod, namelijk het bewustzijn bij heel wat allochtone jongeren dat ze toch geen kans hebben in onze samenleving en dit omwille van de ‘eigen-volk-eerst’ mentaliteit die dieper in onze volksgeest verankerd zit dan we zelf willen toegeven. Het gevolg is racisme en discriminatie en ook dat beschrijft Koubaa in deze roman met verve. ‘Wat heeft het voor zin dat ik een diploma haal, met mijn naam raak ik toch niet aan werk’, zo zeggen de scholieren en het zit nog dieper. ‘Mijn leerlingen weten heel goed hoe over hen en hun familie wordt gedacht, hoe hun geloof als wortel van alle kwaad wordt beschouwd, hoe zij als oorzaak van onveiligheid worden gebrandmerkt’, aldus de Kraai. Het gevolg van een dergelijke houding kennen we. Een algemene en voortdurende vreemdelingnhaat die aangewakkerd wordt door extreemrechts, maar ook steeds meer door populisten van alle slag. Tot zelfs bedrijven weigeren om nog Marokkaanse werknemers in dienst te nemen omdat hun klanten dit niet wensen. Zo maakt de auteur geruisloos duidelijk dat het onderwijsprobleem niet aan één kant zit, maar in feite de kern van ons samenleven betreft. Waarbij Koubaa fel uithaalt naar de vreemdelingen die hier al 30 jaar of langer wonen, maar ook naar de autochtonen want ‘er is er geen een onder hen die verstaanbaar Nederlands spreekt, en dat geldt ook voor Vlamingen’.

Helemaal hilarisch wordt het als de Kraai in zijn postbakje een richtlijn ontvangt over hoe hij zich als leraar moet gedragen om te ‘overleven’. Zoals: ‘Gedraag je fris en levendig. Zorg ervoor dat er nog wat mysterie overblijft’ en ‘Smoor herrie in de kiem door oogcontact, dichterbij komen, kleine aansporingen om mee te werken enz.’ Wat de Kraai doet om te ‘overleven’ is net het tegenovergestelde. Als twee leerlingen elkaar de kop inslaan, zal hij zeker niet tussenbeide komen tot het gevecht voorbij is. Wat Koubaa in zijn roman blootlegt is een onderwijssysteem dat op papier tot de beste van de wereld behoort (en daar zijn ook succesverhalen over te vertellen) maar in de praktijk helemaal verziekt is. Want terwijl de lezer verder wordt meegezogen in een waanzinnig verhaal met een verrassende afloop (dat hij in het boek zelf moet ontdekken) wordt hij bladzijde na bladzijde geconfronteerd met absurde reglementen vanuit Brussel, foute situaties en regelrechte wantoestanden. Daar horen of lezen we in de krant weinig of niets over, tenzij er weer eens een scholier is dolgedraaid en met een wapen een of meer medestudenten naar het leven staat. En de leerkrachten staan onmachtig, alleen gewapend met onbenullige, wereldvreemde en irrealistische richtlijnen. Soms overvalt bij de lezer de vraag ‘waarom de leerkrachten die leerlingen niet eens harder aanpakken, eens flink aan de oren trekken of eens een slecht rapport geven’, waarop het kurkdroge antwoord van de Kraai volgt die zijn leerlingen altijd wat teveel punten geeft: ‘Ik zie ze liever gaan dan komen’.

Koubaa schreef niet alleen een maatschappelijk belangrijk boek maar tevens een literaire parel waarin hij de spanning tot het einde weet vast te houden. Wie dit leest zal schrikken en dit op diverse vlakken.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Bart Koubaa, De leraar, Querido, 2009

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be