Frontberichten

boek vrijdag 10 februari 2006

Edlef Köppen

Hoezeer de nazi’s de onafhankelijke geest van dichters, schrijvers, wetenschappers en andere intellectuelen vreesden bleek uit hun vastberadenheid om hen niet alleen fysiek te liquideren maar ook hun boeken te vernietigen. Op 10 mei 1933 verzamelden honderden studenten, bibliothecarissen, professoren, leden van Stahlhelm, de SA en de Hitlerjugend op de Oberplatz voor de Berliner Staatsoper. Ze brachten meer dan 12.000 titels van 150 verschillende ongewenste auteurs bijeen voor een reusachtige boekverbranding. Ruim 20.000 boeken gingen die avond in de vlammen op. De gebeurtenis werd door Goebbels geroemd als de unieke Verbrennung undeutschen Schrifttums. De geviseerde auteurs waren communisten, socialisten, liberalen en antifascisten zoals Karl Marx, Heinrich Mann, Bertold Brecht, Siegmund Freud, Carl von Ossietzky, Kurt Tucholsky, Erich Kästner, Alfred Döblin en vele anderen. Een aparte categorie vormden de werken van de zogenaamde ‘pacifisten’ die volgens de nazi’s met hun schrijfsels de noodzakelijke volksverbondenheid en de vaste wil ondermijnden. Zo stonden ze al in 1929 ronduit vijandig tegenover het boek Im Westen nichts Neues? van Erich Remarque. Het was het eerste boek waarin de oorlogservaringen van de Eerste Wereldoorlog op een realistische manier werden beschreven.

In zijn inleiding schreef Erich Remarque dat ‘hij verslag wou uitbrengen over een generatie die door de oorlog is vernietigd, ook als ze aan zijn granaten wist te ontkomen’. Het was een aanklacht tegen de samenleving die alle menselijkheid, schoonheid, liefde en individualiteit had vernietigd. Het boek kreeg heel wat tegenwind van conservatieve krachten omdat het ‘de idee van geestelijke wedergeboorte, gebaseerd op traditionele waarden’ aantastte. Maar de felste kritiek kwam van de fascisten die zich verzetten tegen elke zinspeling op de zinloosheid van de oorlog. In 1932 liet de nazi-minister van Binnenlandse zaken van de staat Thüringen het boek uit de bibliotheken verwijderen wegens ‘pacifistisch-marxistische propaganda’. Nog later werden de boeken van Erich Remarque verbrand. Eenzelfde verzet rees tegen het boek Heeresbericht (Frontberichten) van Edlef Köppen. Net als Remarque had Köppen zich in 1914 als vrijwilliger aangemeld in het keizerlijke Duitse leger, doorstond de catastrofe en schreef een roman met duidelijk heel wat autobiografische gegevens. Het boek verscheen oorspronkelijk ik 1930 maar werd al snel door de nazi’s verboden. Pas onlangs werd het herontdekt als een van de belangrijkste literaire verbeeldingen van de frontervaring van de Eerste Wereldoorlog. Het markeert een van de zwartste bladzijden van onze geschiedenis.

Op 1 augustus 1914 kregen alle Duitse jongeren tussen 17 en 20 jaar die niet waren opgeroepen voor het leger de aansporing om zich te melden als oorlogsvrijwilliger. Een van hen was Adolf Reisiger, het hoofdpersonage in het boek ontsproten uit het brein van Köppen, maar hoogst waarschijnlijk zijn alter ego. Zijn verwachting is dat de oorlog nog voor de kerst zal afgelopen zijn. Hij wordt opgenomen als soldaat bij een munitiecolonne in de buurt van het Franse Arras. Het duurt niet lang voor hij zijn eerste dode ziet en de verschrikkelijke realiteit van de loopgravenoorlog tot hem doordringt. Zo maakt zijn aanvankelijke optimisme en enthousiasme plaats voor het besef dat de oorlog ‘moord op bevel’ betekent. Bladzijden lang getuigt de soldaat (schrijver) van de gruwelijke zinloosheid van de oorlog: de verspilling van mensenlevens, de vernietiging van alles wat nog bestaat, de moorddadigheid van de oorlogslogica waarbij twee kampen elkaar in een wurggreep hielden. Van de Vlaamse kust in Nieuwpoort tot de Zwitserse grens in Basel zaten honderdduizenden soldaten in stinkende loopgraven en probeerden hun tegenstanders te vernietigen. Loopgraven die op sommige plaatsen slechts enkele meters van elkaar verwijderd waren waardoor men de stemmen van de vijand kon horen.

Adolf Reisiger behoorde niet tot de infanterie, maar tot de zogenaamde tweede linie die met hun kanonnen de stellingen van de tegenstander bestookten. Op het eerste zicht meer comfortabel maar Köppen beschrijft indringend en realistisch het afschuwelijke werk van de munitiecolonnes, de beschietingen en de moordende reacties van de tegenstanders. Al snel sneuvelen tal van zijn makkers en zelf raakt Reisiger na enkele maanden gewond door een granaatscherf. Hij komt terecht in een lazaret en vraagt zich voor af hoe die rotzooi mogelijk is. ‘Waarom – hebt – Gij – ons verlaten!’, zo vraagt hij zich af. Weken later zit hij weer aan het front en leert hij zich te beveiligen tegen een nieuw, onzichtbaar wapen: gas. Daarvoor krijgen ze elk een zwachtel die ze met een vloeistof moeten doordrenken en voor hun neus houden. En als de vloeistof op is, moeten ze de zwachtel met urine nat maken. Langzaam maar zeker trekt Köppen de lezer mee in de modder en uitzichtloosheid. Hij beschrijft hoe Reisiger met zijn gevechtsgroep op een dag een aanval van de Engelsen afslaat. Ze maken ze met duizenden af. ‘Niet te begrijpen dat het doel, levende mensen, zich zonder enig verweer laten doodschieten’, zo schrijft hij. Het gebeurde in die vier oorlogsjaren regelmatig. Militaire leiders die zonder veel besef tienduizenden soldaten de opdracht gaven om een strategische heuvel te veroveren. Ze sneuvelden allemaal onder moordend mitrailleurvuur. Waarop de generaals de volgende dag een nieuwe stormloop bevalen met ‘verse’ troepen en met hetzelfde absurde resultaat.

Reisinger wordt in september 1915 bevorderd tot korporaal en vecht dan in de buurt van Souchez. Wat volgt is een gruwelijk gevecht, bijna ondragelijk te lezen, van duizenden jonge mannen die sterven onder spervuur en het gas. Met vermorzelde paarden en halfgekke manschappen die met hun bajonetten alles neermaaien wat zijn hand nog opsteekt. ‘Tot alles roerloos stikt in een brij van bloed’. Het levert Reisiger het erekruis tweede klas op en later wordt hij onderofficier. De auteur schrijft dan verder op het ritme van de oorlog zelf. Waarbij in de groep van zijn protagonist dagelijks enkele mensen sneuvelen, iets wat voor het commando al lang geen nieuws meer is. ‘Wij hebben ze er toch voor, we hebben toch genoeg mensen materiaal’, zo geeft hij de heersende mentaliteit weer aan beide kanten van het oorlogsgebeuren. Bijzonder interessant zijn de teksten van officiële documenten en verklaringen van de Duitse keizer, van de oorlogsleiding en van de censuurafdeling ervan. Ze verkondigen steeds opnieuw de nakende overwinning. ‘Tegenover de geest en de wil die leger en vaderland onwrikbaar bindt zullen zij het onderspit moeten delven: de geest van de plichtsbetrachting tegenover het vaderland tot en met de laatste ademtocht en de wil tot overwinnen. Zo gaan wij dan het nieuwe jaar (1916) tegemoet. Voorwaarts met God ter bescherming van het vaderland en voor de grootsheid van Duitsland!’

De situatie verandert niet. En Reisiger komt stilaan tot het besef dat dit alles waanzin is. In zijn dagboek schrijft hij ‘het moet een keer gezegd worden dat ik de oorlog langzamerhand als de grootste smeerlapperij beschouw die er bestaat’. Het zijn uitspraken die noch schriftelijk, noch mondeling mochten gebeuren op straffe van een gebrek aan wilskracht en vaderlandsliefde. Intussen blijft de waanzin voortduren en beschrijft Reisiger hoe granaten van 30 centimeter met een gewicht van 324 kilogram zich tot een diepte van 8,80 meter in de grond en door 90 centimeter beton boren waarbij ze meer dan 8.000 ijzeren splinters verstrooien. De meeste van zijn kameraden sneuvelen waaronder ook verschillende van zijn oversten. In plaats van tot rede te komen verharden de bevelhebbers intussen hun standpunten. Op 25 augustus 1917 herhaalt de Duitse Generaal-luitenant von Roon dat ze de vijand compleet willen verslaan en doorgaan tot de ‘ultieme overwinning’.

Na een korte periode aan het Russische front komt Reisiger terecht in de buurt van Valenciennes op de meest troosteloze plaats die hij ooit gezien heeft, zonder gras, geen steen op een andere, alleen modder, puin en diepe gaten. Op 15 juli 1918 bereiden de Duitsers zich voor op een ultieme aanval. Wat volgt is een bladzijden lang beschreven bombardement van de vijandige stellingen maar de vijand was op de hoogte, had zich teruggetrokken, ging in de tegenaanval en vernietigde de Duitse infanterie met moordend vuur. Dan begint de aftocht en het gevecht tegen nieuwe wapens, vliegtuigen en tanks. Zowat gans zijn compagnie gaat eraan en Reisiger heeft het over een hoop onzin, over de grootste van alle misdaden en hij weigert nog langer medeschuldig te zijn. Daarvoor komt hij voor het opperbevel die hem arresteert en opsluit in een krankzinnigengesticht. ‘De oorlog is de grootste misdaad die ik ken. Ik ben schuldig. Ik ben er jarenlang schuldig aan geweest. Door mijn bevel zijn mensen gedood’, zo eindigt het verhaal van Reisinger in de Zenuwafdeling van een lazaret in Mainz.

Op datzelfde ogenblik lag een andere soldaat huilend van woede over de Duitse nederlaag in zijn ziekenkamer en bezweerde zich te zullen wreken: Adolf Hitler. De levensloop van Adolf Reisiger komt verrassend overeen met die van de latere Führer. Ook hij diende de gehele oorlog en raakte gewond in oktober 1916. Twee jaar later kwam hij terecht in een gasaanval. Het gevolg was dat hij een tijdje blind was en hij verbleef nog steeds in een militair ziekenhuis in Pasewalk voor behandeling toen Duitsland zich overgaf. Hitler kreeg het IJzeren kruis tweede en eerste klasse wegens zijn moedig gedrag als ordonnans maar bracht het wel niet verder dan korporaal. Zijn oversten vonden dat hij te weinig leiding kon geven. Uit tal van studies blijkt dat de Duitse nederlaag in 1918 een grote invloed heeft gehad op de verdere levensloop en het karakter van Hitler. Zo weigerde hij op het einde van de Tweede Wereldoorlog zich over te geven en gaf zelfs het bevel tot de globale vernietiging. Frontberichten was een van de eerste beschrijvingen van de frontervaringen tijdens de Grote Oorlog. Het is een verpletterende roman die niemand onberoerd kan laten.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Edlef Köppen, Frontberichten, Ambo, 2005

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be