Het verdriet van de hanen

boek vrijdag 03 november 2006

György Konrad

Door de straten van Boedapest slentert een oude wijze man. Hij mijmert over zijn voorbije leven, haalt herinneringen op aan zijn jeugdjaren, zijn klasgenootjes, zijn liefdes, zijn ouders, zijn goede en kwade dagen. Maar hij blijft niet stilstaan. Nu en dan neemt hij de gratis bus, stapt op goed geluk uit en gaat een café binnen om er wat te eten en een goed glas wijn te drinken. Als hij zin heeft, neemt hij de trein naar zijn geliefde Hegymagas, een dorpje vlakbij het betoverende Balatonmeer waar hij door de weiden wandelt, vanuit de tuin de helrode zon ziet ondergaan en zich terugtrekt in zijn werkkamer om er in alle stilte te schrijven. Dat doet hij liever dan een eerbaar genootschap voor te zitten, obligate toespraken te houden, zich te laten fêteren of journalisten te woord staan met hun voorspelbare vragen. Niet dat hij onvriendelijk is, integendeel, hij vervult die verplichtingen minzaam, maar het interesseert hem niet echt meer. Veel boeiender vindt hij het om naar doodgewone dingen te kijken, om zijn laatste levensdagen intens te ondergaan en zijn ultieme indrukken neer te pennen.

De joods-Hongaarse schrijver György Konrad is een van belangrijkste levende schrijvers. Hij schreef een indrukwekkend oeuvre met uitschieters als De bezoeker, De medeplichtige, Tuinfeest en De oude brug. Als enig kind van zijn dorp kind overleefde hij de waanzin van de nazi’s. Daarna onderging hij de communistische onderdrukking, liep met een machinegeweer rond tijdens de Hongaarse opstand in 1956, weigerde naar het Westen te vluchten en begon te schrijven. Daarop volgde een periode van huiszoekingen, afluisterpraktijken, ondervragingen, intimidaties, inbeslagnames van ‘staatsgevaarlijke’ teksten, illegaal kopiëren, het naar het buitenland smokkelen van bundels en het drukken van zijn werken via de samizdat, de ondergrondse pers. In 1974 werd Konrad gearresteerd door de staatsveiligheid. Na een korte opsluiting in een psychiatrische kliniek kwam hij vrij, maar hij verloor zijn werk en boeken uitgeven werd hem verboden. Zijn teksten circuleerden in het buitenland en het bezorgde hem naambekendheid en internationaal respect. Na de val van de Muur in 1989 werd hij gevraagd als voorzitter van de internationale PEN-club en als voorzitter van de Berlijns-Brandenburgse Kunstacademie. Zijn faam groeide en hij ontving tal van prestigieuze prijzen.

De voorbije jaren was György Konrad bijzonder actief. In 2001 en 2003 verschenen zijn autobiografieën Geluk en Zonsverduistering die door velen beschouwd werden als zijn literaire testament. Maar zoals hij in zijn leven al zoveel mensen verraste, zo doet hij dat nu weer met Het verdriet van de hanen, zijn nieuwste, ronduit schitterende publicatie. Zijn hoofdpersonage is een zekere Kalligaro, maar het is een handigheidje van de auteur om over zichzelf te spreken met weer een autobiografie als resultaat. Maar terwijl zijn twee vorige werken een chronologische volgorde hebben, overstijgt hij dit genre en krijgt het de vorm van een filosofisch traktaat over de zin en onzin van zijn leven, over de gebeurtenissen in zijn land en over diegenen die hem dierbaar waren. Het geheel is een lyrische, soms melancholische tekst waarin de oude meester blijk geeft van een groot inlevingsvermogen en tegelijk van zijn scherp bewustzijn van de relativiteit van een mensenleven. ‘Een komeet is over het huis gevlogen, over vierduizend jaar komt hij weer terug’, zo schrijft hij tot tweemaal toe.

De lezer krijgt voortdurend de indruk dat György Konrad afscheid aan het nemen is. ‘Na zijn zeventigste krijgt een mens de behoefte om door te geven wat hij heeft’ en alhoewel hij eenzaamheid niet vervelend vindt, denkt hij vaak terug aan diegenen die hem ontvallen zijn, terwijl hijzelf alles heeft overleefd. Hij noemt zichzelf iemand die ‘koppig de achterhoede van de mensheid vormt’, klaar om te sterven en hoopt dat dit onopvallend gebeurt, zonder hinder voor zijn medemensen, waarna men hem mag verbranden tot as ‘precies zoals dat indertijd met zijn klasgenootjes was gebeurd’. Die werden in 1944 opgepakt en verbrand in de nazi-vernietigingskampen. Konrad klampt zich niet krampachtig vast aan het leven maar geniet van elk moment dat hij ademt. Ik zie hem in gedachten zitten in zijn tuin terwijl de zon ondergaat, hij een gulzige slok neemt van een goed glas cabernet sauvignon en zich terugtrekt in zichzelf. Nu en dan slaat de weemoed toe als teken van onmacht. ‘Hij is een vervangbaar, inwisselbaar onderdeel van het groter geheel, een onbetekenend en nietig wezen’. Niets is minder waar. Hij is niet onbetekendend want één van de weinigen die in het verzet ging tegen het totalitarisme en daarmee een grootse morele daad stelde. Samen met Imre Kertész zorgde hij ervoor dat het holocaustbewustzijn in Hongarije niet volledig verdween en dat het communisme van binnenuit ontmaskerd werd als een variant op het fascisme.

Het leven is een voortdurend gevecht tegen de inkrimping van je levenscirkel, aldus de auteur, en drie zinnen later heeft hij het over een ‘chronisch tijdgebrek’. Zijn favoriete bezigheid is wandelen, liefst op zijn eentje ‘in het gezelschap van zijn vroegere ik en af en toe een blik werpen op de persoon die hij ooit is geweest’. Ondanks alles wat hij heeft meegemaakt, de vernielzucht van de nazi’s, de brutaliteit van het communisme en de verwoestende effecten van het wilde kapitalisme, is Kalligaro geneigd het leven goed te noemen. Het getuigt van een bovenmenselijke mildheid want de geschiedenis was niet mild voor hem. Zo rakelt hij enkele zaken op die diep in zijn geheugen gegrift staan. Zoals de dag waarop het Rode Leger Boedapest binnentrok, de fascisten verjaagden en hij niet langer moest vrezen dat iemand hem ‘bijna voor de grap’ neerschoot omdat hij jood was. Of dat iemand die meer dan honderd man in dienst had door de communisten als kapitalist werd aangeduid en geliquideerd. Of dat de overheid een lege woning tegenover de zijne vorderde om hem via het raam in de gaten te houden en af te luisteren. En dat ook onder de communisten plots joden verdwenen die men dan nooit meer terugzag. Soms slaat zijn mildheid toch om in een vlijmscherpe aanklacht. Zoals tegenover de ‘denkers’ in Hongarije die hun huik naar de communistische wind hadden gehangen en zich na de val van de Muur ‘teleurgesteld’ hadden genoemd. Voor hen heeft hij geen medelijden. ‘Wie zich had laten beetnemen was een onbenul’, zo schrijft hij. Een onbenul, dat is het juiste woord voor al die nuttige idioten zoals vroeger Jean Paul Sartre die bloedserieus verkondigde dat de Sovjet-Unie het enige land was waarin burgers ‘volledige vrijheid van kritiek’ hebben en zoals vandaag nog die ijdeltuit van een Harry Mulisch die Cuba verheerlijkt. Konrad komt tot de stelling dat het meest gewaagde avontuur van de twintigste eeuwse intelligentsia ‘het radicale etatisme’ was, met een almachtige staat als gruwelijk instrument.

In tegenstelling tot veel van zijn vrienden wou Konrad na de bloedige onderdrukking van de Hongaarse opstand zijn land niet verlaten. Zijn levenshouding bleef echter intact, hij wilde nooit in de macht van anderen raken en dat kon alleen door niet geobsedeerd te zijn door macht en bezit. ‘Kalligaro was niet te bekeren, niet te overtuigen, niet in het gareel te krijgen, niet om te kopen, niet te hanteren, niet tot gemeenschapsmens om te vormen’. Konrad voelde geen enkele behoefte om zich een collectieve identiteit te cultiveren, zelfs niet zijn joods zijn. Bij een bezoek aan Auschwitz-Birkenau in 2004 gaat hij op zoek naar de laatste sporen die mensen er achterlieten om te getuigen dat ze ooit bestaan hadden. Met spijkers hadden ze hun initialen in stenen gegrift. Hier schudt hij het hoofd vol onbegrip. Hij staat immers op de plek waar men alle toen bestaande kennis, intelligentie, organisatie en planning gebruikte om zijn klasgenoten zo snel mogelijk om te brengen. Wat een hel moet dit voor hen geweest zijn. De auteur spiegelt dit met het sfeervolle kerstfeest dat de kinderen van kampcommandant Höss in 1944 met hun ouders vierden. Het brengt hem tot de conclusie dat ons leven niet verloopt volgens een goddelijk plan. Het is nog zacht uitgedrukt, ik vraag me af wie nog in God kan geloven als die joodse kinderen ‘voorbestemd’ waren om verbrand te worden.

Natuurlijk is die vernietiging gebeurd door mensen – min of meer gewone mensen, zoals Konrad schrijft – maar het toont aan tot wat ze in staat zijn als ze zich laten leiden ‘door de gedachte dat elk ontvangen bevel zonder vragen of twijfels dient te worden opgevolgd’. Een akelig actuele vaststelling gezien het oprukkende godsdienstfanatisme waarbij mensen zichzelf opblazen om zoveel mogelijk levens te doden. Konrad noemt zichzelf geen atheïst maar is ongenadig voor alle religies want die zijn hem niet heilig genoeg. Voor hem zijn religies ‘te aards, te egoïstisch, te materialistisch, te zeer met bezit en macht verbonden, te middelmatig, te menselijk’. Het enige voertuig van transcendentie is voor hem de wereldliteratuur en dat klopt ook. Vandaar dat we zo argwanend moeten staan tegenover iedereen die boeken wil censureren, verbieden of verbranden. In naam van een absolute waarheid en religieuze dogma’s werden ganse bibliotheken verwoest (denk aan de bibliotheek van Alexandrië), boeken verbrand, schrijvers vermoord of met de dood bedreigd. Heinrich Heine zei het vroeger reeds: ‘Waar men boeken verbrandt, verbrandt men tenslotte ook mensen.’ De overdracht van waarden gebeurt via de kunst - voor Konrad zijn kunst en moederschap de twee mooiste zaken in het leven.

De auteur moet niets hebben van provincialisme, nationalisme en romantisme, daarvoor kent hij te goed de geschiedenis van de twintigste eeuw. Zo houdt hij zich ver van het cultuurpessimisme dat wantrouwig staat tegenover de stad en de moderniteit. De stad vormt een concentratie van vrijheidsverlangen, zeker in tijden van onderdrukking en bezetting. Net in grote steden is verscheidenheid van de gemeenschap mogelijk en komt het individu het best tot zijn recht. Zo heeft hij het ook niet begrepen op rechtse bewegingen die na de ommekeer in 1989 in Hongarije de kop opstaken met voordien onbekende revolutionairen en die nu antisemitische leuzen ‘brullen’. Die overgang naar het kapitalisme maakte de auteur niet minder kritisch, integendeel. Met afschuw ziet hij hoe mensen opgejaagd leven en werken ten bate van economische groei. ‘Ze haasten zich om een rustpunt te vinden’, merkt hij cynisch op. Konrad vervulde enkele internationale functies maar een hoog ambt is aan hem niet besteed. Het enige wat hij nastreeft is dat zijn kinderen en kleinkinderen behoed blijven ‘voor de verwoestende gevolgen van de niet doordachte-gedachte’. Nu trekt hij zich graag terug in zijn eigen wereld. ‘De tijd van hevige verlangens is voor hem voorbij, hij heeft geen sensationele boodschap voor de wereld’, zegt Kalligaro, maar ook hier is György Konrad veel te bescheiden. Niet alleen zijn leven, maar vooral zijn geschriften die steevast getuigen van zijn geloof in de mens en zijn unieke en onvervreemdbare rechten maakt hem sensationeel. Wie erin slaagt om honderdduizenden lezers te boeien met dergelijke wijze levenslessen is een sensatie op zich.

György Konrad is zich scherp bewust dat de laatste getuigen van een bijzonder tijdperk verdwijnen. ‘Tot wat hij verlaat, kunnen anderen geen toegang meer geven’. Dit is inderdaad het drama van de geschiedenis en de reden waarom er nooit definitieve lessen uit getrokken worden. Vandaar ook het grote belang van zijn oeuvre en van dit boek. In het laatste deel van het boek verwijst de auteur verschillende keren naar zijn lichamelijke aftakeling en het feit dat hij ‘genoeg’ geleefd heeft. Het lijkt alsof deze literaire reus zich nog één keer opricht om te waarschuwen. Het verdriet van de hanen is alvast een indrukwekkend pleidooi voor de vrijheid en waardigheid van de mens. Een schitterend orgelpunt op een buitengewone schrijversloopbaan. Al zou het niet verwonderen dat de schrijver met de melancholische blik en de milde lach ons weer in het ootje neemt en weer aan zijn werktafel zit, afgesloten van de buitenwereld, dromend van een betere wereld en nieuwe hanenpoten neerschrijft.


Recensie door Dirk Verhofstadt

György Konrad, Het verdriet van de hanen, De Bezige Bij, 2006

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be