Niet alles van waarde is vervangbaar

boek vrijdag 20 december 2002

Dick Koelega

De relatie tussen liberalisme en ecologie is niet evident. Het liberalisme vertrekt van de menselijke vrijheid en het recht van de mens om van de natuur gebruik te maken. Toch erkennen ook liberalen dat men dit niet onbeperkt mag doen. De menselijke gemeenschap heeft immers alleen beschikking over een eindige planeet. Dit probleem werd reeds onderkend door John Locke, een van de grondleggers van het liberalisme. Volgens Locke heeft elk individu recht op een maximale invulling te geven aan het eigen leven. Hierbij mag dit individu een deel van de natuur opeisen zolang hij genoeg en van dezelfde kwaliteit overlaat voor anderen. Locke stelde deze inperking van de vrijheid reeds in 1690 op een ogenblik dat milieuschaarste amper voorkwam. Het massaal gebruik van de open ruimte, de intensieve bewerking van de grond, de overmatige bevissing van de wateren, de toenemende exploitatie van natuurlijke grondstoffen, de explosieve productie van afval en dergelijke meer hebben intussen dermate vormen aangenomen dat de mogelijkheden van de mens uiterst beperkt zijn geworden. In welke mate mag en kan de mens verder vrij beschikken over de natuur? Moeten we die vrijheid aan banden leggen, en zo ja, hoe? Zijn liberalisme en ecologisme verenigbaar of blijven het tegengestelde opvattingen?

Over deze vragen schreef de Nederlandse filosoof Dick Koelega een opmerkelijk boek onder de titel Niet alles van waarde is vervangbaar. Dit boek biedt een liberaal perspectief op het behoud van de natuur en de cultuurgoederen in een technologische samenleving. Koelega vertrekt van de vaststelling dat tal van zaken die we waardevol vinden verdwijnen. Denk aan schoon milieu, soortenrijkdom, mooie landschappen, stilte, vertrouwde gemeenschappen en traditionele levenswijzen. In tegenstelling tot heel wat ecologische doemdenkers en libertarische theoretici gelooft Koelega dat het liberalisme wel degelijk argumenten kan leveren voor een actieve rol van de overheid bij de bescherming van voornoemde waardeobjecten en dat op die manier een evenwicht kan ontstaan tussen vrijheid en milieu. Meer nog, de bescherming door de overheid van natuur en cultuurgoederen is wenselijk omdat ze van onvervangbare waarde zijn voor zinvolle autonomie. Deze zienswijze staat haaks op wat libertarische denkers stellen. Zij verwerpen de visie dat de overheid een grotere impact zou krijgen en naast een aantal algemene basisvoorwaarden ook specifieke goederen zou mogen of moeten beschermen met het oog op die autonomie. Politieke filosofen als Kymlicka, Postema, Raz en Feinberg ontwikkelen vanuit het liberalisme een argumentatie voor een grotere betrokkenheid van de overheid ter bescherming van waardeobjecten. Toch gaan ze niet het pad op van de communitaristen als Bellah, MacIntyre, Sandel en Taylor die het primaat van het individu ondergeschikt willen maken aan sociale en culturele context waarin ze leven. Noch gaan ze de weg op van een soort romantisme waarbij de mens afscheid zou moeten nemen van de moderne technologie en terugkeren tot het 'pastorale' leven van vroeger in harmonie met de natuur zoals bepleit door Borgmann. Een dergelijke terugkeer is immers niet alleen onwenselijk maar tevens onmogelijk. Het is vooral onwenselijk omdat het de verworven vrijheden van talloze mensen, vooral van vrouwen, zou afnemen. Het zou tevens leiden tot hogere kindersterftes, een lagere levensduur, schaarste en verval.

Koelega blijft de individuele vrijheid, autonomie of soevereiniteit van ieder mens centraal plaatsen. Hij verwijst hiervoor naar John Stuart Mill. "Over himself, over his own body and mind, the individual is sovereign." Een tweede voorwaarde is de mate dat iedereen in gelijke mate de beschikking krijgt dient te hebben over de basisvoorwaarden die nodig zijn om zijn of haar leven in vrijheid en overeenkomstig zijn of haar levensdoelen te leiden. De derde voorwaarde is het schadeprincipe dat de overheid het recht geeft om de vrijheid van het individu alleen dan in te perken als zij anderen dreigen te schaden. "The only purpose for which power can be rightfully exercised over any member of a civilized community, against his will, is to prevent harm to others." aldus Mill. De vierde voorwaarde is, zoals John Rawls het stelde, het rechtvaardigheidsprincipe waarbij de overheid er dient voor te zorgen dat alle burgers ongeacht hun ras, geslacht, maatschappelijke positie of levensbeschouwelijke overtuiging, in gelijke mate kunnen beschikken over goederen die zij nodig hebben voor het zelfstandig kunnen realiseren van hun persoonlijke levensdoelen. De vijfde voorwaarde is tolerantie die inhoudt dat men anderen de vrijheid gunt zich te uiten en te gedragen overeenkomstig hun persoonlijke morele en levensbeschouwelijke opvattingen, ook als men daar zelf anders over denkt. De zesde voorwaarde is het neutraliteitsprincipe waarbij de overheid ten aanzien van al haar burgers afzijdig en onpartijdig dient te zijn waar het hun keuze voor en realisering van hun persoonlijke levensdoelen betreft. Ten slotte is er het principe van het non-paternalisme, waardoor de overheid niet bevoogdend mag optreden ten opzichte van burgers en dat zij hen niet mag weerhouden uit vrije wil handelingen te plegen waarvan zij, ook al is het op redelijke gronden, meent dat die op de een of andere manier schadelijk zijn voor hen. "He (any member of a civilized society) cannot rightfully be compelled to do or forbear because it will be better for him to do so, because it will make him happier, because, in the opinions of others, to do so would be wise or even right."

De uitbreiding van de overheidmacht om specifieke goederen te beschermen is een stokpaardje van de liberale filosoof Kymlicka. Hij is van mening dat het lidmaatschap van een gemeenschap met een specifieke culturele identiteit voor mensen belangrijker is dan Rawls en andere liberalen erkennen. Merk op dat Kymlicka afkomstig is uit Franstalig Canada. Liberalen zouden dan ook begaan moeten zijn met het grote belang van culturele gemeenschappen voor mensen. "Niet omdat dergelijke gemeenschappen een eigen morele status zouden hebben, zoals communitaristen menen, maar omdat mensen de variŽteit aan levensopties die hen ter beschikking staan alleen goed en levendig in beeld kunnen krijgen als ze zichzelf in een rijke en stabiele culturele structuur bevinden." Het lidmaatschap van een culturele gemeenschap behoort daarom, in tegenstelling tot wat Rawls meent, eveneens tot de primaire goederen. Naar mijn oordeel klinkt dit niet overtuigend en zelfs eerder conservatief. Kymlicka bestrijdt dit met het argument dat hij er niet op uit is culturele gemeenschappen voor sowieso welke vorm van verandering dan ook te behoeden. Samengevat is het volgens hem in het belang van een zinvolle invulling van autonomie en het daarmee verbonden zelfrespect van mensen dat hun specifieke culturele gemeenschap beschermd wordt tegen onrechtvaardige aantasting van buitenaf. Deze gedachtengang kan theoretisch klinken maar heeft bij toepassing enorme gevolgen. Het betekent dat culturele minderheden die er een traditionele of specifieke levenswijze op na houden overheidsbescherming genieten voor zover die bescherming een onmisbare basisvoorwaarde is voor zinvolle autonomie.

Tot een enigzins zelfde standpunt komt de politieke filosoof Joel Feinberg. In een liberale samenleving bestaat naar zijn oordeel overeenstemming dat de overheid met strafrechtelijke middelen mag optreden tegen personen of organisaties die schade toebrengen aan andere personen of aan belangrijke politieke instituten en praktijken, of het risico daartoe vergroten. "Milieuvervuiling is te beschouwen als een vorm van schade omdat het bedreigend is voor vitale welzijnsbelangen van mensen, zoals schoon drinkwater, schone lucht, schoon voedsel. Handelingen die het milieu vervuilen moeten dan ook op grond daarvan in principe strafwettelijk verboden worden en vervuilers bestraft. Datzelfde geldt voor handelingen die de bestaande soortenrijkdom aantasten. Daarbij gaat het om vitale welzijnsbelangen van mensen." De reden om soorten te beschermen ligt volgens Feinberg alleen in het feit dat door het uitsterven van soorten mogelijk of toekomstige menselijke belangen geschaad worden. Ook deze visie heeft verstrekkende gevolgen en betekent dat het moeilijker of onmogelijk zou worden om 'groene zones' vol te bouwen wegens vitaal voor de welzijnsbelangen van de (toekomstige) mens.

Een ander standpunt komt van de liberale auteur Raz en zijn 'perfectionistische theorie'. Raz is van mening dat het tot de taak van een liberale overheid behoort het ideaal van persoonlijke autonomie te helpen bevorderen. Hij erkent dat een overheid een negatieve invloed op de vrijheid van individuele personen kan hebben, maar hij legt vooral de nadruk op het feit dat diezelfde overheid ook een mogelijke bron van grotere en meer waardevolle vrijheid kan zijn. Vandaar de overheid zich naar zijn mening niet in de eerste plaats moet onthouden van inmenging in menselijke activiteiten, zoals de meeste hedendaagse liberalen bepleiten, maar de plicht heeft de vrijheid en de kwaliteit van leven van mensen actief te helpen bevorderen. Het gaat hier zowel om voorzien van ongerepte natuurlandschappen maar tevens om de bevordering van cultuurgoederen. "There should be a generous policy of public support for autonomous cultural institutions, such as communal charities, voluntary organizations, libraries, museums, theatre, dance, musical or other artistic groups."

Koelega zegt in zijn besluit dat hij een bijdrage poogt te leveren aan de realisering en het behoud van het hoogste gemeenschappelijke doel in een liberale, hoog-technologische samenleving. Dat doel is dat alle mensen in gelijke mate in staat zijn tot zelfontplooiing, via onderwijs, arbeid, opvoeding, consumptie, cultuur of ontspanning, en dat de overheid hen daartoe voorziet van zowel de daarvoor benodigde primaire goederen, als een rijke variatie aan ingrediŽnten voor zinvolle invullingen van hun autonomie, waaronder in voorkomende gevallen en onder bepaalde voorwaarden ook unieke waardeobjecten die daarbij voor sommigen onmisbaar en onvervangbaar zijn.

Dit boek is interessant voor de discussie over de macht van de overheid met betrekking tot waardevolle goederen. Toch moeten we als liberalen alles wantrouwen wat de vrijheid afremt. Overheidsmacht heeft in socialistische en communistische 'paradijzen' immers niet geleid tot een beter milieu, integendeel.


A. Borgmann, Technology and the Character of Contemporary Life. A Philosofhical Inquiry, Chicago, 1984.

John Stuart Mill, On Liberty, G. Himmelfarb, 1974.

John Rawls, A Theory of Justice, Oxford, 1971.

John Stuart Mill, ibid.

W. Kymlicka, Liberalism, Community and Culture, Oxford, 1989.

Joel Feinberg, The Moral Limits of the Criminal Law, Oxford, 1984.

J. Raz, The Morality of Freedom, Oxford, 1986.

J. Raz, Multiculturalism : A Liberal Perspective, New York, 1994.

Dick Koelega, Niet alles van waarde is vervangbaar, Kok, 2000

Links
Recensie: Dirk Verhofstadt (verhofstadt.dirk@pandora.be)
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be