De geschiedenis van het denken

boek

André Klukhuhn

Wie een boek schrijft onder de titel De geschiedenis van het denken weet op voorhand dat hij risico’s neemt. Het risico ofwel onvolledig te zijn en aldus belangrijke aspecten van invloedrijke schrijvers, filosofen en wetenschappers onderbelicht te laten, ofwel eenzijdig te zijn en in het verlengde van persoonlijke interesses en voorkeuren selectief om te gaan met het enorme aanbod aan figuren die vanuit hun denken onze wereld mee gestalte hebben gegeven. De Nederlandse filosoof en scheikundige André Klukhuhn poogt beide risico’s te omzeilen door zich te concentreren op een reeks figuren die meer dan anderen vorm hebben gegeven aan ons hedendaags denken.

Dat lukt hem wonderwel. In de eerste delen van zijn 652 bladzijden tellende boek neemt de auteur ons mee op de ‘golfbeweging van de tijd’ met op het eerste zicht bizarre en los van elkaar staande uitstapjes over het ‘tragikomische bestaan’, ‘het niet kenbare’ en ‘het laboratorium van de moraal’. Maar langzamerhand slaagt Klukhuhn erin de lezer mee te slepen in een duizelingwekkend, boeiend en coherent verhaal waarin hij voortdurend in- en uitzoomt op de talloze invloeden van het denken op het menselijk gedrag. Hierbij legt hij verrassende dwarsverbanden tussen diverse filosofische, wetenschappelijke en maatschappelijke disciplines en dit binnen een historisch en evolutief kader. Het resultaat is verbluffend. De mens is ondanks alle ‘vooruitgang’ niet beter geworden, maar kan, puttend uit de enorme geestelijke rijkdom die in de loop van de eeuwen via de filosofie, wetenschap, kunst en cultuur werd geproduceerd en overgeleverd, wél beter zijn indien hij dat zelf wil.

Klukhuhn beschrijft de historische evolutie van het denken vanaf Homerus’ Ilias en Odyssee, de ‘eerste literaire meesterwerken die tot doel hadden de mens te stichten’, tot de wetenschappelijke inzichten van de Amerikaanse astronoom Edwin Hubble over de uitdijing van het heelal. Daartussen zaten alle paradigma’s, axioma’s, waarheden en dogma’s, later de onderzoekingen, ervaringen, de twijfel, de rede, het vooruitgangsgeloof, het modernisme, het logisch positivisme, het kritisch rationalisme, en tenslotte het postmodernisme. In navolging van de Amerikaanse cultuurfilosoof Stephen Toulmin situeert Klukhuhn de breuk tussen het dogmatisme en de moderniteit in 1610 toen de tolerante en diplomatische Franse koning Hendrik IV door een godsdienstfanaat werd vermoord waarna de Dertigjarige Oorlog uitbrak. Een gruwelijke strijd waarbij ondermeer één derde van de bevolking in de Duitse gebieden werd uitgemoord omdat ze er een andere godsdienstige mening op nahielden. In feite een vervolg op de waanzinnige 16de eeuw met de moorden op de protestanten in het Engeland van Mary Tudor, de Bloedraad in de Zuidelijke Nederlanden van Alva en de Bartholomeüsnacht in Parijs waarbij talloze hugenoten werden afgeslacht. Ook nadien zorgde religieus fanatisme en dogmatisme voor talloze moorden in naam van God. Denk maar aan de 20ste eeuwse moorden op Ghandi, Sadat en Rabin, telkens door fanatiekelingen uit de eigen gemeenschap. De keuze voor 1610 is dus discutabel maar toch verdedigbaar want in datzelfde jaar verscheen ook Galilei’s boek Siderius Nuncius waarin zijn ontdekking van de manen van Jupiter staat beschreven waarmee het geocentrisch wereldbeeld en daarmee de kerkelijke dogma’s onder druk van de menselijke rede onderuit werden gehaald.

In diezelfde periode leefde ook René Descartes die gezien wordt als de vader van de moderne wijsbegeerte. Overeenkomstig zijn uitspraak ‘ik denk dus ik ben’ wilde hij zich niet langer baseren op zogenaamde sacrale teksten, overgeleverde leerstellingen en dogma's. Hij wilde de waarheid achterhalen via eigen onderzoek en de rede was daarbij zijn belangrijkste instrument. Hiermee weeft de auteur een nieuwe rode draad doorheen zijn boek, namelijk de moeilijke relatie tussen het menselijk handelen en de moraliteit. In essentie gaat het over de waarde van de moderniteit en het vooruitgangsgeloof. Tal van filosofen geloofden in de verbeterbaarheid van mens en samenleving waarin de wetenschap een cruciale rol speelde. Niet alleen politici en filosofen waren het sciëntisme genegen maar ook en vooral antropologen, psychiaters, criminologen, juristen, medici, chemici, natuurwetenschappers en biologen. De wetenschap werd daarbij gelijkgeschakeld met de waarheid en leidde tot vreselijke aberraties. Denk aan de ontsporingen door de rassentheorieën, de frenologie, de taxonomie en de eugenetica. De felste kritiek op de vooruitgang kwam na de twee wereldoorlogen vanuit de hoek van de postmodernisten. Zij beschouwden de Holocaust en de atoombommen als de ultieme voorbeelden van het failliet van de moderniteit. Deze zienswijze komt in alle scherpte naar voor in het door de auteur onbesproken boek De moderniteit en de holocaust van Zygmunt Bauman.

Wel wordt verwezen naar de grote invloed van Karl Popper die ingaat tegen deze stelling. ‘Wetenschappelijke kennis bevat niet de waarheid over de objectieve werkelijkheid’, aldus Popper. Hiermee gaf hij aan dat wetenschap mensenwerk is en derhalve vatbaar voor alles waar de mens ten goede of ten kwade voor staat. Juist omdat wetenschap mensenwerk is mag men de door de wetenschap mee vorm gegeven gruwel van Auschwitz en Hiroshima niet afdoen als de onvermijdelijke mislukking die men de moderniteit wil toedichten. Die mislukkingen zijn immers het resultaat van mensen. De moderniteit is immers niet alleen een materiële, technologische of politieke ontwikkeling, maar in hoofdzaak een morele. Klukhuhn stelt het zo niet voor, maar wie de aanmatigende houding van zowel sciëntisten, relgieuze dogmatici, existentialisten als postmodernisten wat nader bestudeert, beseft dat Popper binnen de geschiedenis van het denken een scharnierpunt betekent (Klukhuhn heeft het vaker over Nietzsche als inspiratiebron in het filosofische oerwoud maar geeft zelf toe dat coherentie niet diens sterkste punt was). Popper verwierp de gedachte van de absolute waarheden. Een waarneming vormt hooguit de basis voor een hypothese. Vandaar dat men steeds kritisch moet staan tegenover elke uitspraak, elke stelling, elke theorie. Steeds opnieuw moeten daarbij ook de uitgangspunten onderworpen worden aan de meest onbarmhartige kritiek. Daarmee zette hij zich af tegen de positivistische gedachte dat ‘er alleen feiten zijn’. Voor hem bestaan er geen feiten, alleen interpretaties. Popper gaf op die manier ook een antwoord op het moreel statuut van de wetenschap. ‘Wetenschappelijke kennis is neutraal en kan dus geen oordelen over goed en kwaad inhouden, noch morele of ethische aspecten bevatten’. Daarmee, zo stelt Klukhuhn, spoort Popper verder met het verlichtingsdenken: de bevrijding en vooruitgang van de mens door uitsluitend de rede.

Klukhuhn stelt vast dat heel wat wetenschappelijke kennis tot stand is gekomen door toevallige ontdekkingen. Dat was het geval bij Max Plancks ontdekking van de kwantumtheorie, de uitvinding van de penicilline door Alexander Fleming en de waarneming van de zwakke radioruis als een soort echo van de allereerste oerknal door Arno Penzias. Dat neemt niet weg dat de meeste wetenschappers goed wisten waar ze mee bezig waren. De auteur verwijst naar Albert Einstein die in een brief aan Roosevelt de aanmaak van de atoombom verdedigde maar daar later spijt over had. En naar de andere Los Alomos-fysici die al hun kennis en talent hebben ingezet voor de aanmaak van het meest gruwelijke wapen in de geschiedenis. Zijn ze moreel verantwoordelijk? Klukhuhn stelt dat we de geschiedenis niet kunnen terugdraaien en dat we alleen kunnen hopen dat ondermeer de biochemici en moleculaire biologen lessen zullen geleerd hebben ‘van de dramatische geschiedenis die de fysici al voor hen hadden geschreven’. De auteur stelt hiermee dus impliciet dat alles afhangt van het menselijk gedrag, van de mens die moreel goed of slecht handelt. Om deze stelling kracht bij te zetten had de auteur hier kunnen verwijzen naar een andere fysicus die was aangezocht om mee te werken aan het Manhattanproject. Max Born was een joodse hoogleraar aan de faculteit natuurkunde in Göttingen. Hij was onderlegd in de thermodynamica, was nauw betrokken geweest bij de kwantumtheorie en verrichtte onderzoek naar atoomdeeltjes. Hij kwam terecht in Cambridge en later in Edinburgh. In 1954 ontving hij de Nobelprijs voor natuurkunde. Hij was geen pacifist en noemde het nazi-regime het grootste kwaad dat de mensheid ooit had getroffen, maar iets hield hem tegen om buitensporig geweld te gebruiken. “Als enige wetenschapper wilde hij niets te maken hebben met de ontwikkeling van de atoombom. Vanaf het eerste moment vond hij het een verderfelijk project. Hij had zelfs vanaf het begin van de oorlog bezwaren tegen de geallieerde luchtaanvallen met conventionele bommen (...) Na de oorlog was hij op grond van zijn overtuiging actief in de anti-kernwapen-beweging van natuurkundigen en anderen”, aldus Jean Medawar en David Pyke in hun boek Hitlers geschenk. En zo zijn er nog wetenschappers, filosofen, medici, schrijvers, dichters, diplomaten, industriëlen en anderen te melden die op grond van hun geweten standpunten innamen waarmee ze in aanvaring kwamen met de machthebbers en het vaak met hun leven bekochten.

Het voorbeeld van Born houdt het vooruitgangsgeloof intact. En net als de Russisch Belgische chemicus Ilya Prigogine kunnen we stellen dat ‘het begrijpen van de wereld door middel van de wetenschap pas aan het begin staat’. Maar het is goed dat mensen als Klukhuhn wijzen op het gevaar dat een verkeerd gebruik van de wetenschap kan meebrengen. In het deel over De universiteit en de markt: dan liever de gifbeker (waarin hij plots uit zijn rol van observator stapt en zelf duidelijk standpunt inneemt) keert hij zich tegen de toenemende tendens om de wetenschap ten dienste te stellen van de samenleving. “Onze fysische kennis is vertaald in een hightech oorlogsmachine, onze medische kennis in een farmaceutische miljardenindustrie en waar onze genetische kennis binnenkort in vertaald gaat worden dat weet nog niemand, maar er staan wel menselijke klonen in het verschiet.” De verstrengeling van de wetenschap met de markt is ook gevaarlijk voor de wetenschap op zich omdat de universiteit op die manier beroofd wordt van haar kritische functie die, zoals Popper stelde, de kern van de wetenschap uitmaakt. En nu staat de bio-industrie te drummen om voor God te spelen. Door de toenemende kennis van het DNA en genetische manipulatie zullen we immers in staat zijn om via technische middelen in te grijpen in de kern van het leven zelf. Een beangstigende gedachte waar ook Nietzsche mee flirtte en die door de nazi’s via een programma van inteelt zelfs embryonaal in de praktijk werd gebracht.

De honderden citaten waarmee Klukhuhn zijn boek lardeert, demonstreren niet alleen zijn grote eruditie maar tonen ook aan hoe tijdloos het denken over goed en kwaad is. Sommige inzichten en uitvindingen gebeurden reeds door de Oude Grieken. Zo verwijst hij naar Hero van Alexandrië en Archimedes. Ook in andere culturen stond men op het vlak van filosofie, wetenschap en techniek verder dan men in het Westen ooit vermoedde. Maar zij hebben die middelen niet toegepast ‘omdat ze beseften dat de mens er niet zou voor terugdeinzen om de natuurlijke harmonie en zichzelf geweld aan te doen als hij over die middelen kon beschikken’. Met de metingen van Hubble dat ons heelal steeds verder uitdijt - waarmee de auteur zijn schitterende boek eindigt - zijn we dus niet gekomen aan het einde van het menselijk denken. De geschiedenis van het denken, is zoals Klukhuhn terecht opmerkt, een eindeloos proces van grenzen verleggen. Het verleggen van grenzen heeft de mens al heel wat moois opgeleverd maar ook heel wat onheil. Voor al wie zich geroepen voelt die grenzen mee te verleggen is dit boek dan ook verplichte lectuur.


Recensie door Dirk Verhofstadt (verhofstadt.dirk@pandora.be)


André Klukhuhn, De geschiedenis van het denken, 2003, Bert Bakker, 652 blz.

Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be