Russell Kirk, American Conservative

boek

Bradley J. Birzer

Begin jaren vijftig vond in de Verenigde Staten een opmerkelijke opleving plaats van het conservatisme. Liberalen, anders dan in Europa traditioneel de tegenhangers van de conservatieven, werden voor het eerst sinds lange tijd weer van een stevige repliek bediend, zo stevig zelfs dat historicus Arthur Schlesinger, één van de vooraanstaande Amerikaanse liberalen, opmerkte dat “liberalisme tegenwoordig in populaire literaire en politieke kringen [wordt] afgedaan als naïef, ritualistisch, sentimenteel en oppervlakkig”. Er verschenen talloze boeken en essays met conservatieve ondertoon of zelfs met een eenduidige conservatieve boodschap.

Robert Nisbet schreef zijn The Quest for Community over de rol en neergang van wat Tocqueville al eens “intermediary associations” – kerk, familie, buurt etc. – noemde tussen individu en staat. Leo Strauss publiceerde Natural Right and History en T.S. Eliot The Confidential Clerk. Francis Graham Wilson kwam met The Case for Conservatism (1951) Christopher Dawson had, ondanks dat hij geen Amerikaan was, grote invloed met zijn artikel Christianity and the Humanist Tradition. William Buckley Jr. schreef God and Man at Yale, en meer beschouwende studies zagen het licht, onder meer Conservatism Revisited (1949) van Peter Viereck (de eerste van de “nieuwe conservatieven”) en Conservatism: from John Adams to Churchill (1956) en Clinton Rossiter's Conservatism in America (1955).

Maar verreweg de meest impact had Russell Kirk’s The Conservative mind: from Burke tot Eliot uit 1953. Kirk’s boek groeide uit tot zoiets als een conservatief handboek. Time magazine voelde zich geroepen het boek te publiceren en beweerde zelfs dat “de gehele verdeelde wereld van 1953 – de communistische [...], de socialistische [...], de liberale [...], de reactionaire wereld” het over één ding eens zijn: “de Verenigde Staten zijn een citadel van conservatisme te midden van een tumult van innovatie.” Meer dan anderen had Kirk’s The Conservative Mind iets losgemaakt, een sluimerend sentiment losgewoeld en in helder daglicht geplaatst.

Ruim zestig jaar na het verschijnen van de eerste editie van The Conservative Mind, heeft Bradley J. Birzer, één van de oprichters van het The Imaginative Conservative en Russell Amos Kirk Chair in History aan het Amerikaanse Hillsdale College, een intellectuele biografie van Kirk geschreven. Birzer verklaart het succes van The Conservative Mind studie in zijn inleiding door te wijzen op de samenhang die Kirk had aangebracht in een tot op dat moment tamelijk los geheel van conservatieve ideeën. Van Burke tot Eliot loopt inderdaad een lijn, beweerde Kirk, al is het niet een heel makkelijk te ontwaren lijn, en kent hij vele kronkelingen. Met de bundelding van al die stemmen van conservatieve denkers in The Conservative Mind ontstond er voor het eerst zoiets als, of in ieder geval de suggestie van, een toegankelijke conservatief gedachtegoed.

Birzer heeft een erudiete intellectuele biografie geschreven. De facetten van Kirk’s gedachtegoed – ook in enkele andere studies neergelegd, waaronder een dikke biografie van zijn grote voorbeeld Edmund Burke – worden afgestoft en met een bewonderenswaardige helderheid aan de lezer voorgeschoteld. Er komt een beeld naar voren van een man die nergens meer steun vond dan in het christelijk geloof, die leefde voor zijn werk, en enorm belezen was. Typerend in deze was zijn besluit om The Conservative Mind te schrijven nadat zijn vriendin Rosy hem verlaten had. Op de vraag “wat kan ik nog zoeken in het leven nu Rosy weg is?” volgde het antwoord, klaarblijkelijk zonder enige zelfspot: “een herwaardering van conservatieve principes.” Vervolgens begon Kirk in St. Andrews, waar hij woonde en lange tijd studeerde, aan zijn magnum opus, een studie waarmee de “verlegen jongen uit Michigan” op vijfendertigjarige leeftijd de aanvoerder van een politieke beweging zou worden. Je vraagt je af hoe Kirk’s leven zou zijn verlopen als Rosy was gebleven.

Van de bijna zeshonderd pagina’s van Birzer’s studie is er niet één te veel. Het boek is bovendien méér dan alleen een beschrijving van Kirk’s gedachtegoed: het is in veel opzichten een beschrijving van naoorlogs Amerikaans conservatisme in algemene zin. Het siert Birzer dat hij Kirk’s tegenhangers en critici veelvuldig aan het woord laat, bijvoorbeeld Samuel Beer die hem een “frightened liberal” noemde, geen conservatief, en iemand die leefde “in superior isolation to his fellows”. Kirk’s gedachtegoed komt er desalniettemin scherper door naar voren. Birzer heeft het weliswaar met regelmaat over “the most effective critics of progressivism” en de “critics of the New Deal”, en hij haalt veelvuldig jubelende citaten aan van Kirk’s collega’s over diens werk. Zijn conclusies lijken soms wat gemakkelijk, maar over het algemeen toont Birzer zich gevoelig voor kritiek, en al bevat het boek meer lovende dan afkeurende woorden over Kirk, het zorg niet voor een storende bisbalans. Bovendien: wie het denken van een ander wil beschrijven, doet dat vaker uit bewondering dan afkeer.

Dat Birzer’s biografie in wezen een erudiete verkenning van het moderne conservatieve denken is, werpt voor de lezer ook veelvuldig de vraag op wat conservatisme dan is. Zeker daar sommigen critici – waarvan John Crowe Ransom het meest uigesproken – in Kirk eerder een religieus humanist zagen. Kirk verzette zich daar niet geheel tegen. Hij had in 1953 plannen om een boek te schrijven met de titel “The Age of Humanism” of “The Humane Tradition”. Hij schreef in een introductie bij de door hem opgestelde The Essential Paul Elmer More dat de oude humanistische levenshouding voor “harmony to a man’s soul” zorgt en hem “right reason, dignity, and honor” bijbrengt. De historische verbanden tussen de oude humanisten en de zich conservatief noemende denkers zijn ook aanwijsbaar. Beiden hebben een pedagogisch, ietwat stichtelijk karakter, erkennen het bestaan van een menselijke natuur, en koesteren bovenal een wereldbeeld, geen ideologie. Bovendien staan beiden sceptisch tegenover veelomvattende politieke programma’s.

Wat is conservatisme dan? Kirk heeft – anders dan de meeste conservatieven – heldere criteria, zes om precies te zijn, om zijn Conservative Idea mee te stutten. Conservatieven geloven om te beginnen in een transcendente orde, koesteren variëteit en mysterie in het menselijk bestaan en verzetten zich tegen wat de dichter Robert Graves eens treffend “logicalism” noemde. Ze benadrukken ten vierde dat orde en klasse noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van een beschaving, stellen dat vrijheid en bezit met elkaar verweven zijn, dat voorschriften en normen in een samenleving onontbeerlijk zijn, en dat het erkennen van de realiteit van verandering niet betekent dat hervorming altijd nodig is. Daartegenover staan de ‘radicalen’, die Kirk wat gemakzuchtig op één hoop gooit: zij die geloven in de vervolmaking van de mens, een afkeer hebben van traditie, en zich richtten op het realiseren van gelijkheid, zowel politiek als economisch.

Wie Kirk’s criteria als uitgangspunt neemt, kan moeilijk anders dan stellen dat conservatisme onlosmakelijk verbonden is met haar eigen tegenhanger. Anders dan het humanisme – een in de negentiende eeuw door Michelet gemunte term, daarvoor nooit een zelfstandig ‘isme’ – wortelt zich in het conservatisme een sentiment van verzet. Dat Kirk bij Edmund Burke begint is ook niet verwonderlijk. Sommige historici beweren dat er ook een veel oudere, natuurrechtelijke conservatieve traditie bestaat. Die bewering is niet zonder basis, maar een goede historicus kan niet om de historische periode heen, die het conservatisme van een context voorziet, dat wil zeggen de ‘tragic rupture’ van 1789, toen men meer en meer ging denken in termen van oppositie en, min of meer als gevolg, van ‘ismen’.

Ralph Waldo Emerson hield op 9 december 1841 eens een lezing in Boston met de titel The Conservative, waarin hij zijn publiek voorhield dat ‘Conservatism’ en ‘Innovation’, net zo bejaard zijn als de wereld, als mannen en vrouwen, een soort oude oorlogsveteranen, even oud als onze beschaving . “It is the opposition of Past and Future”, hield Emerson zijn publiek voor, “of Memory and Hope, of Understanding and Reason”. It is the primal antagonism, the appearance in trifles of the two poles of nature”. Emerson omschrijving van ‘conservatism’ is die van een dichter, niet van een historicus, maar de gedachte dat het conservatieve denken noodzakelijkerwijs een oppositie, een tegenhanger, behelst, is daarmee niet minder aannemelijk. Wie Kirk’s The Conservative Mind leest, en Birzer’s opmerkingen erover – die het boek vanzelfsprekend veel aandacht geeft – ziet dat bevestigd.

Kirk noemt bij al zijn criteria van het conservatieve denken ook hun tegengestelden: tegenover het geloof in een transcendente, objectieve orde staat “a narrow rationality”; tegenover de variëteit en het mysterie in het menselijke bestaan staan “utilitarianism” en “narrowing uniformity”; tegenover orde en klasse staan gelijkheid en de (de fictie van) een klasseloze maatschappij; tegenover vrijheid en eigendomsrecht staat de staat als “leviathan [who] becomes master of all”; tegenover traditie en gewoonte staan Burke’s “sophisters, calculators, and economists”, voor wie een samenleving als een grote ‘verzekeringsmaatschappij’ is; tegenover de sceptische houding ten opzichte van politieke actie en radicale hervormingen, of “hasty innovation”.

In de politiek is het conservatisme altijd sterk gekenmerkt door dat laatste aspect, het verzet, de scepsis ten opzichte van actie en programma’s. Russell Kirk was één van de weinige conservatieven die zich genoodzaakt zag ook een handelend gevolg te geven aan zijn denkwerk. In de aanloop naar de presidentsverkiezingen van 1964 stond hij de kandidaat voor de Republikeinen Barry Goldwater bij als vertegenwoordiger, adviseur en speechschrijver. Dat kwam hem niet op alleen maar lof te staan. Met name in conservatieve kringen, in eigen kring, stond men afkerig tegenover de politieke praktijk. Politiek handelen, of het mobiliseren van mensen om een gemeenschappelijke doel te realiseren, is zelden een prioriteit van conservatieven geweest. Met enige overdrijving zou gezegd kunnen worden dat wat Chateaubriand begin negentiende in de eerste editie van Le Conservateur schreef over “hommes de la révolution” die van nature energiek en assertief zijn, als tegenovergesteld aan wat in die periode hun tegenhangers waren, de royalisten, “hommes tranquilles”, nog steeds geldt.

Kirk besloot in 1958 om – toen nog senator – Goldwater bij te staan. Met name Peter Viereck, laat Birzer zien, was kritisch. Hij beweerde zelfs dat Kirk de conservatieve beweging had “uitverkocht” en het “mondstuk van de senator”, een soort “hoffilosoof” was geworden. The Conservative Mind is briljant, schreef Viereck, maar senator Goldwater is niet de filosoof-koning die Kirk graag van hem wil maken. Voor Goldwater was The Conservative Mind “a call to arms” én een intellectueel fundament dat van conservatisme een respectabele politieke stroming maakte. Voor de meer bedachtzame onder de conservatieven was het eigenlijk alleen dat laatste.

Lyndon B. Johnson won de presidentsverkiezingen van Goldwater in ‘64 met een overweldigende meerderheid. Dat kwam ten dele door zijn soepele campagne, met onder andere de bekende “daisy ad” gericht tegen de atoombom (“in your heart, you know he’s right”), ten dele omdat Goldwater zich met weinig gevoel voor de tijd – en gebrekkige bewogenheid bij de tot droefenis stemmende raciale segregatie in de Verenigde Staten - tegen de civil rights act keerde, en ten dele, zoals Kirk zelf stelde, door de kloof in persoonlijkheid en charisma tussen de twee kandidaten. Dat Goldwater intellectuele rugdekking had, deed daar niets aan af.

Misschien dat de Goldwater-Kirk samenwerking in zekere zin karakteristiek is voor de politieke ambities van het conservatisme: het is in staat tot culturele en intellectuele kritiek, doorwrochte kritiek zelfs, op de tekortkomingen en oppervlakkigheden van progressieve stromingen, maar het is nauwelijks een op zichzelf staande politieke stroming, in ieder geval niet in democratische samenlevingen waarvan een centraal kenmerk is – zo profetisch, zij het impliciet, gesteld door Tocqueville in diens Over de Democratie in Amerika – dat de mensen behoefte hebben aan een zeker toekomststreven. Conservatieven hebben, als ze niet voldoende bewust zijn van hun beperkingen (en mogelijkheden) bovendien zo nu en dan de neiging om zich sluipenderwijs een nostalgische of zelfs reactionaire houding aan te meten, waarin ideeën tot irritaties verworden.

Wie Kirk’s The Conservative Mind leest, ziet daar met regelmaat de sporen van. Dat alles doet niets af aan Kirk’s grote intellectuele invloed. Met recht kan gezegd worden dat er zonder hem waarschijnlijke geen coherent en oprecht conservatief gedachtegoed zou geweest in het Amerika van na de oorlog. Zijn erfenis werd in 1998, vier jaar na zijn overlijden, door The New York Times terecht samengevat als de man “[who] gave American conservatives an identity and a genealogy and catalyzed the postwar movement”. Met het neoconservatisme, het ongewenste kind van de conservatieve heropleving van de jaren vijftig, raakte hij snel gedesillusioneerd (“[it’s] often clever, never wise”), en het verleidde hem bovendien niet tot een nieuw politiek avontuur. In plaats daarvan richtte hij zich de rest van zijn leven op het schrijven en denken, daar waar hij het beste tot z’n recht kwam.


Recensie door Daniël Boomsma

Bradley J. Birzer, Russell Kirk, American Conservative, University Press of Kentucky, 2015

Links
mailto:Daniel_Boomsma@hotmail.com
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be