Het noodlot van een ketter

boek

Bart Leeuwenburgh

De zeventiende eeuw was voor Nederland niet alleen de Gouden Eeuw. Ze was eveneens een woelige eeuw. In die onrustige tijden werden de kiemen voor de radicale Verlichting in Europa gelegd. Hierover brengt Bart Leeuwenburgh een excellent verhaal in Het noodlot van een ketter. Tevens brengt hij een onbekende dwarse denker, Adriaan Koerbagh, voor het voetlicht. Nederland kende toen een tijdperk van grote bloei. De handel en de kunsten beleefden een hoogconjunctuur. Tevens trok Nederland door een relatieve tolerantie tal van intellectuelen aan. Zo woonde en werkte René Descartes van 1629 tot 1648 in de Republiek der Verenigde Provinciën. Toch mag niet worden vergeten dat de zeventiende eeuw ook een turbulente periode was. Op tijd en stond braken er onlusten uit. Vooraanstaande politici werden geëxecuteerd of vermoord.

Bovendien voerden remonstranten en contraremonstranten hevige polemische debatten. Remonstranten en contraremonstranten wilden beiden dat de eenheid van de jonge staat zou worden versterkt, maar ze verschilden grondig van mening over de vraag welke hiervoor de beste methode was. De remonstranten waren van oordeel dat de overheid de godsdienst stevig onder controle moest houden om te vermijden dat het land verdeeld zou geraken als gevolg van sterk oplopende religieuze spanningen. Ze waren eveneens voorstander van een meer individuele geloofsopvatting: individuen mochten er tot op zekere hoogte eigen religieuze meningen op nahouden. Vooral bij de regenten, de rijkere koopmansfamilies die ook het bestuur van de steden in handen hadden, vonden de remonstranten veel aanhangers.

De contraremonstranten van hun kant meenden dat het voor de eenheid van Nederland noodzakelijk was dat er maar één officiële godsdienst was. Het was de taak van de overheid om alle onderdanen tot die staatskerk te laten behoren en om desnoods deviante stellingen in de kiem te smoren. De contraremonstranten hingen eveneens de predestinatieleer van Calvijn aan: het leven van een mens is voorbestemd; ieder mens wordt met een bepaald doel geboren en de mens heeft geen vrije wil om hiervan af te wijken. De contraremonstranten stonden sterk bij het gewone volk. Ook de stadhouders van het huis van Oranje waren de contraremonstrantse zaak toegedaan, omdat ze er een middel in zagen om tot een vorstelijk absolutisme in Nederland te komen.

Nu eens hadden de contraremonstranten de overhand. Dat was bijvoorbeeld het geval na de Synode van Dordrecht in 1619 die de remonstrantse visie scherp veroordeelde. Toen werden vele remonstrantse predikanten afgezet, waarna die zich verplicht zagen om in ballingschap te gaan. Dan weer konden de remonstranten zich meer ontplooien. Dat was bijvoorbeeld zo tijdens het Eerste Stadhouderloze Tijdperk tussen 1650 en 1672, toen de gebroeders de Witt de politieke macht in handen hadden. In die periode konden mensen die het niet eens waren met de strenge dogmatische leer van de contraremonstranten zich meer uiten. Zo kregen de collegianten meer vrij spel. Tijdens ‘colleges’ discussieerden ze vrij over theologische en filosofische onderwerpen.

Die discussies vonden plaats in de volkstaal, omdat het hun ideaal was om van de gewone burger een beter mens te maken. Bovendien beschouwden ze de rede als een sieraad van God, een middel waarmee mensen intrinsiek konden worden gemotiveerd om zich moreel te ontwikkelen. Het centrum van de beweging van de collegianten was gelegen in Rijnsburg, zodat een ‘Rijnsburger’ in de volksmond al snel een synoniem was voor een collegiant. Spinoza heeft overigens enkele jaren in datzelfde Rijnsburg gewoond. In de collegiantenkringen maakten Adriaan Koerbagh en diens jongere broer, Johannes Koerbagh, gaandeweg opgang.

Adriaan Koerbagh werd in 1633 in Amsterdam geboren, in een bemiddeld gezin. In 1653 ging hij rechten en medicijnen studeren aan de pas opgerichte universiteit van Utrecht. Zijn broer Johannes, die twee jaar jonger was, volgde aan dezelfde universiteit de theologische richting die toen in Nederland als de meest prestigieuze universitaire studie werd gezien. Al vrij vlug na de oprichting van de universiteit van Utrecht in 1636 werden de opvattingen van René Descartes daar grondig bestudeerd, totdat in 1643 de wereldlijke overheid er een stokje voor stak onder druk van de contraremonstranten. Het feit dat een bepaalde opvatting in de ban werd geslagen, betekende evenwel in het geheel niet het einde ervan. Integendeel, zo kon in de tweede helft van de zeventiende eeuw het socianisme populair worden onder Nederlandse vrijdenkers.

Het socianisme is genoemd naar de Italiaanse humanist Socinus wiens echte naam Fausto Paolo Sozzini luidde (1539-1604). Hij stond een rationele interpretatie van de Bijbelteksten voor en geloofde niet in de predestinatie. Geen wonder natuurlijk dat de contraremonstranten zijn gedachten niet genegen waren. Zij slaagden erin om strenge maatregelen tegen het verspreiden van sociniaanse geschriften af te dwingen. Maar zeker in Amsterdam maakte het stadsbestuur niet veel werk van het afdwingen van die verbodsbepalingen: ging men al eens op zoek naar verboden boeken, dan kondigde men dat ruim van te voren aan, zodat er geen verboden boeken meer konden worden gevonden.

In 1656 verhuisden de broers Koerbagh naar Leiden om daar hun studies verder te zetten. Bart Leeuwenburgh vermoedt dat het feit dat in Leiden, in tegenstelling tot in Utrecht, de opvattingen van René Descartes meer konden worden uitgedragen en bediscussieerd, een reden voor hun overstap was. Adriaan Koerbagh studeerde in 1659 af in de medicijnen en in 1661 in de rechten. In Leiden deed Adriaan Koerbagh vooral ervaring op in de praktische geneeskunde. De universiteit van Leiden was immers één van de eerste universiteiten waar studenten mee werden ingeschakeld in het effectief behandelen van patiënten. Van alle twaalf patiënten die werden behandeld in het Caecilia ziekenhuis, dat bij de Leidse universiteit hoorde, hield de toen beroemde professor Sylvius een dossier bij.

Samen met zijn studenten bezocht hij die patiënten dagelijks en hij moedigde zijn studenten aan om mee te denken over hun behandeling. Zijn promotie in de medicijnen deed Adriaan Koerbagh dan ook met een disputatie over de behandeling van tuberculose. Volgens Bart Leeuwenbergh zou deze zeer praktische bezigheid en ingesteldheid mee verklaren dat Adriaan Koerbagh later ‘een onverbloemde afkeer… tentoonspreidde voor alles wat naar zijn overtuiging rook naar metafysica, intellectuele grootspraak, dikdoenerij en luchtfietserij’. Getuige hiervan het citaat uit zijn boek Ligt: ‘Weeten is seker en wis, en weeten is beter en saliger dan geloven.’

Tijdens de jaren 1660 werden de broers Koerbagh steeds radicaler. Ze waren intussen terug naar Amsterdam verhuisd. Hun deelname aan discussies met collegianten aldaar en hun kennisname van sociniaanse geschriften waren hier niet vreemd aan. Daarnaast bleef Adriaan Koerbagh contact houden met aanhangers van de filosofie van Descartes die samen met hem in Leiden hadden gestudeerd. Eén van hen was zijn beste vriend Lodewijk Meijer die zich toelegde op de lexicografie, de ‘woordenboekenschrijverij’. Via de woordenboeken wilde Lodewijk Meijer de Nederlandse taal vervolmaken en tegelijkertijd meer mensen via de volkstaal laten delen in de recentste ontwikkelingen binnen de wetenschappen en de filosofie. Lodewijk Meijer deed in Adriaan Koerbagh het woordenboekvirus ontbranden. In 1664 debuteerde hij met ’t Nieuw Woorden-boek der Regten, waarin juridische termen neutraal werden beschreven en uitgelegd. Enkele jaren later zou een ander woordenboek van zijn hand veel stof doen opwaaien.

Dat woordenboek verscheen in 1668 en wordt kortweg Bloemhof genoemd. Daarin nam Adriaan Koerbagh geen blad meer voor de mond en manifesteerde hij zich als een van de meest beruchte ‘godslasterlijke’ wijsgeren van de zeventiende eeuw. Een mooi voorbeeld hiervan is zijn omschrijving van de Bijbel. Hij wees er fijntjes op dat het woord ‘Bibel’ een bastaardwoord uit het Grieks was dat gewoon ‘boek’ betekende, “’t zy wat voor een boek dat het is, al wast van reyntje de vos of uylenspiegel”. De Bijbel definiëren als een doodnormaal boek, net zoals Reinaart de Vos en Tijl Uilenspiegel, je moet het maar durven in een tijd waarin de overgrote meerderheid van de bevolking er heilig van overtuigd is dat de Bijbel het woord van God is. Dominees stonden al evenmin in hoog aanzien: het zijn eenvoudige boerenjongens die zich van het Latijn bedienen om te verhinderen dat de gewone man hen zou kunnen begrijpen. En hoe kun je nu betogen dat religie iets redelijks is, wanneer de enige methode om een religie er echt bij het volk in te stampen bestaat uit geweld, het vuur en het zwaard?

Al enkele jaren eerder begonnen de hoogste geestelijken in Amsterdam te beseffen dat Johannes Koerbagh, die intussen kandidaat-predikant is geworden, van het rechte geloofspad aan het afglijden was. Bijgevolg werd Johannes Koerbagh regelmatig uitgenodigd om zich te komen verantwoorden. Een eerste keer gebeurde dit in 1666. Uiteindelijk gaf Johannes Koerbagh toe, waardoor hij niet uit de geloofsgemeenschap werd gestoten en zelfs het recht om te preken mocht behouden. Hij bleef echter ‘colleges’ van de collegianten bijwonen. Toen dit uitkwam, moest Johannes Koerbagh begin 1668 zich een tweede maal verdedigen. Hoewel hij daar verschillende keren de kans toe kreeg, was hij niet meer van plan om zich gedwee als een schaap terug naar de kudde te laten leiden. De maat was uiteindelijk vol toen Bloemhof op de markt kwam en het manuscript van Ligt, het tweede boek van zijn broer Adriaan, door een berouwvolle drukker bezorgd werd aan de autoriteiten.

In Ligt schopte Adriaan tegen alle religieuze huisjes. De tien geboden van Mozes waren niet door God gedicteerd; ze waren door de mensen zelf uitgedokterd. Het dogma van de Heilige Drie-Eenheid was een verzinsel van theologen. Van de goddelijkheid van Jezus liet hij evenmin iets heel. Jezus was wel een uitzonderlijk mens, een leraar die het volk wilde verheffen. De Heilige Geest stelde hij dan weer gelijk aan de rede. Als iedere mens zich door het licht van de rede zou laten leiden en zijn vermogen tot logisch nadenken zou aanboren, zou iedereen tot het grootste geluk worden gebracht. Daarom moest de duisternis of de leugen van het geloof wijken voor de wetenschap, de wijsheid en de rede. Hij noemde zichzelf fier een ‘ketter’, een ‘zuiverer’, een ‘behouder’.

Zoveel baldadigheid kon het Amsterdamse stadsbestuur niet over zijn kant laten gaan. De druk van de contraremonstranten om eindelijk eens een voorbeeld te stellen was ook te hoog geworden. Adriaan en Johannes Koerbagh stonden allebei eind juli 1668 terecht voor de Amsterdamse schepenbank. Johannes Koerbagh kwam er goedkoop vanaf, hoewel hij volhardde in de boosheid. Adriaan Koerbagh werd daarentegen tot tien jaar gevangenis veroordeeld. Tevens zou hij na zijn vrijlating voor tien jaar uit Amsterdam worden verbannen. Adriaan Koerbagh had duidelijk op te veel zere tenen getrapt en kon een zware straf niet ontlopen, hoewel hij connecties met Amsterdamse stadsbestuurders had.

Vermoedelijk vonden de Amsterdamse schepenen zelfs dat ze genadig waren geweest, want de schout had nog veel hardere straffen geëist: Adriaan Koerbagh moest op een schavot op de Dam worden vastgezet; zijn rechterduim moest worden afgehakt; een gloeiende priem moest door zijn tong worden gestoken; al zijn bezittingen moesten in beslag worden genomen; al zijn boeken moesten worden verbrand en hij moest dertig jaar brommen. Adriaan Koerbagh zou meer dan een jaar opgesloten blijven totdat hij in oktober 1669, op nauwelijks 36-jarige leeftijd, in de gevangenis overleed.

Het noodlot van een ketter is een absolute aanrader voor wie kennis wil maken met het rijke, gevarieerde, maar ook heel twistzieke geestesleven in het Nederland van de zeventiende eeuw. Het boek laat zien dat Spinoza niet op een eiland werkte, maar inspiratie, begeleiding en tegenspraak vond in een beperkte bevriende kring van vrijdenkers. Bart Leeuwenbergh legt eveneens mooi uit welke invloed Thomas Hobbes met zijn Leviathan direct had in Nederland, hoewel de Nederlanders er hun eigen opportunistische draai aan gaven. Tevens weet hij een boeiend portret van Adriaan Koerbagh te schetsen, hoewel hij maar over weinig biografische feiten beschikt.

Ten slotte is Het noodlot van een ketter een actueel verhaal, hoewel het hoofdpersonage in de zeventiende eeuw leefde. Op de eerste plaats omdat het boek aantoont met welke grote obstakels mensen die een radicaal nieuw geluid willen laten horen te maken kunnen krijgen. Op de tweede plaats omdat ook nu nog op veel plaatsen in de wereld de wetenschap en de democratie het moeten opnemen tegen allerhande machten en krachten die de mensen in slaafse onwetendheid wensen te houden.


Recensie door Lieven Monserez

Bart Leeuwenbergh, Het noodlot van een ketter, Uitgeverij Vantilt, Nijmegen, 2013, 262 blz.

Links
mailto:lieven.monserez@telenet.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be