Kuifje en Tintin kibbelen in Afrika

boek vrijdag 05 november 2010

Evert Kets

Congo vierde op 30 juni 2010 zijn 50ste onafhankelijkheidsverjaardag en dat werd voorafgegaan en herdacht met een kleine lawine aan boeken en allerlei feestelijkheden. De bekendste boeken zijn die van David Van Reybrouck, Peter Verlinden, Rudi Vranckx en Zana Aziza Etambala. Veel minder aandacht ging er naar de taalstrijd in de voormalige Belgische territoria Congo (1885-1960), Rwanda en Burundi (1919-1962) en naar de rol van de K.U.L./Lovanium in Congo. Evert Kets, journalist, Afrika-analist en onderzoeker bij Clingendael in Den Haag, onderzocht de transfer van het Belgische taalprobleem naar de evenaar. Dit is een nieuw element, want de taalperikelen in België en het koloniale verleden worden meestal los van elkaar bestudeerd, zelden samen. En menigeen ontkent dat die strijd er was, doordat de meeste Vlamingen in Congo, Rwanda en Burundi berustten in de feitelijke toestand dat het Frans er de enige koloniale taal was. Onder en door het Belgische koloniale bestuur werden die drie gebieden de facto Franstalige landen. Rwanda wijkt daar sinds kort van af door over te schakelen op het Engels.

Maar zoals het communautaire aspect op elk moment kan opduiken in België (kijk naar de opstelling van sportploegen, het Rode Kruis, Miss België, Eurosong, de samenstelling van federale en Brusselse regeringen, de organisatie van evenementen in Brussel, de plantentuin Meise, het museum in Tervuren, de asielproblematiek, enzovoort), zo was het ook, zij het dan latent, aanwezig in de kolonies en mandaatgebieden. Kets begint met een handig lijstje van belangrijke gebeurtenissen tussen 1830 en 2007 en enkele afkortingen. Dan beschrijft hij het bezoek van drie Belgische ministers aan Congo in april 2008 en hun verschillende manier van omgaan met de Congolezen: Pieter De Crem (defensie), Karel De Gucht (buitenlandse zaken) en Charles Michel (ontwikkelingssamenwerking). De regering Leterme wilde de Congolezen duidelijk tonen dat België nog steeds aan Congo gehecht was. De overduidelijke taal van De Gucht over de wantoestanden in Congo en de fabelachtige voorrechten van de elite lokte een pittige reactie uit van Kabila. ‘De relatie meester – slaaf is definitief voorbij’, zo zei hij. De president voegde er nog aan toe dat hij in de eerste plaats rekende op de Chinezen om de infrastructuur opnieuw op te bouwen en dat de Belgen pas in aanmerking zouden komen als ze niet meer zouden provoceren. De Franstalige politieke partijen en de pers reageerden totaal anders dan de Vlaamse en beschouwden de hoogmoed van De Gucht als het voornaamste probleem bij de moeilijke relaties met Kabila. De Gucht daarentegen repliceerde terecht dat België eisen mag stellen zolang het 200 miljoen euro ontwikkelingshulp geeft.

In een volgend hoofdstuk snijdt Kets de dekolonisatie aan. De oude, voornamelijk Franstalige elite in Brussel, was niet voorbereid op deze gebeurtenis, net zoals ze verrast was door de opkomst van de Vlamingen in de Belgische context. Bovendien vond die dekolonisatie plaats in volle Koude Oorlog, waardoor Lumumba al vlug als een communist werd bestempeld en anderen zoals Tsjombe en Mobutu de voorkeur kregen. In 1960 waren er nog 70.000 Belgen in Congo. Dit aantal zakte schoksgewijs naar 16.555 in 1980. Het duurde tot 1975, dus 15 jaar, voordat het eerste bezoek van een Belgisch premier plaatsvond. Dat was Leo Tindemans. In 1981 volgde Wilfried Martens, die verklaarde ‘Ik hou van dit land, zijn volk en zijn leiders’. Deze uitspraak lokte veel kritiek uit bij de Vlaamse socialisten. In 2000 trok premier Verhofstadt naar Rwanda en deed daar iets wat weinig Belgen begrepen: aan het land excuses aanbieden voor de terugtrekking van de resterende Belgische militairen, nadat er tien Belgische para’s afgeslacht waren bij de genocide van 1994.

Louis Michel, minister van buitenlandse zaken, bezocht de nieuwe jonge president Kabila en zorgde vooral voor de Waalse wapenexport naar de ‘prille democratie’ Nepal en Oost-Afrika, terwijl het beleid van België en van de EU erop gericht was die regio te stabiliseren. En George Forrest, een dubieuze figuur met Belgisch paspoort in Lubumbashi, mocht in Tanzania een munitiefabriek leveren. Flahaut, Waals socialist en immer blunderend minister van defensie, zat op dezelfde pro-Congolese lijn als Michel, steunde onvoorwaardelijk het Congolese leger en was een graag geziene gast bij Kabila. Een modeleenheid van het Congolese leger verknoeide de sfeer helaas door in 2006 een massagraf aan te richten onder de bevolking. In 2004 werd Louis Michel Europees commissaris voor ontwikkelingssamenwerking, waardoor hij de Congolese verkiezingen van 2006 kon financieren. Karel De Gucht nam zijn plaats in op buitenlandse zaken en deed de ene na de andere kritische uitspraak. De relatie tussen De Gucht en Kabila kwam nooit meer goed. Zijn kritieken waren ook hard: er zijn geen bekwame bestuurders, er is geen staat, de entourage van Kabila slorpt het geld op. Uiteraard merkten ook de Congolezen de gespletenheid in het Belgische beleid. Hun diaspora in Brussel koos de kant van de Vlamingen, maar hun invloed op het beleid is nihil.

Pas in hoofdstuk 4 begint Kets zijn historisch gedeelte met de vraag van een Nederlandse diplomate en van een Congolees: ‘waarom hebben jullie de Congolezen geen Nederlands aangeleerd?’ Blijkbaar trokken ze met de Franstaligen één lijn tegenover de zwarten. Leopold II sprak Frans, Duits en Engels, maar geen Nederlands. En in 1885 was het Frans nog een wereldtaal en de enige officiële taal in België. Toen Leopolds Congo in 1908 Belgisch werd, was België officieel tweetalig geworden. Congo kreeg een soort grondwet. In artikel 3 van die ‘koloniale keure’ stond dat ook het Nederlands een officiële taal zou zijn. Maar de praktische uitvoering kwam er nooit. Al voor de Eerste Wereldoorlog werd een ‘Vlaamsche koloniale kring’ opgericht, maar zijn protest kreeg geen gehoor. Opmerkelijk is dat bij onlusten de radioverbindingen in het Nederlands verliepen, omdat de Congolezen dat niet of minder begrepen. Voor de rest voelden Vlamingen zich bij promoties vaak benadeeld. Ze werden ook vaker naar afgelegen en minder gezonde streken gestuurd. Franstalige oversten verboden ook dat Vlamingen onder elkaar correspondeerden in het Nederlands.

Het Vlaamse tijdschrift Band, opgericht in 1942, werd niet verboden. In 1950 riep het Vlaamsgezinde Davidsfonds op om het Nederlands een volwaardige plaats te geven in de kolonies. In 1952 waagde rechter Grootaert het in Elisabethstad (Lubumbashi) een vonnis te vellen in het Nederlands. Het kostte hem bijna zijn baan. In 1957 kwam er wel een eerste uitvoeringsdecreet over het taalgebruik. De Franstaligen hadden zich daar 50 jaar tegen verzet. Met 100.000 Belgen, onder wie de helft Vlamingen, ontstond de nood aan Nederlandstalig onderwijs. In 1956-1957 gingen 22.567 blanke kinderen naar school, van wie 2119 naar Vlaamse klassen. Dat aantal bleef stijgen tot 1960. Het onderwijs was grotendeels een zaak van de missionarissen. 80% van hen waren Vlamingen. Congolese kinderen kregen eerst onderwijs in hun lokale taal en dan in het Frans, soms van missionarissen met een beperkte kennis daarvan. De jonge Mobutu kende beter Frans dan sommige van zijn Vlaamse leraren.

De gedeeltelijke vernederlandsing van het onderwijs en van de administratie lokte soms heftige reacties uit van Franstaligen en van de Congolese elite, die dit soms als een nieuwe barrière zagen. Mobutu kantte zich als jonge en onbekende journalist tegen de gelijkstelling van het Nederlands met het Frans. In 1960 schafte de nieuwe Congolese overheid het Nederlands af bij Radio Congo en bij de overheid. ‘Flamand’ werd een scheldwoord, dat men ook gebruikte tegen Amerikanen en andere buitenlanders (en dat allochtone relschoppers nu ook hanteren tegen de politie in Brussel). De afkeer tegen de Vlamingen had te maken met de gewoonte om Nederlands te spreken als men niet wou dat Congolezen meeluisterden. Verder hadden de Vlaamse kolonialen de reputatie strenger en harder om te gaan met de zwarten, hoewel vele Vlaamse kolonialen meenden dat ze door hun eigen achterstelling meer begrip opbrachten voor de zwarten. De Vlamingen kwamen ook vaker in functies ‘op het terrein’ terecht, waardoor ze meer in aanraking kwamen met de lokale bevolking: bevelen geven, belastingen innen en straffen uitvoeren waren vooral jobs voor Vlamingen. Sommigen verweten de Vlamingen ook een zeker racisme dat ingegeven werd door hun minderwaardigheidsgevoel.

In een volgend hoofdstuk vertelt Kets over de bodemrijkdommen, die blijkbaar al in 1892 bekend waren, de grenzen van Congo, die altijd ongewijzigd zijn gebleven, de beperkte kustlijn van 37 km, korter dus dan de Belgische, de talen, met het Frans als officiële taal aan de top van de piramide, daaronder de grote vier: Lingala, Swahili, Kikongo, Tshiluba en daaronder de ruim 400 lokale talen. Kasavubu hoorde bij de Kikongo-sprekers uit het westen, Lumumba bij het Swahili-sprekende oosten, Mobutu bij het Lingala in het noorden, Kabila weer bij het Swahili. Het feit dat Kabila zich slechts gebrekkig kan uitdrukken in het Lingala wordt hem soms kwalijk genomen. De Swahili-sprekenden handelen meer met Engelstalig Oost-Afrika, de Lingala-sprekers met de Franstalige landen in het westen. Maar de middelpuntvliedende krachten die Congo uit elkaar dreigen te drijven, zijn niet enkel linguïstisch of cultureel: de armoede brengt jongeren in de handen van rebellerende militieleiders.

Over naar Rwanda en Burundi, allebei kleiner dan België. Het Swahili is hier wijdverspreid en het Frans staat onder druk van het Engels, dat in Rwanda de voornaamste taal geworden is in het onderwijs. President Kagame is opgegroeid in het Engelstalige Uganda en heeft gebroken met Frankrijk, na wederzijdse beschuldigingen over de moord op president Habyarimana. De twee landjes horen ook bij de EAC, de East African Community, met de Engelstalige landen Uganda, Tanzania en Kenia. En Rwanda wordt verwend door de USA en Engeland, sinds zijn breuk met Frankrijk. Het probleem is hier niet de taal, maar de historische kloof tussen Hutu’s en Tutsi’s. De Tutsi’s waren de heersers, die door de Duitse en Belgische kolonialen bevoordeeld werden. De Belgen lieten zelfs Tutsi of Hutu op hun pas zetten. Er waren gelijkenissen met België, waar de Franstaligen tot ca. 1965/1970 de heersende klasse vormden. De Vlaamse missionarissen namen het dan weer eerder op voor de Hutu-minderheid.

In 1994 brak de genocide uit na de moord op Hutu-president Habyarimana. Hutu-doodseskaders brachten toen ca. 800.000 Tutsi’s en gematigde Hutu’s om op 100 dagen. Uiteindelijk werden ze naar Congo verdreven door het Rwandees Patriottisch Front van Paul Kagame, dat door Tutsi’s gedomineerd werd. Dit leidde dan weer tot grote spanningen in Oost-Congo en zelfs tot de val van Mobutu. De erfgenamen van de gevluchte doodseskaders zitten nog altijd in Oost-Congo en hebben zich nu omgeschoold tot landbouwers en mijnwerkers. In Burundi was in 1993 president Ndadaye, een Hutu, vermoord door Tutsi-militairen. En eerder al, in 1972, had het toenmalige Tutsi-bewind de Hutu-elite daar omgebracht. In 2005 legde men een verdeelsleutel vast, waardoor beide groepen overheidsfuncties krijgen, met een bevoordeling van de Tutsi-minderheid. In Rwanda is het verschil tussen Hutu en Tutsi officieel begraven. Wie erover spreekt, kan veroordeeld worden voor ‘genocidaire ideologie’. Beide landjes kampen nog met een ander probleem, namelijk overbevolking (meer dan 300 inwoners per km²) en een tekort aan landbouwgrond. De illegale immigratie in de Oost-Congolese Kivu-provincies heeft ook hier mee te maken.

De auteur maakt dan een sprong naar Tervuren, waar Leopold II in 1904(-1910) het museum voor Congo / nu voor Midden-Afrika liet bouwen. Bij de staatshervormingen van de jaren ’90 was ook dit een twistpunt tussen Franstaligen en Vlamingen, net zoals de plantentuin in Meise. In 2005 vond in het museum een indrukwekkende tentoonstelling plaats onder de titel Het geheugen van Congo : de koloniale tijd. Ook toen ontstonden er polemieken in de Belgische pers, zowel over wat fout liep ten tijde van Leopold en de gedwongen rubberacties, als over de prestaties van de Belgen, zeker tussen 1945 en 1960, op het gebied van landbouw, medische zorg, onderwijs, wegenbouw e.a. Verder ook over de loondiscriminatie tussen zwart en blank, de feitelijke apartheid, onvoldoende huisvesting voor de groeiende Congolese bevolking, het aandeel van de Belgen in de moord op Lumumba. Ook toen liep er een scheidingslijn door België: de Vlaamse auteurs Vangroenweghe en De Witte hadden zware kritiek op Leopold en op de Belgische verantwoordelijkheid bij de moord op Lumumba, de Franstaligen toonden zich veel milder.

De wereldtentoonstelling van 1958 was een laatste hoogtepunt voor Brussel en België. Toen kon men nog onbezorgd uitpakken met de pronkstukken Congo en Rwanda-Burundi. Maar het Vlaamse Jeugdcomité onder leiding van Wilfried Martens verstoorde de feeststemming. Het eiste en kreeg een Vlaamse dag, waarop de Walen ook hun dag kregen. De Congolese elite, die anders over de hele kolonie verspreid zat en aan reisbeperkingen onderhevig was, werd hier uitgenodigd. Zo konden ze mekaar ontmoeten en plannen maken voor de toekomst. 1958 was dus een sleuteljaar, de expo een katalysator.

Behalve Tervuren en het Atomium, is nog een ander Belgisch icoon met Congo verbonden: Tintin of Kuifje, van Hergé (Georges Remi). Hergé schreef zijn Tintin au Congo in afleveringen in 1930-1931. In 1946 werd het opgekuist tot Tintin en Afrique. Vanaf de jaren ’60 kwam er kritiek op het vermeende racistische karakter van het stripverhaal: er was te veel lof voor het werk van de missionarissen en de Congolezen werden karikaturaal voorgesteld met hun dikke lippen en hun kinderachtig gedrag. In 2007 diende een Congolees in Brussel klacht in. Tot nu toe uiteraard zonder gevolg.

Kets vertelt nog wat over Hergé, die net zoals Jacques Brel een verfranste Vlaming of Brusselaar was en over andere complexiteiten in de Verenigde Belgische Deelstaten. Verder ook over Franstalige politici, die geregeld opduiken in Kinshasa, de grootste Franstalige stad ter wereld. De Vlaamse regering daarentegen verkiest andere landen van Afrika, zoals Marokko, Malawi en Zuid-Afrika en verwaarloost Congo . Ex-minister Bert Anciaux was een uitzondering: in 2008 werd hij zelfs ontvangen door Kabila. De Congolezen begrijpen uiteraard niet dat Vlamingen en Walen hun conflicten exporteren naar Afrika en in Congo tegenovergestelde dingen zeggen. Kets besluit dat België de negatieve kanten van zijn koloniaal verleden moet erkennen en met zijn grote expertise inzake Centraal-Afrika moet bijdragen tot de stabilisering en ontwikkeling van die regio.

De auteur is zeer belezen en bijzonder goed op de hoogte van de situatie in de vroegere kolonies en in België zelf. Hij heeft een zeer originele invalshoek en een bijzonder vlotte pen. Hij blijft te lang stil staan bij de actualiteit voordat hij aan zijn historisch overzicht begint. Hij had beter geopteerd voor een chronologische volgorde en de strubbelingen van de laatste decennia op het einde opgevoerd. Nu begint en eindigt hij ermee. Hij prijst de Limburgse jezuïet Jozef Van Wing (1884-1970) terecht als kikongo-taalkundige en als voorvechter van de emancipatie. Hij had er nog bij mogen zeggen dat deze briljante man al in 1923 protesteerde tegen de harde aanpak van de Belgen, in 1945 de basis legde voor middelbaar onderwijs voor de zwarten, in 1956 de regering waarschuwde dat de ontvoogding onvermijdbaar was, dat hij contacten had met Kasavubu, Lumumba, Tsjombé, Simon Kimbangu en andere Congolese leidende figuren.

Tot slot nog dit. De taalstrijd in Congo zelf viel volgens ex-kolonialen nog mee. Walen waren soms lid van de Vlaamse Vriendenkringen, Vlamingen van de Waalse. Maar de tweetaligheid bestond meer op papier dan in werkelijkheid. De prefecten van de officiële Belgische scholen en de directeurs van de Gécamines waren meestal eentalige Franstaligen, de Vlamingen stonden vaak op de lagere trappen van de hiërarchie. In de talrijkere missiescholen was de leiding meestal in Vlaamse handen.


Recensie door Jef Abbeel


Evert Kets, Kuifje en Tintin kibbelen in Afrika. De Belgische taalstrijd in Congo, Rwanda en Burundi, Acco, 2009, 123 p. ; foto’s, chronologie, bibliografie.

Links
mailto:jef.abbeel@skynet.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be