Hitler, de Duitsers en de Holocaust

boek vrijdag 15 mei 2009

Ian Kershaw

Nu Jonathan Littells literaire clusterbom Les Bienveillantes eindelijk in het Engels is vertaald, is het boeiend om te zien hoe dit boek wordt ontvangen in het land waar de herinnering aan de sjoa sterker dan elders de vorm van een religie heeft aangenomen. Een beschrijving van de Endlösung vanuit het perspectief van een van de daders – dat moet in Amerika wel op grote weerstand stuiten. Hoewel Littells boek ook in Frankrijk, Duitsland en Nederland negatieve recensies heeft gekregen, heb ik zelden zulke vernietigend bedoelde besprekingen gelezen als in sommige Amerikaanse bladen. En hierbij sprong vooral de ellenlange, 5500 woorden tellende, kritiek van Ruth Franklin in The New Republic eruit. Het opmerkelijkste was echter niet zozeer haar toon – ze noemt The Kindly Ones ‘een van de meest weerzinwekkende boeken die ze ooit gelezen heeft’ – maar vooral haar argumentatie. De Welwillenden is een slecht boek, aangezien de hoofdpersoon volstrekt ongeloofwaardig is en absoluut niet duidelijk wordt hoe het mogelijk was dat een ogenschijnlijk beschaafd en ontwikkeld volk op industriële wijze zes miljoen mensen vermoordde.

En waarom is Max Aue een ongeloofwaardig personage en is Littells minutieuze beschrijving van de massa-executies, de concentratiekampen en de bureaucratische perikelen zo fout? Franklin laat daar geen misverstanden over bestaan: het beeld dat Littell schetst correspondeert niet met hetgeen Hannah Arendt hierover heeft geschreven. Tja, je vraagt je af waarom historici nog onderzoek naar de Jodenvervolging doen? Hannah Arendt heeft immers het verlossende woord al gesproken! En wie daarvan afwijkt plaatst zichzelf buiten de discussie. Het beeld dat Arendt in Eichmann in Jeruzalem (1963) schetste van Eichmann en andere nazi’s die betrokken waren bij de sjoa, was dat van simpele radertjes in een gigantische machine, van willoze bureaucraten die klakkeloos bevelen uitvoerden en die, als ze op een andere plek en in een andere tijd waren geboren, met evenveel toewijding voor het Rode Kruis of Artsen zonder Grenzen hadden kunnen werken. Waarom zij in plaats daarvan hun onuitsprekelijke misdaden pleegden? Nou, simpelweg omdat dat hen bevolen werd. Eichmann en zijn trawanten waren kleurloze, banale mannetjes zonder enige fantasie, die niets liever deden dan het opvolgen van de bevelen van hun superieuren.

In zijn uitstekende biografie Eichmann: His Life and Crimes (2004) heeft David Cesarani overtuigend aangetoond dat Arendt in haar boek over het Eichmann-proces in de verdedigingsstrategie van de beklaagde is getrapt. Hij wilde de rechters doen geloven dat hij niets meer was dan een klein radertje, iemand die ook maar gewoon deed wat hem werd opgedragen. Omdat Arendt slechts een klein deel van het proces bijwoonde en bovendien meer geïnteresseerd was in filosofische abstracties dan in historische feiten – Jacques Presser heeft erop gewezen dat nagenoeg elke bewering die zij deed over de Jodenvervolging in Nederland onjuist was – én zij voor alles een antizionistisch boek wilde schrijven, heeft haar ‘Eichmann’ weinig te maken met de man die het hoofd was van Referat IVB4 van het Reichssicherheitshauptamt. Laat staan dat deze karikatuur representatief was voor ‘de nazi’.

Bovendien heb je met een beschrijving van afzonderlijke ‘radertjes’ nog geen duidelijk van de ‘machine’ als geheel. Bovendien, doet een dergelijke mechanische metafoor wel recht aan de werkelijkheid? Want als die radertjes alleen deden wat hen opgedragen werd, wie gaf hen dan die bevelen? Wie zette de machine aan, en wie bepaalde het tempo? Uiteindelijk komt een dergelijke benadering van het Derde Rijk altijd neer op het diabolische beeld van de allesbepalende, alles overziende Führer en vond de moord op de Joden simpelweg plaats omdat hij dat wilde en ertoe het bevel had gegeven. Zoals meestal het geval is, zit ook in dit geval de werkelijkheid iets ingewikkelder in elkaar.

Een van de belangrijkste historici van het Derde Rijk is Ian Kershaw, die vooral bekend is geworden door zijn tweedelige biografie van Hitler (1998-2000). Na voltooiing van dat meesterwerk heeft hij een biografie geschreven van de met Hitler sympathiserende Britse aristocraat lord Londonderry (Making Friends with Hitler, 2004) en een briljante studie over tien cruciale momenten tijdens de eerste twee jaar van de Tweede Wereldoorlog (Fateful Choises, 2007), die beide in het Nederlands zijn vertaald. Ook zijn vorig jaar verschenen bundel Hitler, the Germans and the Holocaust is inmiddels vertaald. Het belang van dit laatste boek is in de eerste plaats gelegen in het feit dat het een goed overzicht geeft van het onderzoek naar de zogenaamde Endlösung vanaf de jaren zeventig, dus gedurende de decennia ná het boek van Arendt. De ontwikkelingen binnen de historiografie worden niet alleen duidelijk omdat hier essays zijn gebundeld die Kershaw in de loop van bijna dertig jaar heeft geschreven (de oudste bijdrage dateert uit 1989), maar ook omdat hij in verschillende artikelen expliciet ingaat op de historische debatten die zijn gevoerd.

Centraal in de discussie heeft heel lang de strijd tussen de zogenaamde ‘intentionalisten’ en ‘structuralisten’ gestaan, waarbij de eersten van mening waren dat de rampzalige koers die Duitsland vanaf 1933 heeft gevaren het rechtstreekse gevolg was van de intenties en plannen van Hitler. Vooral de vernietiging van de Joden was iets geweest dat Hitler al heel lang wenste, en waartoe hij dan ook het besluit nam zodra de omstandigheden dat toelieten. De structuralisten ontkenden niet dat Hitler en tal van andere nazi’s moorddadige antisemieten waren, maar waren van mening dat er geen sprake was geweest van een uitgewerkt plan. De radicalisering van de Jodenvervolging was in hun ogen in belangrijke mate het gevolg geweest van de wijze waarop het Derde Rijk was georganiseerd. Het waren de elkaar beconcurrerende bureaucratieën geweest, en daarbinnen ambitieuze functionarissen, die zich uitsloofden om de door Hitler geformuleerde doelstellingen zo radicaal mogelijk te verwezenlijken.

Kershaw behoorde duidelijk tot het kamp der structuralisten, en hield zich in het begin van zijn loopbaan vooral bezig met onderzoek naar de publieke opinie in het Derde Rijk. Zo deed hij onder meer uitgebreid onderzoek naar de vraag hoe de ‘gewone Duitsers’ over de antisemitische politiek dachten. Halverwege de jaren tachtig had hij het gevoel dat het debat hierover op een dood punt was beland, en dat een definitief antwoord wellicht nooit gegeven zou kunnen worden. Vanaf dat moment ging zijn belangstelling steeds meer uit naar de wijze waarop het regime functioneerde. Zo schreef hij een boek over de aard en de rol van de Hitler-mythe, onderzocht hij de genocidale initiatieven die nazi’s namen in het in 1939 veroverde Polen, maar begon hij zich ook te verdiepen in de wijze waarop Hitler leiding gaf.

Hitler was geen dictator die de hele tijd aan de knoppen zat. In tegenstelling tot Stalin was hij geen apparatsjik die zich voortdurend met allerlei details bemoeide, maar wierp hij zich op als een visionair. Hij ontwikkelde een utopisch visioen van nationale verlossing, waarvoor Duitsland gezuiverd moest worden van vreemde rasseninvloeden en tegelijkertijd nieuw grondgebied veroverd moest worden. De enorme dynamiek van het Derde Rijk was het gevolg van een combinatie van dit radicale visioen plus een ander kenmerk van het regime. In een toespraak van een nazifunctionaris uit 1934 stuitte Kershaw op de uitspraak dat ‘het de plicht van ieder individu [was] om te trachten in de geest van de Führer hem tegemoet te werken’. Hitler zette de grote lijnen uit, en omdat iedereen wist welke kant hij op wilde hoefde hij zelf niet de hele tijd achter het stuur te zitten, maar kon hij dat met een gerust hart aan zijn ondergeschikten overlaten. Om carrière te maken ontwikkelden zij tal van initiatieven, zodat het toerental van de vernietigingsmachinerie steeds verder opgevoerd werd. Hitler vond dit prachtig en trapte daarom nooit op de rem, maar gaf hij dikwijls nog wat meer gas.

Het begrip ‘dem Führer entgegen zu arbeiten’ vormde het verklarende leidmotief van Kershaws grote levensbeschrijving van Hitler, die op grond hiervan ook wel is gekarakteriseerd als een ‘structuralistische biografie’, waarin een synthese werd bereikt van de standpunten die in de jaren zeventig nog zo sterk tegenover elkaar stonden. De dialectiek van Hitlers verreikende visioenen én de talloze intiatieven van onderop leidde ertoe dat er, zeker nadat de Tweede Wereldoorlog was uitgebroken, een genocidale mentaliteit ontstond waarbij voor het zogenoemde ‘Joodse vraagstuk’ alleen de aller radicaalste ‘oplossing’ bruikbaar leek. Zodoende is het onmogelijk om een exact tijdstip vast te stelen waarop besloten werd tot uitroeiing van de Joden, en ontbreekt dus ook een bijbehorend Führerbefehl.

Deze visie wordt onderschreven door Richard Evans, van wiens volumineuze trilogie Het Derde Rijk zojuist het derde deel is vertaald. Anders dan Arendt veronderstelde waren degenen die de moord op de Joden organiseerden en uitvoerden volgens Evans ‘geen anonieme bureaucraten of doodstechnologen’ die simpelweg bevelen uitvoerden, maar gewetenloze antisemieten die Joden doorgaans veel wreder en sadistischer behandelden dan andere groepen die eveneens tot de Untermenschen werden gerekend, zoals Polen, Russen of andere Slavische volken. Dat Evans waar het gaat om de Endlösung vrijwel tot dezelfde conclusies komt als Kershaw is eigenlijk opmerkelijk, omdat hij zich deel 2 van zijn triologie, over de jaren 1933-1939, nogal afzette tegen de Hitler-biograaf en diens ‘structuralistische’ aanpak. Nu was zijn min of meer intentionalistische aanpak in dat deel al niet echt overtuigend, maar in deel 3 is daar weinig meer van over. Overigens zijn analyse en het weergeven van het historiografische debat sowieso niet de sterkste punten van Evans, en moeten zijn boeken het vooral hebben van hun verhalende kracht.

Evans heeft een goede hand van citeren en zoomt geregeld in op details die het karakter van het Derde Rijk verhelderen. Zo laat hij zien hoe zich in korte tijd een genocidale mentaliteit ontwikkelde, terwijl hij tevens voorbeelden geeft van mensen die daar grote moeite mee hadden, maar die zich er toch niet tegen verzetten. Schrijnend is het voorbeeld van de Münsterse bisschop Clemens August von Galen, wiens dappere protest tegen het zogenaamde ‘euthanasieprogramma’ er mede toe leidde dat de massamoord op geestelijk gehandicapten en psychiatrische patiënten werd beëindigd, maar die voor de Joden geen poot uitstak. Die passiviteit waar het de vervolging van de Joden betreft kwam, zo laat Evans duidelijk zien, niet voort uit het feit dat de Duitsers niet wisten wat er gaande was. Het later luidkeels verkondigde ‘Wir haben es nicht gewusst’ gold hooguit de exacte details van de vernietiging, maar over het uiteindelijke lot van de Joden kon niemand illusies koesteren. Tegelijkertijd bestrijdt Evans, zonder diens naam expliciet te noemen, de door Daniel Goldhagen in de jaren negentig met veel bombarie verkondigde stelling dat de meerderheid van de Duitsers besmet was met een moorddadige variant van het antisemitisme, zodat de vernietiging van de Joden enthousiast werd toegejuicht. In plaats daarvan keek men bewust de andere kant op en concentreerde men zich op de eigen problemen, die in de loop van de oorlog natuurlijk ook steeds groter werden. Ook hier sluit hij zich aan bij de opvatting die Kershaw reeds in het begin van de jaren tachtig had geformuleerd.

Wie een groots opgezet, goed geschreven verhaal wil lezen over de opkomst en ondergang van het Duitse nationaal-socialisme, waarin veel aandacht wordt besteed aan de ervaringen van ‘gewone’ Duitsers, kan hiervoor heel goed terecht bij de bijna drieduizend bladzijden tellende trilogie van Evans. Wie echter vooral is geïnteresseerd in de meest recente stand van zaken in het onderzoek naar de sjoa, en een beargumenteerde weergave van de verschillende visies wil lezen, doet er goed aan de fraaie bundel van Kershaw aan te schaffen. Voor mensen die nog altijd geloven dat het laatste woord over deze materie reeds is gesproken door Hannah Arendt, en die dus twijfelen aan de historische accuratesse van de roman van Jonathan Littell, zijn beide boeken aanraders – tenzij men bang is van zijn geloof te vallen. Maar ja, dan moet je nooit historische boeken lezen.


Recensie door Rob Hartmans



Deze tekst verscheen in De Groene Amsterdammer.

Richard J. Evans, ‘Het Derde Rijk, Deel 3: Oorlog’, Het Spectrum/Standaard Uitgeverij, 1015 blz., € 49,50 - Ian Kershaw, ‘Hitler, De Duitsers en de Holocaust’, Het Spectrum, 477 blz., € 39,95

Links
mailto:andreas@liberales.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be