Nota bene ’45. Een dagboek

boek vrijdag 20 februari 2009

Erich Kästner

Hoezeer de nazi’s de onafhankelijke geest van dichters, schrijvers, wetenschappers en andere intellectuelen vreesden, bleek uit hun vastberadenheid om hen niet alleen fysiek te liquideren maar ook hun boeken te vernietigen. Op 10 mei 1933 verzamelden studenten, bibliothecarissen, professoren, leden van Stahlhelm, de SA en de Hitlerjugend op de Oberplatz voor de Berliner Staatsoper. Ze brachten meer dan 12.000 titels van 150 verschillende ongewenste auteurs bijeen voor een reusachtige boekverbranding. Het betrof boeken van Karl Marx, Heinrich Mann, Bertold Brecht, Siegmund Freud, Werner Wegemann, Erich Remarque, Alfred Kerr, Carl von Ossietzky, Hugo von Hofmannsthal, Jakob Wassermann, Kurt Tucholsky, Leonard Frank, Carl Zuchmayer, Lion Feuchtwagner, Jack London, Albert Einstein, Thomas Mann, Franz Werfel, Arthur Schnitzler, HG Wells, Hans Keilson, Alfred Döblin en vele anderen. Ruim 20.000 boeken gingen die avond in de vlammen op. De gebeurtenis werd door Goebbels geroemd als de unieke Verbrennung undeutschen Schrifttums omdat ze volgens de nazi’s ingingen tegen de Duitse geest. Nog een auteur van wie de boeken verbrand werden was Erich Kästner. Heel bijzonder was dat hij die avond als enige schrijver getuige was van de verbranding van zijn eigen boeken.

Erich Kästner werd in 1899 geboren in Dresden. Met zijn eerste publicaties zoals de jeugdroman Emil und die Detektive had hij heel wat succes. In 1931 publiceerde hij Fabian. Die Geschichte eines Moralisten dat door de nazi’s werd beschouwd als een decadent boek. Hij kreeg een schrijfverbod opgelegd, werd tweemaal gearresteerd maar weer vrijgelaten. Kästner wordt beschouwd als een exponent van de Innere Emigration, de ballingschap in eigen land. Hij had de oorlog kunnen doorkomen in het neutrale Zwitserland, maar besloot, op gevaar voor eigen leven, om in Duitsland te blijven wonen zodat hij later getuigenis zou kunnen afleggen van de gruwel die zich voor zijn ogen voltrok. Nota bene ’45 bevat de herziene dagboeknotities van de Duitse schrijver uit de eerste helft van het jaar 1945. In die chaotische maanden verplaatste Kästner zich van het almaar onveiliger wordende Berlijn via Tirol naar Beieren. Zo goed en zo kwaad als het tijdens de vlucht kon, noteerde hij zijn indrukken en observaties en deed hij verslag van het alledaagse leven in het laatste oorlogsjaar. Pas vijftien jaar later, in 1961, zou hij de vluchtige, vaak cryptische aantekeningen uitwerken tot de huidige vorm, die nu vertaald werd naar het Nederlands.

De laatste maanden van het nazi-regime waren een nachtmerrie voor de Duitse bevolking. De Amerikanen en Britten bombardeerden voortdurend de Duitse steden. De geallieerden hoopten dat ze hiermee de weerstand van de Duitsers zouden breken en de militaire industrie treffen, maar het enige dat ze ermee bereikten was woede en wraakzucht, of anders complete apathie. Bij de vernietiging van Dresden, de Saksische hoofdstad aan de Elbe, in de nacht van 13 op 14 februari 1945, vielen meer dan 35.000 doden en werd 90 procent van het stadscentrum verwoest. Würzburg, een universiteitsstad met tal van ziekenhuizen, werd op 16 maart 1945 grondig gebombardeerd waarbij 5.000 doden vielen en 90 procent van de binnenstad werd verwoest. In diezelfde week, op 19 maart 1945, gaf Hitler het krankzinnige ‘Nero-bevel’ dat inhield dat de gehele Duitse industriële infrastructuur moest vernietigd worden, en dat leden van de Hitlerjugend, vaak jonge kinderen, werden aangespoord om de vijand tegen te houden. Het was immers Hitlers wil dat Duitsland een nederlaag niet zou overleven en dat zijn onderdanen samen met hem ten onder zouden gaan. ‘Als het Duitse volk de oorlog verliest, dan heeft het bewezen dat het mij onwaardig is,’ aldus Hitler. Terwijl geallieerde troepen stelselmatig terrein wonnen en de hoofdstad naderden, verstarde Hitler in zijn houding om zijn land en zijn bevolking mee te sleuren in de totale zelfvernietiging.

Kästner beschrijft nauwgezet de impact van die gebeurtenissen op het moreel van de bevolking en de soldaten. Zo meldt hij in zijn dagboek op 27 februari 1945 het vreselijke nieuws dat Dresden door de bombardementen van de kaart is weggevaagd waarbij hij de bedenking maakt dat het Derde Rijk zichzelf om zeep helpt. Goebbels blijft via de radio intussen de nakende nederlaag te versluieren, maar Kärstner beschrijft hoe het verdraaien van de feiten uiteindelijk in de kaart speelt van de vijand. Niemand gelooft nog dat de ‘finale overwinning’ zal bereikt worden. ‘Met het geduld van de bevolking lijkt het bijna gedaan’, zo noteert hij. Hij stelt vast dat het moreel zakt, dat tal van soldaten deserteren, maar ook dat leden van de militaire politie hen oppakken en doodschieten. De gewone Berlijners reageren eerder gelaten en slepen zich als verdoofd voort van hun huis naar de schuilkelders en terug, en tussendoor proberen ze iets eetbaars te vinden. De neerslachtigheid is groot maar leidt niet tot opstandigheid. Het is alsof de bevolking na twaalf jaar terreur in een algehele apathie is geraakt waardoor men geen initiatief meer kan nemen en alles als zinloos ervaart.

Het dagboek kantelt volkomen als Kästner erin slaagt om zich aan te sluiten bij een groep van filmmakers die de onwezenlijke opdracht krijgt om eind maart 1945 nog een film te gaan maken in het dorp Mayrhofen in het Oostenrijkse Tirol. De lokale bewoners begrijpen er niets van maar ‘aangezien de Duitse eindoverwinning vaststond, moesten er Duitse films worden gemaakt’, en aangezien dat niet meer veilig kon in Berlijn kreeg men de toestemming om onderwerpen met buitenopnamen te filmen. Het is een knotsgek, maar echt gebeurd verhaal. Intussen blijft Kästner verslag doen van de gewone gang van zaken in het hun vijandig gezinde dorp. Zo hoort hij op Radio Wehrwolf hoe de Duitse propaganda kinderen tot helden prijst omdat ze handgranaten naar de vijand hadden gegooid en de vrouwen suggereert om kokend water over de indringers te gooien. Tegelijk verstrakt de houding tegenover de zogenaamde ‘defaitisten’. Commandanten die zich overgeven worden ter dood veroordeeld. De propaganda blijft ook juichen over de enorme verliezen die ze de vijand hebben toegediend, over de onverzettelijkheid van het volk en de eindzege die binnen bereik ligt. Maar de auteur noteert even droog de opmars van de Amerikanen en de Russen en beseft, samen met de lokale bevolking, dat men hem voor de gek houdt.

Intussen blijft de filmploeg heel actief werken, de ‘camera’s snorren’ en de ‘acteurs acteren’, terwijl de lokale bevolking zich eraan vergaapt. ‘Hoe verbaasd zou ze zijn geweest wanneer ze had geweten dat de filmcassette van de cameraleeg was!’. Kästner beschrijft ook de toenemende stroom vluchtelingen die de lokale bevolking liever niet ziet komen, over officieren die dubbelzinnige documenten vernietigen en hun toekomstige antwoorden coördineren op de pijnlijke vragen die later zullen gesteld worden, over een partijgenoot die zich haastig ontdoet van zijn partij-insignes en het portret van Hitler en belastende documenten vernietigt. ‘Hij kan het nog ver schoppen’, stelt Kästner cynisch vast. Tussendoor vermeldt hij de bevrijding van het concentratiekamp Buchenwald waar de Amerikaanse troepen de Duitse bevolking van omliggende steden naartoe stuurt om er de verbrandingsovens en opeengestapelde skeletten te gaan bekijken. De gruwelijke informatie over die kampen werd ook mondeling doorgegeven. ‘Over met een rood kruis gemarkeerde hospitaalschepen en hospitaaltreinen die, in strijd met de Geneefse Conventies, volgeladen waren met gasmunitie. (…) Over het doodschieten van joden in Rusland en Polen’, en over het afmaken van mensen met nekschoten van de in kuilen liggende mensen die al halfdood waren. Op 30 april valt de radio uit. Die stilte is nog erger dan de leugens die men voordien uitzond omdat men die nog kon interpreteren. Nu rest enkel angst, onzekerheid en wachten.

Na de oorlog klonk onder de bewoners van het Derde Rijk het gezegde ‘Wir haben es nicht gewusst’. De Oostenrijkers gingen daar nog het verst in omdat ze zich al snel van daders transformeerden tot slachtoffers. Hitler was toch hun land binnengevallen, niet? Een radio had het in de zomer 1945 over ‘de engelachtige politieke onschuld van de Oostenrijkers’. Ze vergeten dat de Führer bij het referendum over de Anschluss op 10 april 1938 de steun kreeg van 99,7% van de Oostenrijke kiezers. Dat de nazi’s intimidatie en terreur toepasten was duidelijk, maar het kan niet ontkend worden dat brede lagen van de (ook Oostenrijkse) bevolking Hitler steunden, dat ze de rassenwetten goedkeurden, dat ze zijn buitenlandse politiek en snelle overwinningen van 1939 tot 1941 bejubelden, dat ze nauwelijks protesteerden tegen de discriminatie, deportatie en vernietiging van de Joden, en dat ze tot mei 1945 fanatiek bleven doorvechten. In zijn dagboek van 4 mei 1945 vermeldt Kästner de complete ommekeer bij de bevolking. Er werd hen gevraagd om opnieuw de traditionele kleuren van Oostenrijk uit te hangen, namelijk rood-wit-rood. Ondanks het feit dat ze andere problemen aan het hoofd hadden, kropen de Oostenrijkse boerinnen overal achter hun naaimachines om witte en rode stukken stof aan elkaar te naaien, terwijl mannen hun snorretje van hun bovenlip wegscheerden.

Toch bleven er ook nog sympathisanten van de Führer. ‘Dat het zo erg geweest en zo erg geworden is, lag niet aan Hitler maar aan zijn medewerkers’, zo klonk het regelmatig. Kärstner heeft het over een vorm van stompzinnige, zelfs misdadige gehoorzaamheid. Heel scherp wijst hij op het grote morele falen van de bevolking. Hij haalt ook uit naar de overwinnaars die met een vinger wijzen naar álle Duitsers, ook die kleine minderheid die niet capituleerde, en daar hoorde Kästner bij, net als de leden van de verzetsgroep Die Weisse Rose, Johannes Fest, Bernhard Lichtenberg, en anderen. Pro domo schrijft hij: ‘Wie heeft er eigenlijk, lang voordat de beul bij ons publiekelijk rondwaarde, met Hitler geheuld?’ Wij waren het niet. Wie heeft er eigenlijk concordaten gesloten? (Dat was de paus en de Rooms katholieke kerk). Handelsverdragen ondertekend? Diplomaten naar recepties en atleten naar de Olympische Spelen in Berlijn gestuurd? Wie heeft eigenlijk de misdadigers de hand gedrukt in plaats van de slachtoffers? (Chamberlain, Stalin) Wij niet, mijne heren farizeeërs!’ Maar het felst gaat Kästner van leer tegen diegenen die zich proberen vrij te pleiten. Mannen die zich van hun joodse vrouw lieten scheiden en nadien verklaarden dat het wel écht een slecht huwelijk was, of dat ze hun vrouw zolang mogelijk geld hebben gestuurd, of dat ze met een joods meisje hadden geslapen. Alsof het ook maar één fractie van hun schuld wegwast.

Dat mensen onder een dictatuur zo kunnen veranderen fascineert Kästner. ‘Zo sluit de onderdaan met de heersende moraal, hoe immoreel die ook kan zijn, een contract omwille van zijn zielenrust.’ Volgens hem betekende de Kristallnacht de cruciale ommekeer. Toen werden 267 synagogen en joodse godshuizen in brand gestoken, duizenden winkels en bedrijven verwoest, huizen, scholen en begraafplaatsen beklad en vernield. Bijna honderd Joden werden vermoord. Voorbijgangers zagen hoe leden van de Hitlerjugend met loden pijpen Joden bewusteloos sloegen terwijl vrouwen applaudiserend stonden toe te kijken en zelfs hun kinderen optilden zodat die het beter konden zien. Enkele dagen later pakten de Gestapo en de SS meer dan 25.000 Joden op die verdwenen in de concentratiekampen van. ‘Het was gewoon onmogelijk om er geen getuige van te zijn. (…) Bijna van de ene dag op de andere hielden veel kleine joodse gemeenschappen op te bestaan,’ aldus de historicus Robert Gellately. Ook in Oostenrijk ging het er hard aan toe. Alle 95 Weense synagoges werden in brand gestoken en tal van Joden werden opgepakt en naar concentratiekampen gestuurd terwijl grote menigten stonden toe te kijken. Kästner zag vanuit een taxi SS-ers in burgerkleding de vensters van Joodse winkels stuk slaan en wou protesteren, maar men dwong hem door te rijden. ‘En de volgende ochtend meldde de hele Duitse pers dat de bevolking spontaan lucht had gegeven aan haar onvrede. Op een en hetzelfde moment in heel Duitsland – dat noemden ze spontaniteit’, aldus Kästner, en toen werd het wendbare geweten gelijkgeschakeld.


Recensie door Dirk Verhofstadt

Erich Kästner, Nota bene ’45. Een dagboek, Atlas, 2008

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be