De geheugenhut

boek vrijdag 08 april 2011

Tony Judt

“Als er een partij bestond van mensen die niet zeker weten of ze gelijk hebben, dan zou ik er lid van worden.” Het is een citaat van Albert Camus dat onderschreven werd door Tony Judt die verlamd geraakte door de spierziekte amyotrofe laterale sclerose en op 6 augustus 2010 overleed. Want alhoewel de Joods-Britse historicus en hoogleraar bekend stond als een sociaal-democraat – zie hiervoor zijn laatste boek Het land is moe dat leest als een geloofsbelijdenis in de sociaal-democratie en waarin de auteur zich afzet tegen de neoliberale minachting voor de publieke sector en de obsessie om zoveel mogelijk geld te verdienen, desnoods ten koste van anderen – stond hij ook achterdochtig tegenover de linkse utopische heilsleren zoals het marxisme die de hemel op aarde beloofden, maar doorgaans eindigden in de hel. Ook zijn Joodse achtergrond die een belangrijke stempel drukte op zijn levensloop, weerhield hem er niet van om bijzonder kritisch te staan tegenover de staat Israël en de houding van de Joden wereldwijd tegenover de Arabieren. Vanuit een louter historisch perspectief schreef Judt zijn vuistdikke boek Na de oorlog: een geschiedenis van Europa na 1945, dat algemeen beschouwd wordt als een van de betere werken om te begrijpen hoe het kon dat het uitgeputte continent Europa na de oorlog zo snel uit het dal kon klimmen.

In het laatste jaar voor zijn dood schreef hij zijn eigen herinneringen aan deze periode in een reeks autobiografische bespiegelingen die gepubliceerd werden in The New Yorker en nu gebundeld worden uitgegeven onder de titel De geheugenhut. Het boek start met de bijzonder aangrijpende beschrijving van zijn ziekte waardoor gaandeweg diverse functies van zijn lichaam wegvallen. Vooral de nachten zijn voor Judt een verschrikking omdat hij zich dan heel bewust is van zijn eigen onmacht en onvermogen om zelfs maar een ledemaat te bewegen, en dat terwijl zijn brein op volle toeren draait. Zijn gedachten gaan dan ook naar zijn jeugd in de naoorlogse periode van de jaren ’50. Zo beschrijft hij de grauwheid en de soberheid in het toenmalige Groot-Brittannië, en de dienstbaarheid van politici zoals Attlee die bescheiden, maar met een groot moreel gezag de leiding hadden over het land. Dit in scherp contrast met de latere generatie politici die volgens Judt alleen uitblonken in ‘onophoudelijk geklets en bombastische retoriek (die) slechts een slaapverwekkende leegte verhullen’.

De jaren ’50 stonden ook voor de opkomst van de auto’s die symbool stonden voor vrijheid en autonomie, maar ook voor toenemende zelfzucht onder de burgers. Vandaar zijn heimwee naar de klassieke openbare busverbindingen van de vermaarde Green Line met chauffeurs en conducteurs die niet alleen hun weg goed kenden, maar ook hun passagiers. Die busdiensten werden in de loop van de jaren geprivatiseerd en eigendom van een private onderneming Arriva, ‘de ergste van alle particuliere ondernemingen die tegenwoordig tegen exorbitante prijzen trein- en busdiensten aan Britse forenzen aanbieden’. Het is duidelijk dat Judt een hekel had aan die privatiseringsdrang en de afbraak van de openbare diensten. Zijn sympathie voor het socialisme bracht hem als Jood ook in contact met het linkse zionisme, waarbij hij drie zomers lang ging werken in de Israëlische kibboets, maar dat viel blijkbaar niet mee. Voor het eerst werd hij immers geconfronteerd met een nieuw soort conformisme waarbij ‘iedereen in de kibboets dezelfde kleren moest dragen, hun kinderen gemeenschappelijk opvoeden, gezamenlijk moest eten,…’ Het bezorgde hem een gezonde afkeer voor de linkse utopieën in een tijd dat allerlei gauchistische fracties elkaar bestookten met hun ‘zuiverheid’ in de leer, gaande van stalinisten en trotskisten over maoïsten en tiers-mondisten. Al even belangrijk voedde het zijn wantrouwen tegen elke vorm van identiteitspolitiek.

In de opstandige sfeer van de jaren ’60 studeerde Judt achtereenvolgens aan de vermaarde King’s College in Cambridge en de École Normale Supérieure in Parijs. Aan die laatste eliteschool zat hij in het centrum van het intellectuele debat dat in die jaren vooral in Frankrijk gevoerd werd. ‘Ik ben opgegroeid in een tijd van voorspoed, veiligheid en gemak, en daarom kwam ik, die in 1968 twintig werd, in opstand. Zoals zoveel babyboomers conformeerde ik me aan de non-conformiteit’, zo erkende hij later, waarbij hij de onthullende opmerking maakt dat de tweede feministische golf nog niet echt aan de orde was. ‘Voor zover er vrouwen bij betrokken waren, fungeerden zij als koffiezetter en bedgenoot’. Terwijl ze in Parijs de kasseien uit de grond braken, sloegen de Duitse jongeren hun eigen opstandige weg in door de ‘Wir haden es nicht gewusst’ van hun ouders en grootouders ten aanzien van het nazisme aan de kaak te stellen.

Maar Judt erkent dat ze het als goed opgeleide studenten eigenlijk wel gemakkelijk hadden en dat ze in die periode helemaal geen oor hadden voor de ware revoltes die bezig waren in Polen en Tsjecho-Slowakije. Pas later beseften veel van zijn generatiegenoten dat het marxisme toen in zijn eigen zwaard gevallen was, en dat het laatste greintje geloof in de utopische socialistische idealen als sneeuw voor de zon smolt. Judt zelf begon in de jaren ’80 nog met Tsjechisch te leren en had er contacten met dissidenten zoals Vaclav Havel en Adam Michnik, en leerde zijn studenten het werk van de Poolse auteur en Nobelprijswinnaar Czesław Miłosz aan, die zich verzette tegen het totalitarisme.

Interessant is ook de houding van Judt tegenover het onderwijssysteem in Groot-Brittannië dat volgens hem al 40 jaar lang het slachtoffer is van ‘catastrofale hervormingen’. Hij heeft het zelfs over de ‘verwoesting’ in het hoger en middelbaar onderwijs, in het bijzonder door het gebrek aan steun voor het openbaar onderwijs en het enorme probleem voor financieel zwakkeren om zich in te schrijven in een kwalitatief beter privaat onderwijsinstituut. In eenzelfde beweging proberen de openbare scholen aantrekkelijk te blijven door het niveau te verlagen. Zijn voornaamste kritiek betreft paradoxaal genoeg dat men het elitaire karakter van het hoger onderwijs heeft afgebouwd en dat men niet langer de meest capabele groep mensen alle kansen geeft om zich maximaal te ontplooien.

Hij richt zijn pijlen dus op die politici die gedurende decennia het verschil in vaardigheden tussen de jongeren genegeerd en zelfs ontkend hebben om zo te komen tot een soort egalitaire maatschappij. Hoe het anders zou moeten, is niet duidelijk. Judt biedt niet echt een alternatief, buiten een korte lofzang voor de Verenigde Staten want ‘nergens anders ter wereld hebben ze zulke goede openbare universiteiten’. Daarmee doorbreekt hij de in Europa zowat algemeen aanvaarde gedachte dat het in de VS met betrekking tot het openbaar onderwijs maar pover gesteld zou zijn.

‘Er is iets fundamenteels mis met de manier waarop we vandaag leven’, zo luidt de eerste zin van Het land is moe, het boek dat Judt in de laatste weken voor zijn dood schreef. De essentie van wat er mis is in ons leven, is volgens de auteur het quasi onvoorwaardelijke geloof van de mensheid in ‘de ongebreidelde marktwerking’ die er voor gezorgd heeft ‘dat miljoenen huishoudens niet meer in hun levensonderhoud kunnen voorzien’. Die omslag in de jaren tachtig van het Keynesiaanse denken naar de almacht van de markt kwam er in de praktijk onder Ronald Reagan en Margaret Tatcher. Die laatste stelde dat er voor de vrije markt geen alternatief zou bestaan.

Voor Judt was dit eenzelfde attitude als na de oorlog toen tal van intellectuelen hetzelfde zeiden over het communisme. Een ander gevaar dat Judt fel aanklaagt is de opmars van ‘identiteit’ in het politieke, sociale en maatschappelijke discours. ‘Identiteit is een gevaarlijk woord’, aldus de auteur, want ‘kunstmatig opgeroepen “nationale discussies” over de identiteit (vormen) een flinterdunne dekmantel voor de politieke uitbuiting van anti-immigrantengevoelens, en bovendien een schaamteloze manoeuvre om economische zorgen op minderheden af te wentelen’. Het is een terechte uitspraak, zeker als we zien hoezeer Geert Wilders, maar ook een Filip Dewinter en zelfs Bart De Wever, dit discours aanzwengelen.

Net zoals Amartya Sen en Mario Vargas Llosa ziet Judt het reduceren van mensen tot één enkele identiteit als een aanslag op de individuele vrijheid. De auteur groeide op en schreef in het Engels, vierde de Joodse feestdagen, was via zijn vader verbonden met Antwerpen, Polen en Litouwen, via zijn moeder met Rusland en Roemenië, via zijn scholing een Franskundige, via zelfstudie een kenner van Tsjechisch, via zijn baan een New Yorker, en als auteur een specialist in de geschiedenis van geheel Europa. Sommigen zouden hem dan ook klasseren als een ‘thuisloze kosmopoliet’. Maar Judt is het daar niet mee eens en schrijft: ‘Ik ben allesbehalve thuisloos, ik ben juist stevig geworteld, maar wel in een aaneenschakeling van contrasterende erfgoederen’. En hij betreurt hoezeer het identiteitsdebat en het nationalisme gezorgd hebben voor een culturele verarming.

Tal van steden en gemeenten waren tot diep in de 20ste eeuw kosmopolitisch, er werden tal van talen gesproken en dat zorgde voor een intellectuele verrijking. Nu zijn er politici in Vlaanderen die verbieden dat de uitbaters van een restaurant een Franstalige naam zouden gebruiken voor hun etablissement. ‘In de loop der jaren jagen die fanatieke, onvoorwaardelijke loyaliteiten aan een land, een god, een idee of een mens me steeds meer angst aan’, schrijft Judt. Het is een waarschuwing die kan tellen in deze tijden van enggeestig populisme en nationalisme dat overal de kop opsteekt.


Recensie door Dirk Verhofstadt


Tony Judt, De geheugenhut, Contact, 2011

Links
mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be
Share |

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be