De kamers van de melancholie

boek vrijdag 25 februari 2011

Karin Johannisson

“Het geluk om droevig te zijn”, zo beschreef Victor Hugo de melancholie en dat is wat wij er ook over dachten tot we Karin Johannissons De kamers van de melancholie lazen en tot onze scha en schande dienden vast te stellen dat het toch ietwat ingewikkelder ligt dan dat. Niet voor niets was Robert Burton in zijn onovertroffen The Anatomy of Melancholy in staat om niet minder dan 88 soorten melancholie te onderscheiden en liet Shakespeare de zwartgallige Jaques in As You Like It zeggen: “Ik bezit noch de melancholie van de geleerde, die enkel broodnijd is; noch die van de musicus, die bevlogenheid is; noch die van de soldaat, die eerzucht is; noch die van de advocaat, die tactiek is; noch die van de vrouwen, die aanstellerij is, noch die van de minnaar, die dit allemaal tegelijk is; maar het is mijn hoogstpersoonlijke melancholie.” Melancholie is dus geen strikt afgebakende term, maar een amalgaam van gevoelens, stemmingen en zelfs ziektebeelden, en om het geheel een beetje overzichtelijk te houden – en ook wel omdat ze de medicalisering van onze psyche betreurt – beperkt Johannisson zich tot de gevoelens, wat haar meteen ook de gelegenheid geeft om vrijuit te grasduinen in de geschiedenis van de literatuur en de beeldende kunsten.

Het gevoel dat terugkomt bij iedere vorm van melancholie is dat van het verlies, stelt ze. De melancholicus is iets verloren, maar hij weet niet precies wat, en dat veroorzaakt een onbevredigbaar verlangen. Reeds in de tweede eeuw beschreef de Griekse arts Aretaeus de melancholicus als iemand die zonder duidelijke aanleiding traag, grimmig, neerslachtig en onwaarschijnlijk loom geworden was. “Hij wordt chagrijnig en terneergeslagen,” schreef hij, “lijdt aan slapeloosheid, vervloekt het leven en wenst dood te zijn”. Het had volgens hem allemaal te maken met het uit evenwicht zijn van de vier lichaamssappen bloed, slijm, gele gal en zwarte gal, wat trouwens in het Grieks “melas cholč” was. Bij een teveel aan zwarte gal stegen de dampen ervan naar de hersenen en zo werd de mens melancholisch. Maar niet iedereen had een slecht oog op die melancholie. Aristoteles vond bijvoorbeeld dat je scherpzinnig moest zijn om melancholisch te worden en dat alleen de meest uitgelezen mannen daartoe in staat waren, en Plato bracht de melancholie in verband met de goddelijke inspiratie.

De gouden tijd van de melancholie brak aan in de zeventiende eeuw, wat bijvoorbeeld te merken is aan het succes van Hamlet. In de melancholische vijver is deze jongeling immers een grote vis en het toenmalige publiek begreep zijn lusteloosheid en levensmoeheid meteen. Meer zelfs, het kon best overweg met zijn tegendraadse gedrag, net zoals de Britse respectabelen dit konden met dit van de door levenslange melancholie geteisterde Samuel Johnson. Waar wij dit smakkende, wild om zich heen uithalende en overduidelijk ook autistische tics vertonende genie toch een beetje uit de weg zouden gaan, werd Johnson in zijn tijd sociaal volstrekt aanvaard. Lord Chesterfield noemde hem wel ‘een respectabele hottentot’, maar die had dan ook overal iets op aan te merken.

Met de romantiek wordt de melancholicus het archetype van de kunstenaar die drijvend op zijn grote stemmingswisselingen die onophoudelijk omslaan van een immens zelfvertrouwen in een al even grote zelftwijfel zijn creativiteit de vrije loop kan laten. Volgens Johannisson had dit veel te maken met de sociale gevolgen van de opkomende industriële burgerij. Steeds opnieuw legt ze er in haar boek de nadruk op dat melancholie een maatschappelijk gebeuren is en geen individuele kwaal en dat het aantal melancholici overhands toeneemt in periodes waarin maatschappelijke zekerheden op de schopstoel geraken. Begin negentiende eeuw zag de oude adel zijn onaantastbare aristocratische positie ondermijnd worden door de nieuwe middenklasse. En die stond op haar beurt weer te kijken van haar eigen maatschappelijke opgang, wat onzekerheid in de hand werkte. Een ideaal zaaibedje voor een stel flink uit de kluiten gewassen melancholici dus, en die kwamen er dan ook, denken we maar aan Goethes Werther of – om te benadrukken dat het niet louter een mannenzaak is – Flauberts Emma Bovary.

Bijzonder interessant is de link die Johannisson legt tussen melancholie en eetstoornissen. De melancholicus probeert het verlorene te compenseren met iets anders en dat is nogal eens een copieuze maaltijd. Ook al beseft hij nadien dat hij over de schreef is gegaan, wat Byron verleidde tot zijn in boulimische kringen welbekende uitspraak: “Ik voel me altijd beter als ik heb overgegeven”. Zowel Nietzsche, Kafka, Rilke, Wittgenstein als Woolf leefden volgend strikte voedingsvoorschriften en koppelden daar hun melancholie aan. Vooral bij Kafka, zelf graatmager, blijkt melancholie nogal eens tot een hongerdood te leiden, wat zowel in ‘De hongerkunstenaar‘ als in ‘De gedaanteverwisseling’ het geval is.

Op politiek vlak is de melancholicus geen tafelspringer. Hij is een anti-utopist die zich als flaneur of dandy wel verzet tegen de burgerlijke samenleving, maar dit verzet wordt nooit meer dan iets louter persoonlijks. Hij gelooft niet in toekomstprojecten, ziet de zin er niet van in en wordt iemand die kijkt en bekeken wil worden, wat hem zeker in het begin van de twintigste eeuw door socialisten en communisten niet in dank werd afgenomen. Naast het gevoel van verlies kan melancholie nog een aantal andere eigenschappen vertonen, waarvan Johannisson de meest voorkomende uitgebreid bespreekt. Onverschilligheid is er daar eentje van en die komt ruwweg overeen met wat we nu een burn-out zouden noemen. Klassiek is bijvoorbeeld het verschijnen hiervan na het krijgen van een belangrijke onderscheiding zoals de Nobelprijs. Toen fysicus Richard Feynman daarmee onderscheiden was, viel hij bijvoorbeeld een paar jaar lang in een melancholische toestand waarvan de onverschilligheid hem het werken onmogelijk maakte.

Al even klassiek is de kwetsbaarheid die heel vaak gepaard gaat met melancholie en die vooral vanaf de achttiende eeuw ingang vond met een exponentieel toenemende aandacht voor het gevoel. Mensen huilden tranen met tuiten bij het lezen van Rousseaus Héloise of Richardsons Clarissa. David Hume en Adam Smith stelden dat moraal op het gevoel gebaseerd moet worden en niet op de rede en Jeremy Bentham ontwierp zelfs de eerste filosofie die erop gericht was het lijden bij de mens zo laag mogelijk te houden, het utilitarisme. In de loop van de negentiende eeuw veranderde sensibiliteit in sentimentalisme en werd het voor mannen opeens not done om in een hoekje te zitten grienen bij het idee van een verwelkende roos. Dat werd een vrouwenzaak, met uitzondering van kunstenaars en uitvinders natuurlijk, die nog steeds een nerveuze gevoeligheid mochten tonen. Wereldberoemd is bijvoorbeeld Proust, die zich opsloot in een immer verduisterde kamer, de muren met kurk liet bekleden om geen storende geluiden te moeten horen en zo gevoelig was voor etensgeuren dat hij het zelfs niet kon verdragen dat er gekookt werd in zijn huis. Wie grote kunst maakt lijdt onder de grofheid van de wereld, toonde Proust, en ook vandaag blijkt de chic van Manhattan daar nog steeds flink last van te hebben. Vandaar dat ze allemaal een paar uur per week op de divan van hun therapeut doorbrengen.

Van een gewaardeerde en alleen voor de happy few weggelegde kwaal is melancholie echter over het algemeen verworden tot een opzichtige trek van zelfingenomen aanstellers, en dat heeft alles te maken met de medicalisering ervan, aldus Johannisson. In de twintigste eeuw heeft het begrip depressie als een reusachtige slokop heel wat andere diagnoses opgeslorpt, waaronder de melancholie, waardoor deze als zelfstandige diagnose niet langer bestaat. En dat is jammer, want terwijl melancholie een cultureel gegeven is, blijkt depressie louter individueel te werken. De melancholie spreekt en leidt soms tot kunst; de depressie zwijgt en leidt alleen tot uitzichtloosheid. Het tijdperk van de romantische melancholicus is dus vergleden in dat van de depressieve stumper, en we zouden er voorwaar zelf een beetje melancholisch van worden.


Recensie door Marnix Verplancke


Karin Johannisson, De kamers van de melancholie, vertaald door Elina van der Heijden en Wiveca Jongeneel, Ambo, 2010, 352 p., 24,95 euro.

Links
mailto:marnixverplancke@skynet.be
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be